Ad Valvas 1976-1977 - pagina 389
AD VALVAS — 27 MEI 1977
Twee dissertaties binnen vakgroep kommunikatiewetenschap
VU
Nisiiwe aktie VU voor Vietnam in novemlior
Lezers weten te vaak niet waar hun krant politiek staat
In november dit jaar gaat een nieuwe aktie in het kader van V U voor Vietnam van start. De baten van de aktie worden besteed aan revalidatieprojekten in overleg met reg;eringsfunktionari5sen vastgesteld.
Beide onderzoekers burg.
samen met hun promotor.
V.l.n.r. dr. W. G.
Noomen, dr. E. Diemer en dr. J. J. van
Meer lezers dan men zou verwachten zijn niet in staat aan te geven of hun krant politiek progressief of behoudend is. Uit een in 1974 door de vakgroep kommunikatiewetenschap van de VU gehouden onderzoek blijkt dat 42% van de lezers van het dagblad De Telegraaf en 2 1 % van het september dat jaar opgeheven dagblad De Tijd het antwoord schuldig blijven. Vastgesteld werd dat de opleiding van de lezer daarbij een belangrijke faktor is: hoe teger die is, hoe minder hij kan zeggen welke politieke kleur zijn blad heeft. Opvallend is voorts de konklusie dat lezers hun krant in het algemeen een minder duidelijke kleur toekennen dan die in feite heeft. Zo vonden Telegraaflezers hun krant minder behoudend dan overeenkomt met de werkelijkheid. Tijdlezers zagen hun blad als minder progressief dan het was. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een tweetal proefschriften van de politicologen J. J. van Cuilenburg (31) en G. W. Noomen (34). Vorige week promoveerden beiden daarop tot doctor in de sociale wetenschappen. Op de perskonferentie naar aanleiding van de promoties pleitten de onderzoekers voor invoering op scholen van het vak „mediakunde'. Gezien de onderzoeksresultaten zou daar goede grond voor bestaan. Aan de andere kant zouden journalisten zich meer van hun verantwoordelijkheid jegens de lezers bewust moeten zijn. De politieke opvattingen van de Nederlandse bevolking werden „bevredigend" in de landelijke pers weerspiegeld (voor 75%), zo komt verder uit het onderzoek naar voren. De mate waarin deze kranten bij hun beoordeling van het overheidsbeleid de verschillende politieke standpunten gelijkelijk aan bod lieten komen, was eveneens ruim voldoende (voor 77%). Er werden acht landelijke kranten onderzocht. Daarvan bleek de Volkskrant zijn lezers het meest met uiteenlopende politieke ideeën te konfronteren, De Telegraaf het minst. Het Vrije Volk kwam als de meest progressieve krant uit het rijtje naar voren (is nu geen landelijk blad meer). Het minst progressief zijn het Algemeen Dagblad en De Telegraaf. Deze bladen toonden zich in het onderzoeksjaar gemiddeld nog behoudender dan de W D en de C H U . Trouw en De Tijd nemen een middenplaats in. De Volkskrant en NRC/Handelsblad zijn een tikkeltje progressiever dan de laatste twee. NRC/Handelsblad gaat feitelijk steeds minder in zijn oude liberale jas gehuld, zo blijkt. Alleen de grotere landelijke bladen werden onderzocht. Kleine dagbladen met landelijke verspreiding — Nederlands Dagblad, Reformatorisch Dagblad en D e Waarheid — vielen wegens de geringe oplage buiten het onderzoek. Wel werd ook een drietal regionale bladen aan een inhoudsanalyse onderworpen (Eindhovens Dagblad, De Gelderlander, De Stem).
