Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 211

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 211

14 minuten leestijd

AD VALVAS — 21 JANUARI 1977

11

Omzwaaien o f stoppen?

Veel s t u d e n t e n vragen zich af of zij wel d e juiste studie h e b b e n gekozen; is het misschien beter naar een a n d e r e studierichting onj te zwaaien, of misschien een andere dan een universitaire stu­ die t e kiezen? Een antwoord op dit soort vragen is niet zo gemak­ kelijk, ook niet altijd mogelijk. J e k u n t erover p r a t e n met studie­ begeleiders, met studentendeca­ nen, m e t studentenpsychologen of en dat gebeurt misschien nog wel h e t meest, met vrienden. Dat kan allemaal helpen o m tot b e ­ sluitvorming t e komen, m a a r dat besluit moet j e w e l altijd zelf n e ­ men: omzwaaien, stoppen of door­ gaan?

is voor sommigen een grote stap. De stap n a a r medestudenten die ook (denken te) twijfelen aan de juistheid van h u n studiekeuze is meestal kleiner. Studentendeca­ nen en studentenpsychologen h e b b e n het plan opgevat om met kleine groepjes studenten motiva­ tieproblemen en w a t d a a r m e e sa­ m e n h a n g t te bespreken. De leden van de groep doen zelf het werk: de rol van decanen en psycholo­ gen is begeleidend, zo nodig advi­ serend. De opzet is als volgt gedacht: in de tweede helft van m a a r t gaan gedurende t w e e of drie avonden (één avond p e r week) zo homo­ geen mogelijke groepjes (naar jaargang en studierichting) van

start. Deelnemen k u n n e n alle stu­ denten die h u n twijfels hebben over de juistheid van h u n studie­ keuze, die aarzelen of ze zullen doorgaan, of stoppen, of omzwaai­ en. D e bedoeling is dat j e tot een w a t helderder beeld komt van w a t j e zelf wilt. Dat k a n door erover te p r a t e n met mensen die in een soortgelijke situatie ' verkeren. Bovendien is h e t ook de bedoe­ ling dat je, als j e tot een beslis­ sing komt, ook een duidelijk beeld krijgt van de uitvoerings­ mogelijkheden ervan. Als j e belangstelling hebt voor deelneming aan een groep kun j e telefonisch een afspraak maken via het nummer van studenten­ decanen (5482699). Je wordt dan uitgenodigd voor een oriënterend gesprekje met één van de decanen. Die gesprekken zullen vallen in de periode 1­5 maart, in de lunch­ pauze. Op hetzelfde nummer kun je ook nadere informatie vragen. (Bureau Studentendecanen)

Wageningen naar 6000 studenten De Landbouwhogeschool in Wage­ ningen met op dit moment onge­ veer 4500 studenten zal in 1980 én in 1990 ongeveer 6000 studenten tellen. Tussen die twee j aartallen in zal echter een piek optreden van 7200 studenten. Aldus enkele konklusies van een door de hogeschool gepubliceerde prognose. De „bobbel" tussen 1980 en 1990 zal een gevolg zijn van de h e r p r o g r a m m e r i n g . Dan zullen namelijk de eerste generaties stu­ denten, die een geherprogram­ m e e r d e cursus volgen tegelijk aan­ wezig zijn met de laatste genera­ ties die volgens d e oude program­ ma's worden opgeleid. Voor h e t eerst hééft de hogeschool ook een prognose gemaakt v a n de aantal­ len studenten, die de hogeschool zonder doctoraal diploma zullen

verlaten. Tussen n u en 1990 zullen er dat r u i m 5000 zijn; gemiddeld p e r j a a r tussen 300 en 400. Het aantal studenten, dat wel een doc­ toraal­diploma behaalt zal van n u 350 p e r j a a r stijgen tot bijna 1300 in 1985 en dan w e e r afnemen tot 900 p e r jaar. In totaal zullen in d'e prognoseperiode 11.500 studenten aan de L andbouwhogeschool af­ studeren. Dat is m e e r d a n h e t dubbele van h e t aantal, dat sinds de oprichting van de L H in 1918 zijn ingenieursbul haalde. Sinds 1945 studeerden 4500 studenten in Wageningen af. De Katholieke Universiteit in Nij­ megen heeft enkele w e k e n geleden h a a r 14.000­ste student verwel­ komd. A a n de TH­Delft is op 6 ja­ nuari de 10.000­ste student inge­ schreven. Het is niet de eerste maal, dat dit aantal studenten in Delft werd bereikt. I n h e t studie­ j a a r 1970/1971 w e r d e n in Delft meer dan 10.000 studenten inge­ schreven. Bij de Tilburgse Hoge­ school is de 4000­ste student in­ geschreven. (Red.)

