Ad Valvas 1976-1977 - pagina 426
AD VALVAS — 24 JUNI 1977
6 'Departement
moet opheldering
verschaffen'
Onduidelijkheid in planningsnota Klein Op dit moment worden er aan de fakulteiten inspanningen geleverd om te komen tot een ontwikkelingsplan tot 1983, of daartoe althans een eerste exercitie te plegen. Deze aktiviteit moet gezien worden in het kader van het streven om te komen tot een middellange termijn planning voor de universiteiten, en de middelentoewijzingen uit Den Haag. Om dit proces op gang te brengen is staatssekretaris Klein in februari gekomen met een „Nota Beleidsindikaties". Globaal kan gezegd worden dat deze nota voorbijging aan een aantal reeds bestaande afspraken tussen de instellingen voor W.O. en het departement. De verontwaardiging hierover binnen de instellingen heeft ertoe geleid dat de staatssekretaris in zijn „explikatieve nota" en zijn „richtlijnen voor het opstellen van een ontwikelingsplan 1980-1983" enigermate door de bocht is gegaan. Eén doel dat Klein aangeeft van zijn verzoek om universitaire ontwikkelingsplannen is dat hij meent dat hij een eventueel verzoek aan het Parlement om meer middelen voor het W.O. moet kunnen motiveren met duidelijke, cijfermatig uitgedrukte knelpunten. Als dit juist is dan betekent dit dat de staatssekretaris mee kan voelen met kamerleden die van mening zijn dat het W.O. „blauw aanloopt". De VUSO is het ermee eens dat een verzoek om meer middelen goed gemotiveerd moet zijn, reden dus om mee te werken aan de tot standkoming van de plannen. Een belangrijk probleem op dit moment is dat de universiteiten in een erg krap tijdschema geperst zijn, zeker wanneer men in ogenschouw neemt dat Klein zegt een grondige bespreking in raden en kommissies van groot belang te achten. Meestal is het namelijk zo dat haastklussen met een maximum aan ambtelijke (Kollege van Bestuur) inbreng en een minimum aan diskussie worden uitgevoerd. In de planning dienen de universiteiten, aldus het ministerie, een aantal randvoorwaarden te betrekken: 1. Gelijkblijvende personele middelen tot 1983. 2. Men moet gebruik maken van de WORSA-prognoses over de te verwachten studentenaantallen. 3. De personele middelen per instelling zijn vastgelegd. 4. Geldende rechtsregels betreffende de rechtspositie van het universitaire personeel worden gerespekteerd. De grote onduidelijkheid zit hem in het kommentaar van het departernent bij deze richtlijnen. Alvorens hierop nader in te gaan enkele opmerkingen bij de afzonderlijke randvoorwaarden.
Kommentaar
VUSO
1. Of het gelijk blijven van de middelen tot 1983 een gewenste randvoorwaarde genoemd kan worden kan pas beoordeeld worden als er een volledige formatiebeschrijving, en een zekere planning bekend is. Anderzijds zal men een bepaald peil moeten kiezen wil men tot enige definiëring van knelpunten komen. Alles wat aan aktiviteiten meer gepland en nodig is dan met het bestaande personeelsbestand mogelijk is, komt nu als het ware als knelpunt „boven water". Dit was voor de VUSO reden geweest om met het hanteren van deze randvoorwaarde in te stemmen toen dit in de universiteitsraad aan de orde was. In dit verband moest een suggestie van de SRVU/PKV om deze randvoorwaarde „flexibel te doen hanteren" worden afgewezen. Immers, wanneer de ene fakulteit gaat rekenen met meer middelen dan de andere dan gaan de toch al zo moeilijk vergelijkbare knelpunten aan de fakulteiten ook nog uit van verschillende middelenniveaus. Bij een aanname van een lager niveau zouden er projekten lichtvaardig als knelpunt worden getypeerd, en bij het aannemen van een hoger middelenniveau dreigen er weer knelpunten „onder water" te verdwijnen. Verder, als „flexibel hanteren" betekent „naast je neerleggen" dan wordt een planningsproces nooit iets meer dan het opstellen van een verlanglijstje, waarbij er van het
Door Harm Scheepstra, namens de VUSO maken van keuzes en het stellen van prioriteiten niets terecht komt. 2. Natuurlijk is het nodig om te weten hoeveel studenten er aan de universiteiten worden verwacht, om een zekere schatting te maken van de in de toekomst te leveren onderwijsinspanning, hoewel dat ook nog verre van eenvoudig is. Daarbij zullen in het kader van een landelijke planning door alle instellingen dezelfde prognoses gebruikt moeten worden. Gekozen is voor de redelijk betrouwbaar geachte „worsa-prognoses". Een probleem dat hierbij in de landelijke „kontaktgroep planning" is gerezen, is dat de fakulteiten maar in beperkte mate van deze cijfers kunnen profiteren, daar deze cijfers betrekking hebben op het aantal binnenkomende eerstejaars, en geen rekening wordt gehouden met migratie tussen de fakulteiten. Dit betekent dat men daarvan een schatting zal moeten maken, hetgeen naast het werken met steeds feilbare prognoses de zuiverheid van de planning niet ten goede komt.