Stelligheid Kranten blijken stelliger in hun meningen te zijn naarmate zij politiek een extremere opstelling kiezen. De Telegraaf en het Algemeen Dagblad werden als meest stellige kranten genoteerd. In de staart zaten NRC/Handelsblad, Trouw en
De Tijd. Gekonstateerd werd dat minder stellige kranten meer aandacht voor politiek nieuws hebben. Stellige bladen schuiven het politieke nieuws naar de achtergrond en halen criminaliteit, rampen en ongevallen meer naar voren. De stelligheid in denken bij de lezers bleek min of meer overeen te komen met die van de krant. Tijdlezers waren merendeels niet-stellige mensen. Telegraaflezers waren dat juist wel voor het grootste deel. De onderzoeksresultaten wezen uit dat de lezers zich minder aan hun krant gebonden weten wanneer het verschil in stelligheid tussen hen en hun krant groter is. En als lezers het bovendien minder eens is met de politieke opvattingen van hun blad is de binding nog geringer. Het onderzoek vormde de tweede fase van het mediumonderzoek dagblad De Tijd. De vakgroep kommunikatiewetenschap begon daar in 1972 mee, aanvankelijk in opdracht van de uitgever van het voormalige dagblad (eerste fase), later bekostigd uit VU-kas (tweede fase). Gedurende de eerste fase had het onderzoek een toegepast wetenschappelijk karakter en was erop gericht om een nieuwe opzet te vinden die het noodlijdende blad o p de been moest helpen houden. In de tweede fase beperkte het onderzoek zich niet meer alleen tot De Tijd en zijn lezers. Van Cuilenburg verrichtte een empirische studie waarvan het eindresultaat de titel „Lezer, krant en politiek" meekreeg. Noomen deed onderzoek naar de stelligheid van meningen van kranten en lezers. De titel van zijn dissertatie luidt „Beweren en motiveren". Promotor was dr. E. Diemer, co-promotor prof. dr. J. van der Zouwen. Met het onderzoek zijn „de eerste empirische bouwstenen" door de vakgroep kommunikatiewetenschap aangedragen, zoals Van Cuilenburg tijder^s de perskonferentie zei. Tot nu toe is er in de nog jonge tak van wetenschap heel wat af getheoretiseerd. Door de hypothesen onderzoekbaar te maken kunnen praktische resultaten worden verkregen en „dan blijkt dat er vaak weinig van overeind blijft". Empirisch onderzoek is nog maar weinig verricht. Het gedane onderzoek hoort thuis in het algemene onderzoekskader van de vakgroep: „massamedia en demokratie". Binnen de vakgroep is reeds een begin gemaakt met een nieuw onderzoek, waarbij men zich
Cuilen-
afvraagt in hoeverre de berichtgeving over politieke zaken volledig is en wat de effekten ervan zijn. (/. V. d. V.)
Begrotingsprocedure
Gistermiddag hebben de Vietnamese artsen Nguyen Qxxi Hung, direkteur-generaal van het departement revalidatie (min. soc. zaken), en Pham Van Gioi, verbonden aan het nationaal revalidatie-instituut, een perskonferentie op de VU gegeven. Beiden hebben zich de afgelopen maand op uitnodiging van de vakgroep revalidatie VU bij de Nederlandse universiteiten en hogescholen georiënteerd. Op de perskonferentie was ook het Nederlandse Komité II vertegenwoordigd. Dit heeft via VU voor Vietnam het kinderrev alidatiecentrum Bah Vih geadopteerd. Zoals bekend na het sluiten van de Parijse akkoorden in januari 1973 o p uitgebreide schaal initiatieven ontplooid om het Vientnamese volk bij de wederopbouw van het door de oorlog zwaar getroffen land. Het Medisch Comité Nederland Vietnam bereidde in die tijd o.a. de bouw voor van het Holland-ziekenhuis in het noorden van het toenmalige Zuid-Vietnam dat toen reeds bevrijd was. Dit ziekenhuis met een capaciteit van 230 bedden
té formeel, zegt onderzoeksbureau
moest een wezenlijke bijdrage leveren aan de wederopbouw van de gezondheidszorg in Vietnam. Om dit te kunnen realiseren kwam er een samenwerkingsverband met de nederlandse universiteiten op gang. ledere universiteit koos een afdeling van het ziekenhuis. Nadat de U.R. een motie had aangenomen dat ook de VU hier aan mee zou doen, werd besloten de aktie aan de V U te voeren voor de afdeling revalidatie. Het bedrag werd begroot op 160.000 gulden. Eind 1974 werd na langdurige voorbereiding van de commissie VU-voor-Vietnam een inzamelingsaktie gehouden. Deze bracht 108.000 gulden op. Uit een aktie in Amstelveen kwam nog eens 12.000 gulden en tenslotte besloten de Vrouwen voor de V U het fonds Helpen Handen aan te spreken om met 50 000 gulden de begroting rond te maken. Dit geld werd en wordt besteed voor inventaris en materiaal voor de afdeling revalidatie van het Holland-ziekenhuis en voor uitbouw van de mogelijkheden voor arbeidstherapie, onderwijs, produktie van rolstoelen etc Begin mei heeft het aktiekomité VU-voor-Vietnam een informatiedag gehouden waarop men een indruk gaf van de wederopbouw van het dertig jaar door oorlog geteisterde land. (Red.)
Van de Bunt
Kontakten tussen financieel-economische zaken en butgethouders te stroef Het ontbreken van voldoende inzicht en begrip voor eikaars „wereld" en typische problemen en onvoldoende of te formele/stroeve kontakten tussen F E Z (financieel-economische zaken) en budgethouders en vice versa! Dat zijn twee knelpunten uit een door het bureau Van de Bunt Co ingesteld onderzoek naar de financieel-economische dienstverlening binnen de VU. Naast waardering voor de dienstverlening door F E Z schetst Van de Bunt zowel de knelpunten van organisatorisch procesmatig karakter (kommunikatie, doelgerichtheid, deskundigheid etc.) als knelpunten ten aanzien van inhoud en bruikbaarheid van de informatie (volledigheid, snelheid, akkuratesse e t c ) . In een analyse konstateert het organisatiebureau in het rapport (dat inmiddels door het CvB aan de universiteitsraad is uitgebracht), dat er ten behoeve van de centrale en decentrale bestuurlijke organen van de V U (plus enkele instanties daarbuiten) een orgaan (FEZ) bestaat, dat centraal gegevens verzamelt, die verwerkt tot informatie en vervolgens rapporteert aan betrokkenen. De massale gegevensverwerking en de uniforme systematiek (automatisering) vormen volgens Van de Bunt centraliserende en integrerende krachten, waarbij de decentrale organen een schakel in de totale systeemketen worden. Dit impliceert echter een zeker spanningsveld tussen F E Z en faculteiten in het licht van de autonome funktievervuUing (van de faculteiten). Nadeel van centralisatie en uniformering is volgens het rapport, dat niet alle individuele wensen gehonoreerd worden en dat er een bepaalde afstand ontstaat en minder betrokkenheid, een „zich afzetten tegen" het systeem of de instantie. D a a r staat het voordeel tegenover van de noodzaak van minder mensen en de mogelijkheid van specialisatie op bepaalde deskundigheidsgebieden of bepaalde categorieën belanghebbenden (bijv. centrale organen, overheid en budgetbeheerders).