Soms grote stap Twijfelen is geen schande; t e lang twijfelen aan d e juistheid van j e studiekeuze k a n je echter in problemen brengen, waardoor een besluit v a n buitenaf gefor­ ceerd wordt: j e k u n t in financiële moeilijkheden geraken, of proble­ men krijgen m e t militaire dienst, of j e r a a k t zo achter bij j a a r g e ­ noten dat j e al h u n vrije tijd nodig hebt om ze nog eens t e zien. De stap n a a r een „deskundige" (en als zodanig zijn b i n n e n de universiteit studentendecanen en studentenpsychologen werkzaam)

Vervolg van pagina 4

üniv. op 't spel Toen kon dat nog omdat e r p e r jaar groepjes van 30 a 40 studenten aankwamen. N u zou dit in een meei;' ingewikkelde maatschappij op eei> hofeer niveau mofeten ge­ beuren. A m e r i k a heeft da,t met de „undergraduate­", de „^aduate­^ school" ,en de „post­graduate stu­t dies" begrepen .en l\et is Jijet toe­ vallig dat'in i976'alle Nobelprijzen naar A m e r i k a gingen. i

Nog 'niet té laat? '

',

In zijn inleiding tot de ddscussie­ dag op 5 m a a r t 1976 op dfi H O T ­ nota georganiseerd door het Over­ legorgaan Tertiair Onderwijs, stip­ te prof. dr. R. A. de Moor de twee constructieprincipes •— parallel­ schakeling en opeenvolging — aan. Bij toepassing v a n h e t .beginsel van opeenvolgende opleidingen, zei hij, zou de cursusduur vati de eerste fase strikt tot 4 j a a r be­ perkt k u n n e n worden. Een b e ­ perkt aantal studenten zou tot de tweede opleidingsfase toegelaten kunnen worden. Dit alternatief heeft als voordeel, dat h e t selectieprobleem' groten­ deels k a n worden opgelost op basis van studieprestaties in de eerste fase. Hij d e n k t dus kennelijk aan een eerste fase m e t constante d u u r en wisselend eindniveau, zoals hij dat ook voor de A.H.O. heeft voor­ gesteld. Er zou dan een „dossier­diploma" moeten komen op grond w a a r v a n tot de t w e e d e fase w o r d t toege­ laten. Dit is dan natuurlijk w e e r het hete hangijzer, w a n t selecteren is een vloek geworden. Maar is selectie aan het einde van deze voorfase in het hoger onderwijs niet veal aantrekkelijker dan een numerus fixus, gebaseerd op lo­ ting voor toelating tot de universi­ teit? De universiteit staat op het spel. Als w e niet oppassen zal één v a n onze belangrijkste cultuurdragers uitgebannen worden. Dan is h e t te laat. Zo v e r m a g het niet komen! Ik heb gezegd, wie volgt?" O Uitvoeriger heb ik mijn gedach­ ten neergelegd in een artikel ge­ titeld: „Hoger onderwijs op lang zicht", dat is opgenomen in „N iet bij wetenschap alleen", Libes ami­ corum, aangeboden aan dr. A. J. Piekaar bij zijn afscheid als direc­ teur­generaal van het Ministerie van O. en W. op 27 februari 1975. ') Chem. Weekblad van 26 novem­ ber 1976.

