Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 204

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 204

12 minuten leestijd

AD ALVAS 21 JANUARI 1977

4

Prof. dr. J. C. Vlugter, oiid-rector magnificus TH Twente:

D e universiteit staat op het speT „Minister van Kemenade en staatssecretaris Klein propageren in de nota „Hoger Onderwijs in de Toekomst" (HOT nota) een integratie van liet lioger beroepsonderwijs (h.b.o.) en het wetenschappelqk onderwijs (w.o.) in één stelsel van hoger onderwijs. Het etiket „wetenschappelijk" van onze universiteiten en hogescholen zal dus weer verdwijnen na een kortstondig bestaan. De nota gaat uit van de grondgedachte: hoger onderwijs voor velen! Eén hoger onderwijs voor velen op breed spoor! Is er over deze grondgedachte wel goed nagedacht, of is de politieke wens alleen maar de vader van de gedachte? Dit laatste lijkt mij het geval te zyn, gezien het voorstel van minister van Kemenade om de leerplichtige leeftijd op te trekken tot 18 jaar. Wanneer hij in de volgende Contourennota niet terugkomt op deze m.i. rampzalige gedachte, konden bij ons „leergierig" volkje de velen wel eens zeer velen worden. Voor het bekleden van maatschappelijke functies hecht men in ons landje immers — met de overheid voorop — zeer veel aan diploma's. In de geprojecteerde bovenschool zullen leerlingen en ouders indien maar enigszins mogelij^k de theoretische tak — voorportaal van het hoger onderwijs — kiezen. Waar blijven de „stoere k n a p e n " en „ferme jongens", die uitgeslapen het zeegat uittrekken? Of is dat liedje ook al afgeschaft op de lagere school? Over „persoonlijke ontplooiing" gesproken (het nieuwe, door wijlen prof. Posthumus ingevoerde modewoord), zullen vele ferme jongens, die op jeugdige leeftijd het zeegat uittrekken (om o.a. in een team aan ontwikkelingshulp in de Derde Wereld mee te helpen) en geconfronteerd worden met de h a r d e werkelijkheid, niet meer profiteren dan zij die bij moeders pappot, netjes in de watten gelegd, sufferig zitten in te slapen in de schoolbanken? Was het niet dr. Holst van Philips, die eertijds reeds zei dat vele examens een volk dom maken? Ik overdrijf bewust om duidelijk te maken, dat we de v e r k e e r d e k a n t opgaan wanneer we geforceerd de komende generaties dwingen om alsmaar meer en meer onderwijs te „genieten", of men dat nou wil of niet. In de HOT-nota draait eigenlijk alles om één zin op pag. 13 (dus toch niet voor niets het ongeluksgetal): „Het beleid ten aanzien van het hoger onderwijs staat derhalve voor de opgave een toenemend aantal studenten de gelegenheid te bieden een p r o g r a m m a van hoger onderwijs te volgen, zonder dat dit tot financiële onmogelijkheden leidt en zonder dat er grote spanningen op de arbeidsm a r k t ontstaan," Een stijging van het aantal studenten van 17,1% tot ca. 40% voor de 18- tot 24-jarige leeftijdsgroep wordt verwacht in de periode 1975-1995 Deze verwachting is gebaseerd op het verloop in de U.S.A. Indien aan de stimulerende voorstellen van de Contourennota Wordt vastgehouden, zouden w e Amerika wel eens voorbij k u n n e n streven.

Kosten De kosten van het hoger onderwijs, afgemeten aan het bruto nationaal produkt (b.n.p ) — in 1975 waren deze 2.01 %o — zouden niet mogen stijgen. Wordt het onderwijsbeleid niet omgebogen, dan worden de uitgaven voor het hoger onderwijs in 1995 op 3,03%, berekend en dat kan niet zeggen de bewindslieden, alvast vooruitdendenkend op hetgeen de volksvertegenwoordiging over 20 j a a r daaromtrent zal beslissen. Hoe willen de bewindslieden het constant houden van 2,01%, bereiken? Natuurlijk door water in de soep te doen; en niet zo'n beetje, want meer dan 2 x zoveel studenten moeten v e r w e r k t worden. Hoe ziet de nieuwe soep er dan uit? Het h.b.o. is p e r student berekend veel goedkoper (gemiddeld ca. 4 maal) dan het w.o., dus uitbreiding van h e t deelnemersaantal in de niet-universitaire sector en afremming van de toestroom naar de dure w.o.-studierichtingen (waaronder natuurlijk chemie en chemische technologie). Verder bevordering van (goedkoper) parttime studeren en — heel belangrijk — verlaging van de personele uitgaven per student. Aangezien deze voor het h.b.o. al laag (in deze kringen te laag genoemd) zijn, zal de genoemde besparing van 20% op de personeelslast uit het w.o. moeten komen. Het w.o. zal een veer — zeg maar veren — moeten laten. De nivel-

lering van het w.o. naar het h.b.o. is trouwens al begonnen. De bewindslieden prefereren kennelijk kwantiteit boven kwaliteit. In de HOT-nota wordt geen inhoudelijk onderwijs geprojecteerd, maar een middelenbeleid, wat trouwens ook gezegd kan worden van de wet herstructurering w.o.

