Ad Valvas 1977-1978 - pagina 274
AD VALVAS — 24 FEBRUARI 1978
'Gevoel van universitaire
afgang lijkt verstikkend
te
groeien'
Nabeschouwing ('en nog iets meer') op beslissing over Grand Rapids IHr. H. van Andel, medewerker van het secretariaat van de universiteitsraad, schrijft ons 'een nabeschouwing — en nog iets meer — op de Grand Rapids-besUssing*. 'De SRVU meldt met grote koppen een grandioze overwinning op het CvB en de CIS. zy spreken zeUs van afgang. Nu gaat het my niet om de woordkeus. Als opgevoed onder Romeinen 13 zou ik het nooit zo zeggen, maar anderen, anders opgevoed, zeggen het anders. U ziet dan direct al hoe open, tolerant, niet-exclusief, oecumenisch, pluriform ik mJö weet op te stellen. In de wereld van deiiken en voelen ligt die zaak wat anders. Er mag gesproken worden van een afgang, maar dan niet van bepaalde exponenten van de universiteit maar van de Vrije Universiteit als geheel. Zij liet de aantasting van haar identiteit toe en dat met grote meerderheid in de UR. Aantasting van die identiteit is er als wij ons onttreklcen aan de critiek van geestverwanten. Verwant naar de geest, die in de doelstelling het identificeren, het overheersende, het bepalende dezer universiteit is. Al 50 jaar zoeken wy voor een gemeenschappelijk doel steun in onderling geven en nemen. Dat is nu (voorlopig) weer van de baan. Omdat ons geven uitzichtloos leek ten aanzien van één gesprekspartner, hebben wij ons nemen van allen weer voor ons uitgeschoven, daarbij vergetende dat zo wel een hecht-doortimmerde uitzichtloosheid ontstaat. Hoe ontstond die afgang? De SRVU meent dat in de eerste plaats hun actie daartoe heeft geleid. Zij hebben dan zeker recht van spreken want zij met name hebben de UR met de neus gedrukt op de keus tussen solidariteit met de onderdrukkers en de onderdrukten. Daardoor kMram de vraag in het gedrang of de keus in zichzelf wel de juiste was. Enige argwaan is niet misplaatst. Tegenover de aula hangt een bord met namen van hen die weigerden te kiezen tussen Mussert en Moskou. Nee, die afgang keert tot de universiteit zelf terug. Niet een stel activisten heeft die bewerkt. Dat zou een veel te makkelijk afdoen van zaken zijn. Dat christenen van minuut tot minuut staan voor het doen en bevestigen van een heel andere keus, dat blijkt uit dit hele gebeuren niet, althans onvoldoende. Wiens schuld is dat? Om te beginnen de mijne. Ik ben verantwoordelijk voor dit miserabele meerderheidsbesluit, omdat ik mij niet tot het uiterste en met voUe inzet daartegen heb verzet. Ik het te veel over mijn kant gaan en in dat zog varen velen aan deze universiteit mee. Er is een duistere, imiversitairtrage massa, die maar meent te mogen volstaan met trouw en gestaag opgaan in hun vakdiscipltne. Ik haat die niet te verantwoorden vlucht in vakwetenscliappelijke beslommeringen van inderdaad hoge universitaire orde. En al eveimün heb ik het op met de velen die — onder vaak de allerbeste bedoelingen — in een bescheiden hoekje begrippen als christen en gereformeerd wat zitten op te poetsen in een litanie van schuldbelijdend prevelen. NaAdvertentie
DIKS Autoverhuur bv V. Ostadestraat 278, Amsterdam-(Z). Telefoon 714754 en 723366 Fii. W. de Zwijgerlaan 101 Telefoon 183767 : .:
400 nieuwe luxe- en bestelwagens waaronder: FORD-VW-SIMCA-OPEL
MERCEDES VRACHTWAGENS ' TOT 26 M3 EN 5 TON (groot en klein rijbewijs) .
Lage prijzen en studenten' V.10 procent korting
tuurltjk hebben ze een stuk gelijk •— evenals de vakfanatici — maar een deeïgelijk is een gevaarlijke zaak, omdat de hoofdzaak daardoor lelijk in het gedrang kan raken. Die hoofdzaak is dat kerk en cliristenen, uit een ver verleden door het nu tot in een verre toekomst maar één goede boodschap van drie woorden hebben te brengen: Kom en zie. Dat zien moet gaan met voorbijzien van mijn met vodden beduimelde verschijning. Dat zien heeft betrekking op een vorst, die mij ondanks en in al mijn povere armzaligheid als hoveling heeft willen aanstellen aan zijn hof. In die beschamende en verheugende situatie kan ik van alles doen, met alle vallen en falen daarbij, maar niemand kan mij dwingen tot zwijgen over die vorst. En zwijgen kan ook omvatten het poeslieven in dialoog met marxisme, humanisme en positivisme met hun hemeltergende uitgangspunten. Eigen medeplichtigheid sluit ik maar dan ook helemaal niet uit... zolang er van misdrijf sprake is.