Milieukunde komt van de grond Wat kan milieukunde inhovAen? Gedurende zijn levensloop wordt de mens geconfronteerd met zich­ zelf „de m e n s " en met zijn om­ geving „het milieu". Het weten­ schappelijk denken omtrent zowel de mens als het milieu is de laat­ ste jaren in beweging. Beide on­ derwerpen zijn te beschouwen als zeer veelzijdige multidisciplinaire probleemvelden. Allerlei (deel­) wetenschappen houden zich met zo'n probleem, bezig, op de hun eigen wijze en in zeer verschil­ lende toonaarden (vakjargon). Tussen de in de diverse disciplines ontwikkelde theorieën, opvattin­ gen, hypothesen etc. onderling is vciak weinig cohesie. Het is daar­ dpof moeilijk deze zo verschiü^n­ de'bendderingswijzen rond de the­ , ma's '„de jnens" en „het milieu" m,ei elkaar te verenigen, te inte^ '.grerev­ ,' TQcfi, tee^t. bij velen de wens ie pïfnewtik eèn 'meer integrale visie op cfnsrj/ttfeiisyeeld' en op ons beeld t.o.u: ",hefr "mïUëM („milieubeeld"), Li'eveQÓe^i'V^sihryft in zijn re­ c'értte ,böe/?'„jDe­levensloop van de mens'" diverse meer partiële, ge­ reduceerde visies ten aanzien van ons mensbeeld, voortkomend uit respectievelijk de biologie, de psy­ chologie en de sociologie. Hij geeft de beperktheden van deze geredu­ ceerde visies aan. De biologische visie op het mensbeeld wordt door hem xtangeduid als „biologisme" (de fiiens is een biologisch object en is Tiepdald door zijn erfelijke structuur); de psychologische vi­ sie­„psychologism.e" (de mens is bepaald door zijn opvoeding) en de sociologtscTie het ,^ociologisme" (de mens is "beptiaid door zijn so­ ciale li^llieu). ,' , . „Deze gereduceerde mensbeelden zijn blind voor het geestelijke in de mens pis eigen kwaliteit' (d­ ' tdat uxt hievegoed.). In dit geval is ,dèze beperktheid va­Q, geredu­ ceerde visies vrij duidelijk; im­ . mers „de mens als normatief we­ zen", „de mens in zijn relatie tot religie" e.d. komen in deze visies onvoldoende tot uiting. Bij ons milieubeeld spelen ana­ loge situaties met gereduceerde visies éen rol. De situatie is mijns inziens hier nog ongunstiger, want ten aanzien van het milieupro­ bleem wordt het ontbreken van voldoende integrerende elementen vaak niet als een gemis ervaren. Bij de wetenschappen die zich met milieuproblemen bezig houden zijn dus soms wel dergelijke „lo­ gismen" te onderkennen.

Streven naar integratie „Het milieu" is net zo'n veelom­ vattend multidisciplinair begrip als „de mens". Dit mag ons echter niet weerhouden ook hier te st, e­ ven naar de zo nodige integratie. Pas op basis van een meer inte­ grale visie op het milieu kan me i immers komen tot een beleid, t t milieubeleid. Het begrip milieu bevat duidelijk enkele ongelijksoortige elementen:

maar moeizaam

Door dr. J. W. Copius ,' '. Peereboom, direkteur Inst, V. Milieuvraagstukketi VU • het natuurlijk milieu (de leven­ de natuur) • het artificieel milieu (de ge­ bouwde omgeving) • het sociale milieu (de mens als milieu voor de mede­mens). Verschillende wetenschappen heb­ ben één of meerdere van deze 3 facetten tot studieobject. Echter geen enkele wetenschap kan elk facet gehéél omvatten. Zo leveren de biologie, maar ook de geografie, de chemie en dxvexse landbouw­ kundige en medische wetensphap­ pen bijdragen tot onze kennis om­ trent het natuurlijk milieu^ De so­ ciale geografie, planologie, .socio­ logie en technische vakken behan­ len aspecten vdn de door de 'mens geconstrueerde, gebouwde omge­ ving: stad, industrie, wonen, ver­ voer. Het sociale milieu is object van studie voor sociologen, politicolo­ gen, bestuurskundigen, andrago­ logen etc. Gezien deze veelvormig­ heid kan men de vraag stellen of er nog wel een plaats is voor zoiets als milieukunde. Wat zou die mi­ lieukunde dan wel inhouden? Vele vakwetenschappers nemen dan een sceptische houding aan: Is milieukunde wel een vak of vak­ kengebied? Zijn de pretenties van een eventuele milieukunde niet te hoog? Is het gebodene wel van voldoende kwaliteit? Milieukunde omvat globaal be­ schouwd de kennis van de ver­ schillende facetten v a n het milieu, vooral voorzover van belang ten aanzien van de interactie tussen de mens en zijn milieu. Een meer officiële „definitie" is recentelijk verstrekt door de „Mi­ lieukundecommissie" van de Aca­ demische Raad: „Milieukunde is de wetenschap die zich hezig houdt met de bestudering van ecologi­ sche processen die de verhouding