Arbeidsmarkt Gewaarschuwd door het Rapport Arbeidsmarkt Academici, de Rabak-nota (door dr. Klein laten samenstellen) zouden de bewindslieden een beetje voorzichtig moeten zijn met het uitbreiden van hoger geschoolden. Deze nota presenteert namelijk de volgende prognoses voor 1990: (in % van totaal) aanbod behoefte lager en uitgebreid lager niveau 68 middelb. niveau 17 sen-'. hoger niveau 9 hoger niveau 6

77 13 6 4

Alleen voor het laagste niveau wordt een tekort geraamd. Bij de andere niveaus zou er in 1990 een overschot zijn van ca. 50%. Het uitbreiden van het h.b.o. ten koste van het w.o. biedt dus geen enkel soelaas. Wat moeten w e met al deze „geleerden"? Gelukkig heb ik Wim K a n aan mijn zijde die in één oud ej aarsavondvoorstelling meer publiek en ministers bereikt dan ik met al mijn geschrijf. Nu zijn deze voorspellingen wel aanvechtbaar, zeker in tijden van s t e r k e veranderingen in de samenlevingspatronen, zoals we nu beleven. De wijze, waarop de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (KNCV) via enquêtering om de twee j a a r de trend in behoefte volgt, geeft een steviger houvast. Het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI) heeft een

'Bewindslieden willen kwantiteit boven kwaliteif

vooral aan functies bij communicatiemedia als T.V., radio en pers.0

aanloop gemaakt om op soortgelijke wijze de behoefte aan ingenieurs continu te volgen. Het is te hopen, dat v e r w a n t onderzoek ook voor a n d e r e studierichtingen zowel in h e t w.o. als in h e t h.b.o. zal plaats vinden. Niettemin zijn de uitkomsten van de Rabak-prognoses zo significant, dat het onderwijsbeleid d a a r nu r e k e n i n g mee dient te houden. Het gaat niet aan om op te merken, dat w a n n e e r geen passende functie beschikbaar is men zich m a a r tevreden moet stellen met een lager g e w a a r d e e r d e functie. Wanneer men niet enigszins op zijn tenen moet staan om met zelfvoldoening en zelf trots een functie te vervullen, kan men zijn t a a k niet op bevredigende wijze volbrengen. Een vrouwelijke arts is geen goede verpleegster, een ingenieur geen goede analist en een dokter in de chemie geen goede onderwijzer in het l.o. Het k w e e k t alleen m a a r ongewenste frustraties.

Algemeefi Hogere Opleiding Met het door bewindslieden overgenomen voorstel van de Commissie Ontwikkeling Hoger Onderwijs (Cie de Moor) inzake Algemene Hogere Opleidingen (A.H.O.) voel ik me heel wat gelukkiger. Ik dacht namelijk dat er vele beroepen zijn, waar men relatief hoog geschoolde genei alisten goed kan gebruiken. Ze vervullen dan een vertaal- of brugfunctie tussen de gespecialiseerden en de leken. Ik denk aan functies in openbaar bestuur (b.v. milieu- en energieproblemen) in het bedrijfsleven (inkoop, verkoop, administratie) en

Alleen ben ik bang, dat het A.H.O. bij de aanstaande studenten onvoldoende zal aanslaan omdat h e t een van h.b.o. en w.o. afwijkende onderwijsstructuur heeft. De opleiding d u u r t nl. exact 3 jaar. De student ontvangt dan een „dossier-diploma", w a a r o p staat v e r m e l d wat hij in die 3 j a a r gepresteerd heeft. De opleiding geeftgeen toegang tot v e r d e r e studie en tot promoveren. Wel staat post-hogeronderwijs open voor de afgestudeerden. Mijn commentaar samenvattend beweer ik, dat in de HOT-not» de kwantiteit prevaleert boven de kwaliteit, hetgeen ik afkeur, dat hoger onderwijs voor velen eerder dient te worden afgeremd dan aangemoedigd, dat een gewenste differentiatie in kwaliteit juist wordt tegengewerkt, door een devaluatie van het w.o. in de richting van het h.b.o. en dat het beleid veel te veel is gebaseerd op de kosten van het hoger onderwijs.