Drie punten uit diskussie in UR Terugkomend op de discussie in de ÜR leken drie dingen daarin bijzonder treffend. « De strijd in Zuid-Afrika kreeg de concrete vorm van geweldadigheid en barricades. Hoe een christen daar aan die strüd deelneemt moeten wij aan zijn geweten overlaten. Door afstandelijkheid kunnen wij ons in die strijd mengen zonder dat daarbij ons de dood beloopt. Dat verplicht ons duidelijk te zien dat christenen nu en straks in toenemende mate zich bevinden aan weerszijden der barricade. Als wij nu letten, niet op het politiek en militair resultaat van die strijd, maar op de directe gevolgen, dan geeft dat te denken. Je ziet dan voor je de krampachtig-verstilde lijken van zwarte kinderen, die in het maaiveld van een pistool-mitrailleur kwamen, je ziet de gezonde lijken van blanke kinderen die voor de ouderlijke boerderij in het zwaaiveld van een assegaai kwamen. Ik weet waarover ik spreek. Mijn ervaring doet een beroep op uw verbeelding. Wij mogen niet volstaan met toezien maar wat dan in 's hemelsnaam? Wat wij kimnen doen is trachten door te drilden tot het brein achter de vinger aan de pal, achter de hand met de zwaaiende bijl. Wy zullen dat doen met alle beschikbare menselijke middelen — inclusief harde — maar gaan daarbij tot het vredelievende uiterste in overleg met christenen aan weerszijden, daar wy in hun denken een houvast hebben, hoe dat ook geschokt kan worden in de hitte van de stry'd. U wanhoopt daaraan? Maar waar is het recht op wanhoop als hoop de enige mogelijkheid biedt? 9 Prof. Knol sprak indrukwekkend over het doordringen van heidense en demonische gedachten in blank Zuid-Afrika, met name ook in Potchefstroom. Hy haat — en wie niet aan deze universiteit? — alle uiting van fascistisch denken. Ik zou de laatste willen zijn om dat tegen te spreken. Als een minister van justitie daar — rond de dood van Biko — zegt dat 'iedereen wel eens met zijn hoofd tegen een muur loopt — dan hoor ik — aangenomen dat het citaat juist is — daarin duidelijk het applaus van Satan en zijn legio. Maar wat zegt dat in dit verband? Satan pleegt zijn komst en actie niet aan te kondigen door trompetgeschal voor de hoofdpoort. Hij infiltreert, sluipt in, fluistert, ondermijnt. Ik heb mij nooit verzet tegen de
gebruikelijke en voorwaardelijke toelating van communisten in ons universitair bestuur. Wat denkt u dat daarvan gezegd wordt in Potchefstroom, Grand Rapids, Satya Watjana, Korea? Zy zien daarin een toelaten tot bestuurlijke verantwoordelijkheid aan de VU van mensen, die in ideologische achtergrond én in practisch handelen het christelijk geloof haten en terzijde schuiven. Daarover valt veel te zeggen maar het ergste wat wij kunnen doen is ons buiten en boven die critiek stellen. En dat is precies wat wij doen. Potchefstroom wil niet luisteren? Dan wij ook niet! Zelfs niet naar anderen, die naar ons uitzien om hulp om Potchefstroom uit dat vervloekte spoor te krygen. 0 Wij luisteren geboeid naar de toespraak van een charmant en zeer militant dametje, die nauw
betrokken is by de strijd in ZuidAfrika. Men kan erover twisten of zij het hart van de zaak raakte, dan wel te vrijmoedig adviseerde in de periferie van ons probleem. Ook dat laatste valt nog te verstaan van iemand zo hartstochtelijk betrokken bü frontverbreding in haar stryd. Het gaat my om iets heel anders. Er ging iets overtuigends, iets meeslepends van haar' uit, en dat heus niet alleen voor de tribune, die al meegesleept en overtuigd is vóór ze iemand gehoord hebben. Al luisterend rijst de gedachte wat het zou ziJn als meer zo, in die tocht van het hart, aan de VU gesproken werd over het functioneren van de doelstelling. Een doelstelling, die ons met huid van onderwijs en haar van onderzoek betrekt bij het messiaans Gebeuren, zoals Miskotte dat zag? Wat gebeurt er — direct en op langer duur — als in Grand Rapids zo tegen Potchefstroom gesproken wordt over die gemeenschappelijke en inspirerende doelstelling? Wat gebeurt er als wy daar zo te woord worden gestaan over bepaalde ontwikkelingen aan de VU? Laten wy in dit alles nog even stilstaan. Een paar theologen hebben ons in Ad Valvas verzekerd dat een dialoog zinloos is als er