tv^ssen mens en milieu beheersen en met de mogelijke beïnvloeding van deze processen". Een bezwaar van deze definitie is dat Milieukunde wordt gedefini­ eerd door middel van het begrip ecologische processen, dat op zich­ zelf weer een correcte omschrij­ ving verdient. Bovengenoemde de­ finitie is dan ook wat te zeer na­ tuurwetenschappelijk van toon en mist een zorgvuldige integratie van natuurwetenschappelijke en sociaal­wetenschappelijke elemen­ ten. Het natuurlijk milieu behoort als studieobject zeker tot het terrein van de milieukunde. Doch de af­ grenzing ligt heel anders dan bij bijvoorbeeld de, ecologie. Bij mi­ lieukundige studies moet mijns in­ ziens de nadruk worden gelegd op de interactie mens en milieu onder andere op de veranderingen i n het natuurlijk milieu o n d e r in­ vloed van menselijk handelen. Is dit niet of nauwelijks het geval dan zal de milieukunde zich er niet primair m,ee bezig houden. Vaak is het dan wel een geschikt studieobject voor ecologen, geo­ logen e.d. De afgrenzingen blijven genuanceerd, vaag. Wit­zwart af­ scheidingen zijn hier ook minder gewenst. Enkele voorbeelden kunnen wel­ licht verhelderend werken. De verandering in plantaardig en dierlijk leven in de successiereeks, van veen tot loofbos, zijn mijns in­ ziens geen milieukundig studie­ object. Wél als men de verande­ ringen veroorzaakt door betreding door de mens wil onderzoeken. Het menselijk handelen is hier duidelijk „schadelijk". Bestaat het menselijk handelen bijvoorbeeld 'uit de 'teelt van gewassen dan kan men de vernietiging van bos tot landbouwgrond wél als een milieu­ kundig probleem rekenen, niet als het er om gaat de opbrengst aan graan te optimaliseen. (Dit is dan een landbouwkundig probleem). Het wordt weer wél een milieu­ kundig probleem als het er om gaat de gevolgen te evalueren van menselijke constructies als de Assoeandam of van menselijk 'han­ delen als lozen van giftige stoffen. Het sociale milieu zal op zich geen object zijn van milieukundig on­ derzoek Het kan het echter wel worden als het onderzoek vooral is gericht op de interacties tussen groepen mensen en hun omgeving.

Milieukunde onderbouw

goede

Milieukunde zou mijns inziens tenslotte een goede onderbouw kunnen vormen voor de onder­ scheiden milieuspecialismen als milieubiologie, milieueconomie, milieuchemie, milieutoxicologie, die b i n n e n de diverse disciplines (en de betreffende faculteiten) worden beoefend. Al met al is er een aanzienlijk aantal raakvlakken en daardoor een evengroot aantal potentiële controversen. In de medische we­

tenschappen zien sommigen de milieukunde als een soort milieu­ hygiëne in wat bredere setting, sommige biologen willen de mi­ lieukunde nog wel eens interpre­ teren als „een soort toegepaste ecologie" en ook voor planologen blijft een zinnige afbakening van de onderscheiden vakgebieden vaak nog een probleem. Een meer praktische consequentie van de hierboven geschetste pro­ blemen is dat ten gevolge hiervan het onderwijs in de milieukunde in enigerlei vorm aan deze univer­ siteiten en TH's de laatste 5 jaar maar moeizaam van de grond ge­ komen is. Een uitzondering vormt de Universiteit van Amsterdam,

Milieu­ kolom waar al 5 jaar een breed opgezette multidisciplinaire bijvak­opleiding milieukunde wordt gegeven. Vele andere instellingen van hoger onderwijs volgen maar schoor­ voetend. Deze schroom wordt wellicht mede ingegeven door perikelen bij de iv­passing van de milieukunde bin­ nen de WUB, veroorzaakt door het feit dat in de WUB door een ambtelijk verzuim het onderwijs in interdisciplinaire vakgebieden onvoldoende is gestructureerd. Het is verheugend te constateren dat er ,h^t afgelopen jaar in de literatuur, enkele pogingen zijn ondernomen om ook in concreto een beeld te geven van de aan­ dachtsgebieden waarmee de mi­ lieukutide zich bezig houdt. In Nederland verschenen bij Van Goriüm de „Inleiding in de Mi­ lieuktixide" onder eindredactie van proj^ ituenen. In het kader van de Raad van Europa werd in decem­ ber j.l. vergaderd over de inhouds­ opgave van een „European hand­ book for the teaching of environ­ mental studies". De inhoudsopgave van de Inleiding geeft de lezer een aardige indruk omtrent de inhoud van de milieukunde. Ce opzet van beide boeken ver­ toont veel overeenkomst. De Euro­ pese productie legt wat meer na­ druk op stedelijke milieuproble­ men (urban planning etc), die in het N ederlandse werk wat minder behandeld zijn. Het is te hopen dat deze initiatie­ ven zullen helpen bij een door­ braak ten aanzien van het milieu­ kundige onderwijs bij de verschil­ lende universiteiten en TH's. (Bovenstaande is de persoonlijke opvatting van de sehrijver, ver­ worven in talrijke gesprekken over dit onderwerp. Deze opvat­ ting behoeft in principe derhalve niet samen te vallen met even­ tuele beleidsstandpunten van het Instituut voor Milieuvraagstukken ­ VU).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976

Ad Valvas | 440 Pagina's

Ad Valvas 1976-1977 - pagina 211

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1976

Ad Valvas | 440 Pagina's