'FEZ teveel gericht op CvB' O p organisatorisch en kommunikatief gebied noemt het rapport als knelpunt ook onbekendheid respectievelijk onvoldoende bekendheid met de organisatie van F E Z . Te weinig is bekend welke deskundigheid binnen F E Z aanwezig is en wat F E Z kan bieden. Verder heeft het bureau het gevoel gesignaleerd, dat F E Z teveel is gericht op het college van bestuur en te weinig op budgethouders. E r is teveel afstand en te weinig echt overleg.
Een knelpunt is ook, dat men van F E Z financieel-economische beleidsimpulsen verwacht maar deze niet of onvoldoende krijgt. Anderzijds heerst bij F E Z het gevoel, dat budgethouders onvoldoende begrip hebben van en inspelen op de door FEZ geboden mogelijkheden van centrale dienstverlening. Wat betreft de inhoud van de door F E Z aangeboden informatie wijst het rapport op het onvoldoende zijn van de informatie en registratie om als operationeel-bestuurlijke informatie te dienen. Men heeft duidelijk behoefte aan meer beleidsinformatie, niet alleen over exploitatie maar ook over bijvoorbeeld personeelskosten. Dit onder meer om de financiële konsekwenties van projekten in de toekomst te kunnen overzien. Met het oog hierop heeft men ook behoefte aan een goede projektenregistratie over de jaren heen. Kortom: Men verwacht van F E Z het aandragen van bouwstenen voor het financieel beleid. Het rapport signaleert ook het bezwaar, dat door het ontbreken van voldoende beleidslijnen en beleidsvisie de begrotingsprocedure een te „formele" zaak wordt gevonden. Andere knelpunten, die naar voren kwamen: de informatie is niet afgestemd o p de specifieke behoeften; men vindt de akkuratesse onvoldoende (koderingsfouten); de definitieve boekingen duren te lang. Verder vindt men, dat er te weinig aandacht is voor inkasso van gelden betreffende projekten, door derden gefinancierd. Wat betreft het bureau studentenadministratie ondervindt men problemen doordat er geen aansluiting is tussen de gegevens van BSA en de eigen vastlegging, wat tot onjuiste berichtgeving leidt. Van de Bunt meent, dat deze knelpunten tot irritatie kunnen leiden en dat voor een deel ook hebben gedaan. Hierdoor kan de gedachte postvatten, dat de centrale diensten (i.e. FEZ) teveel formatieplaatsen
voor zich opeisen. De effectiviteit van F E Z kan belangrijk toenemen indien de knelpunten worden opgelost, waardoor ook het zicht op de ratio van een stuk centralisatie wordt verhelderd.
Specialisatie zinvol Het onderzoeksbureau doet ook een aantal suggesties ter verbetering vaii de situatie. Het vraagt zich af of het mogelijk en zinvol is binnen F E Z voor de kontakten met budgethouders tot een zekere specialisatie te komen respectievelijk de bestaande specialisatie door te zetten. Er zouden bijvoorbeeld een of enkele centrale kontaktpersonen kunnen zijn, die voor één budgethouder of een groep van budgethouders alle zaken kan behandelen (een vertrouwensman). Deze persoon zal zich dan ook in de specifieke problematiek van de budgethouder moeten verdiepen. Ook vraagt het bureau zich af of samenhangende aktiviteiten, nu verdeeld over meerdere centrale diensten, onder één organisatorisch dak gebracht zouden kunnen worden. Dit mede ten behoeve van een overzichtelijker kontaktpatroon met budgethouders. Alle aktiviteiten, die betrekking hebben op de begrotingen van alle begrotingselementen zouden onder één organisatorische eenheid gebracht kunnen worden. Hetzelfde zou bijvoorbeeld kunnen gelden
Vervolg op pagina 10
TIJDELIJK GELDGEBREK? UITZENDBURO DE VAKATUREBANK hoofdkantoor tel. 020-765246 medisch-paramedisch personeel tel. 020-163131
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976
Ad Valvas | 440 Pagina's