Grote vaagheid Nu dan vervolgens het grote probleem. De staatssekretaris heeft per instelling het middelenbestand in persodeelsplaatsen aangegeven dat naar zijn oordeel bij de planning als randvoorwaarde moet fungeren. Nu is er één zinsnede in de explikatieve nota die, door de druk waaronder de instellingen staan, bijna onder de tafel is verdwenen, maar die, serieus genomen, verstrekkende gevolgen kan hebben voor de universiteiten en hogescholen. Allereerst is het daarbij nodig om iets te zeggen over de wijze waarop personele middelen aan de universiteiten worden toegewezen. Men kan de som berekenen van wat het personeel kost, en dan delen door het aantal formatie-plaatsen, om zo te komen aan een gemiddelde personeelslast. Wanneer er nu plaatsen aan een instelling worden toegewezen, dan krijgt men twee dingen 1. Een toewijzing in aantallen plaatsen en 2. een personeelsbudget, dat groot is: het (nieuwe) aantal plaatsen, maal de gemiddelde personeelslast, plus een restsom. Eén formatieplaats kan vervolgens worden uitgedrukt in 10 halve werkdagen in de week, oftewel 10 „eenheden". Zo hebben de middelen voor een instelling twee plafonds: het aantal formatieplaatsen en het personeelsbudget. Zo moet een fakulteit die meer dure mensen wil aanstellen daarvoor formatie-plaatsen onbezet laten, oftewel „blokkeren".
Verbazend
De hoogst verbazende uitlating van de staatssekretaris is nu de volgende: „Is de instelling in staat door eigen toedoen de gemiddelde personeelslast te verlagen, dan kan zij de daaruit ontstane ruimte zelf in het plan benutten." De grote vraag is nu: Wordt hiermee het systeem van naast elkaar toewijzen, van plaatsen en een budget verlaten en geleidelijk vervangen door de enkele toewijzing van een budget? Immers, gesteld dat een instelling erin slaagt de gemiddelde personeelslast op een aanvaardbare wijze te verlagen, welke cijfers worden dan gehanteerd ten behoeve van de berekening van een gemiddelde personeelslast? Als men dat op basis van de huidige cijfers blijft doen
dan kunnen het aantal beschikbare eenheden in termen van werktijd en het aantal beschikbare eenheden in termen van formatie (zie boven) wel eens zeer ver uit elkaar komen te liggen. Dan zou een inkorrekt voorstel van de SRVU/PKV om één formatieplaats op te splitsen in 13 in plaats van 10 eenheden studentenassistenten wel korrekt worden, omdat studenten goedkoper zijn dan wetenschappelijk medewerkers. Verdere vragen: om de gemiddelde personeelslast omlaag te krijgen, en hiertoe schijnt de staatssekretaris de instellingen aan te sporen, kan men een aantal dingen doen; om er enkele te noemen: Men kan funktiewaardering en salarisschalen op-
nieuw verbinden, op een wijze die de werknemers op een lager salaris brengt. Men kan de post „incidenteel" drukken door minder bevorderingen te doen plaats vinden. Men kan binnenkomende werknemers lager inschakelen. Men kan voor bepaalde werkzaamheden jongere of minder gekwalificeerde krachten aan gaan trekken.