'Gemillimeter' Ik heb zeer veel commentaren gelezen en zelfs grondig bestudeerd, m a a r er is er slechts één, dat m e goed aanspreekt, dat van Cor Klaasse in het gele bijvoegsel van Quod N o v u m d.d. 22-9-'76 (blad van de Erasmus Universiteit Rott e r d a m ) , getiteld: „Krediet van universiteit op 't spel". De schrijver analyseert al h e t gediscussieer over het reorganiseren en herstructureren van het hoger onderwijs vanaf 1946, toen de toenmalige socialistische minister de L e e u w de Commissie Reorganisatie van het Hoger Onderwijs (Cie Reinink) instelde, tot 1975 — dus 30 j a a r later — toen de socialistische minister van K e m e n a d e zijn wet h e r s t r u c t u r e r i n g w.o. door de K a m e r s heen kreeg en zijn HOTnota uitbracht. „Een ding is zeker j a m m e r , " schrijft Klaasse. „De j a r e n l a n g e voortslepende discussie over de herstructurering, de spil van de vernieuwing, is gegaan over de middelen, de technische oplossingen, terwijl het inhoudelijk probleem w a t we eigenlijk met de universiteit willen geheel terzijde

is geschoven. Achter het probleem van de toenemende studentenaantallen gaat de vraag schuil of w e de universiteit voor een kleine .élite willen b e h o u d e n of willen ombouwen tot massa-onderwijs." En hij eindigt zijn artikel als volgt: „De HOT-nota schetst w e l lijnen n a a r een a n d e r e universiteit, m a a r zegt v e r d e r erg weinig w a t w e m e t de universiteit aan moeten. Willen w e een universiteit, dienstb a a r aan de maatschappij, gericht op de problemen v a n die maatschappij, als leverancier van b r u i k b a r e kennis aan die rnaatschappij? Of kiezen w e voor een kritische universiteit, die w e de vrijheid g u n n e n niet als vanzelfsprekend de problemen te bezien, die in de maatschappij als probleem worden aangeduid m a a r ook kritisch t e kijken n a a r degenen, die h e t probleem definiëren? De universiteit zou zelf ant-woord moeten geven op die uitdagende vraag. Misschien is er nog tijd, na al dat gemillimeter over cursusduur, studieduur, studentenaantallen, richtlijnen en ga zo m a a r een tijdje door. Of de lust nog b e staat zo'n discussie m e t e l k a a r aan te gaan, is een heel a n d e r e vraag."

Uitdaging Welnu, ik p a k de handschoen op en daag een ieder uit zijn mening k e n b a a r te maken. De universiteiten zelf met de Academische Raad spreken zich niet uit over wat een universiteit in wezen is en w e l k e hoogwaardige culturele rol zij in de samenleving vervult. Zijn zij het beu, moe van al h e t gezeur? Het lijkt er wel op, w a n neer w e van d e onderwijs-redact e u r J. van S p a a n d o n k na de E u r o pese Rectoren Conferentie in Bologna (1974) in NRC-Handelsblad van 24 sept. 1974 lezen dat geen antwoord op de dringende v r a g e n gegeven w o r d t en dat de universiteit als een trotse zwaan in een droge vijver sierlijk ligt dood t e gaan. Ik kies duidelijk voor de kritische universiteiten (daaronder de huidige hogescholen begrepen). De universiteit is voor iviij een werkplaats waar twee of drie generaties (hoogleraar, wetenschappelijk medewerker, student) gezamenlijk en voortdurend met elkaar in gesprek zoeken naar de waarheid en haar nieuwe wegen, die kunnen leiden tot het oplossen van steeds weer opdoemende maatschappelijke problemen. De universiteit is er niet alleen voor de hoogleraar, zoals wel eens beweerd wordt, m a a r evenzeer voor de gekwalificeerde m e d e w e r k e r en student. De eigenlijke universiteit begint pas n a d a t de student zich in kennis gekwalificeerd heeft om zijn steentje bij t e dragen in genoemd onderzoek. Het moet een dialoog zijn tussen de opeenvolgende generaties van volwassenen. De ouderen b r e n g e n h u n inzicht, ervaring en wijsheid in, de jongeren de spontane creativiteit en dikwijls de b e t e r e w e tenschappelijke kennis. Daarom onderscheid ik een bovenbouw van een onderbouw, zoals ik deed in het vorige artikel over „het onbegrepen baccalaureaat.') I k v e r w e r p d a a r m e d e de parallelschakeling v a n minister Van K e m e n a d e en staatssecretaris Klein en verkies de constructie v a n opeenvolging. De universiteit komt na het hoger onderwijs. De universiteit hoort niet thuis in de opleidingsfabriek v a n de bewindslieden.

Verbinding Toch moet er een verbinding zijn tussen boven- en onderbouw. Anders zou genoemd onderzoek evengoed of misschien zelfs beter b u i ten d e universiteit k u n n e n plaatsvinden. De deelnemers aan de bovenbouw hebben namelijk allen een opvoedende taak in de onderbouw. De onderbouw k a n massaal onderwijs zijn en dienovereenkomstig w o r d e n ingericht. De bov e n b o u w is voor kleine groepen van studenten, omdat de dialoog contraal hoort te zijn. Wie van ons academici h e r i n n e r t zich niet h e t innige contact m e t zijn leermeesters? Een contact dat h e m zijn leven lang bij blijft.

Vervolg op pag. 11.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976

Ad Valvas | 440 Pagina's

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 204

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976

Ad Valvas | 440 Pagina's