Riskcm^t
Dit laatste is misschien vaak mogelijk maar tevens riskant voor het algehele niveau, ook in termen van ervaring, van de staf, hetgeen een risiko voor het niveau van onderwijs en onderzoek inhoudt. De vraag: wil het departement dit alles, zo nee, wat dan wel? En: hoe ziet het departement deze „mogelijkheden" in relatie tot de vierde randvoorwaarde bij de planning: het handhaven van de rechtspositie van het universitaire personeel? Ten slotte: Als vragen van middelenverdeling over de instellingen
weer een duidelijke rol gaan spelen, hetzij bij toewijzing van personele middelen, hetzij bij korting daarvan, hetzij bij reallokatie (herverdeling) tussen de instellingen, moet dan niet het hele werk van de interuniversitaire, landelijke „werkgroep atoom" die verdeelsleutels voor de middelenverdeling heeft ontwikkeld door het middelen-bestand van de instellingen vergelijkbaar te maken, weer opnieuw beginnen? Op dit moment wo'rdl er door ée instellingen weinig aandacht geschonken aan het boven gesignaleerde raadselachtige zinnetje, zoals gezegd omdat de universiteiten onder de druk van een strak tijdschnna staan. Niettemin is het uitermate wenselijk dat het departement ter zake opheldering verschaft. Het Kollege van Bestuur heeft de VUSO-fraktie in de universiteitsraad desgevraagd toegezegd dat het zal pogen deze duidelijkheid te verkrijgen. Namens de VUSO Harm Scheepstra
Verschuiving van visvangst naar visteelt nodig Waar mogelijk moet bevorderd worden dat er een verschuiving optreedt van het jagen op vis naar het houden van vis. De belangrijkste reden daarvoor is dat er door overbevissing te weinig vis overblijft en in verband daarmee de prijs die voor de vis betaald moet worden sterk stijgt. Die verschuiving zal slechts mogelijk zijn indien de ontwikkelde landen de visteelt helpen uitbreiden in de ontwikkelingslanden waar de tropische wateren verreweg de beste condities bieden voor het houden van vis. Aldus prof. dr. E. A. Huisman in zijn inaugurele rede als buitengewoon hoogleraar in de visteelt en de visserij aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Prof. Huisman, die de enige hoogleraar is op dit vakgebied in heel West-Europa, bespreekt in zijn intreerede drie aspecten van de vis: de vis als consumptie-artikel, als recreatie-object en als voorwerp van wetenschappelijke studie. De gemiddelde consumptie van vis in de wereld is momenteel 12 kilo per hoofd per jaar. Dat houdt in dat ongeveer 70 miljoen ton vis gegeten wordt. Verwacht wordt dat in 2000 per hoofd 16 kilo vis zal worden geconsumeerd; daarvoor zal dan 130 miljoen ton vis nodig zijn. Omdat de laatste jaren ondanks een grotere inspanning niet meer vis door visserij „geoogst" wordt, zal die grotere opbrengst alleen via visteelt verkregen kunnen worden. Op dit moment is die visteelt echter goed voor niet meer dan 6 miljoen ton van de 70 die gegeten wordt. In dit verband zegt prof. Huisman: „Men kan concluderen dat de bevissing op de meest gewilde en traditioneel geëxploiteerde vissoorten zijn maximum heeft bereikt en in sommige gevallen is zelfs van een duidelijke overbevissing sprake. Vooral de laatste tijd bereiken ons veelvuldig berichten die de zorgwekkende toestand van de visbestanden en de visserij als bedrijfstak schilderen. Politieke en vaktechnische discussies over visserijzones en vangstlimieten zijn aan de orde van de dag. Dachten we eerst dat zee en oceaan onuitputtelijk waren, nu moeten we toegeven dat het moment is gekomen waarop we met onze zeer efficiënte visserijmethoden achter het net zullen vissen. Oo lange termijn moet dan ook rekening gehouden worden met een daling van de visconsumptie per hoofd van de wereldbevolking tenzij op uitgebreide schaal gebruik kan worden gemaakt van de andere bron: de visteelt." Al sinds duizenden iaren voor onze jaartelling wordt visteelt bedreven in vijvers met stilstaand water waarin de vis leeft van het natuurlijke voedsel. Dit is nog steeds de meest verbreide methode. Er worden opbrengsten mee behaald van enkele tientallen tonnen per hectare per jaar. Een veel modernere vorm van visteelt maakt gebruik van kweekruimten met een doorlopende waterstroom, waaraan speciaal voedsel wordt toegevoegd. Hierbij worden opbrengsten geoogst van enkele duizenden tonnen vis per hectare per jaar. In tegenstelling tot warmbloedig vee behoeft de koudbloedige vis weinig voedsel voor zijn eigen onderhoud. Een relatief groot deel van het voedsel wordt dan ook omgezet in eetbaar „vlees". Vanuit productietechnisch oogpunt bezien noemt Huisman de visteelt daarom „een efficiënte methode om laag-
waardige voedermiddelen en afvalproducten om te zetten in hooggewaardeerd eiwitrijk voedsel voor humane consumptie".
Visrecreatie Sprekend over de visrecreatie geeft Huisman eerst enkele cijfers. In ons land wordt per jaar ongeveer 40 miljoen man-visdagen gevist op 300.000 hectare viswater (inclusief het IJsselmeer dat 200.000 hectare beslaat). Anders gezegd: de gemiddelde Nederlandse sportvisser heeft een kwart hectare viswater ter beschikking en daarop vist hij 43
Inaugurele rede prof. Huisman aan LH Wageningen
maal per jaar telkens gedurende 5H uur. Volgens Huisman is dat een „hengeldruk" die snel tot overbevissing zou moeten leiden, maar dat gebeurt niet omdat de Nederlandse sportvisser de heel eigen gewoonte heeft om de meeste vis weer terug te zetten. Zo heeft Nederland een continu beviste visstand die vrijwel niet „geoogst" wordt. Dat heef* ertoe geleid dat die visstand in een groot aantal wateren bestaat uit gemiddeld kleine en slecht groeiende vissen, die door een grote „hengeldressuur" ook nog moeilijk vangbaar is geworden. Volgens Huisman maakt die situa-
tie een doelmatig visserijbeheer noodzakelijk. De bevissing, het viswater, het visvoedsel en de visstand zullen zodanig bewaakt en gereguleerd moeten worden dat enerzijds de sportvisserij en anderzijds het watermilieu optimaal worden gehandhaafd. Zulk visserijbeheer zal moeten uitgaan van de houding van de sportvissers, die alleen en in vereniging zelf viswaterbeheerders zijn en die zich dan ook als zodanig professioneel dienen op te stellen.
Visonderzoek Het visteeltkundig onderzoek wordt in Europa (exclusief de Sovjetunie) verricht in ongeveer 60 instituten, die een 40-tal belangrijke vissoorten bestuderen. Over de hele wereld wordt onderzoek gedaan aan ongeveer 250 soorten. In schril contrast tot deze grote verscheidenheid van onderzochte vissoorten staat de vaak geringe zoötechnische kennis met betrekking tot het telen van vis. Zo is de voortplanting van de vis in de kwekerijen vaak nog afhankelijk van de aanvoer van in de natuur gevangen visbroed. Grote delen van de beschikbare vijvers worden bij ontbreken van voldoende visbroed niet gebruikt. Ook omtrent de voedselbehoefte van vele vissoorten tast men nog in het duister. Een grote rol speelt het gezondheidsvraagstuk. Vele visziekten zijn uitermate besmettelijk omdat het water een goede „geleider" vormt. Ook de sterk toegenomen internationale handel in vis en viseieren betekent een gezondheidsrisico. Huisman noemt het daarom van groot belang dat internationale conventies op stapel staan ter voorkoming van de verspreiding van visziekten. Om zulke conventies en andere soortgelijke maatregelen daadwerkelijk te kunnen naleven zal goed diagnostisch onderzoek gedaan moeten kunnen worden. Tegelijk zullen maatregelen ontwikkeld moeten worden ter voorkoming van visziekten, die onlosmakelijk met het kweken van vis verbonden zijn; ook daarvoor zal veel wetenschappelijk onderzoek nodig zijn
STUDENÏÏN SOCIËTEIT VERHUUR V A N DRIE SFEERVOLLE Z A L E N 7 DAGEN PER WEEK voor een geslaagde b o r r e l , feest etc I n l i c h t i n g e n ; tel 242620 na 17 00 uur Herengracht 384 - A m s t e r d a m ,
Zo'n klein ,Adje' van zes piek leest iedereen (zie pa^. 2 colofon)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976
Ad Valvas | 440 Pagina's