niet enige synthese in het uizicht ligt. Wy dan — de Vry'e Universiteit met die geschiedenis en die doelstelling — zyn dan nu volop in dialoog met het marxisme en hebben tegelijkertijd de dialoog met getstverwante instellingen uitgesloten. In het zorgvuldig afwegen dezer dingen lijkt het gevoel van universitaire afgang benauwend en verstikkend te groeien. De SRVU kondigt nieuwe acties aan. Dat is interessant om twee redenen. Het is goed te luisteren naar wat haast intuïtief opkomt in de harten van hen die straks verantwoordelijkheid zullen dragen. Verder zyn hun leden tot rijping hunner mondigheid aan de universitaire zorgen toevertrouwd, ook al verwarren zy vaak het laatste opflikkeren van puberteitsverschijnselen met de bloeiwyze der vroegrypheid. Maar de frontlijn in dt komende stryd loopt niet langs hun barak. Geestelijk is hun boodschap — hoe ook op zichzelf behartenswaardig — bijzaak. Die frontlijn loopt dwars door de universiteit heen, en het is zelfs mogelijk dat wat nu een achterhoede-gevecht van een aftrekkend leger lijkt te zijn, straks blijkt te zijn een verloren, maar activerend en stimulerend conflict in de voorposten.'
Dr. De Bruyne reageert op 'wazige' artikelenreeks van Gerrit Jongkind Dr. G. A. de Bruyne, voorzitter van de vakgroep sociale geografie, schrijft ons het volgende naar aanleiding van de serie van drie artikelen van Gerrit Jongkind over de z.i. geringe marges voor de universitaire ontwikkelingssamenwerking: „De artikelen die de heer Jongkind de afgelopen weken in Ad Valvas heeft geschreven vragen om een reaktie — al was het alleen maar om de indruk te vermijden dat het gevoel ontstaan zou zyn dat hij gelijk heeft — of dat zyn visie te onbelangrijk is om er niet op te reageren. Beide gedachten zijn onjuist — vandaar deze (spontane en korte) reflektie.
Doelstellingen 1. De doelstellingen van de vakgroep waar de heer Jongkind het over heeft zyn eenvoudig weer te geven. Het doel is a. het kunnen beoefenen en toepassen van de stads- en plattelandsgec^rafie van ontwikkelingslanden, teneinde een bijdrage te kunnen leveren tot de oplossing van de met de onderontwikkeling gegeven ruimtelijke problemen in deze landen; b. het verwerven van inzicht in de geografische problematiek van ontwikkelingslanden teneinde deze in de westerse wereldbeeldvorming te verdisconteren en aldus een bijdrage te kunnen leveren aan een mogelijke rechtvaardiger wereldsamenleving. Het werk dat in de afgelopen jaren vanuit deze doelstelingen is verricht lag — lang voordat er over de zgn. basisbehoeften van de bevolking in de ontwikkelingslanden (voedsel, huisvesting, werk etc.) gesproken werd — nadrukkelijk in deze richting. Wij (staf èn studenten) trachten vanuit de universiteit — d.w.z. in zeer sterke mate indirekt — iets van de realisering van deze doelstellingen te bevorderen; via het onderwijs en het onderzoek dat verricht wordt. We doen dit zonder al te veel grote woorden te gebruiken omdat dan alles snel overtrokken wordt en het gevaar levensgroot aanwezig is dat je zou gaan denken dat je als kleine groep in een kleine universiteit vanuit een rijk land wel eens even zal zeggen hoe 'het' moet worden opgelost ten aanzien van en in de arme landen. Daarbü worden we telkens gekonfronteerd met, wat ik heb genoemd, werken in de marges. Dit werken in de marges is tweeërlei. Enerzijds is er een besef van werken in de buitenrand gegeven je eigen externe positie. Anderzijds ook word je vaak in andere landen ^ekoufronteerd met situaties die
sociaal-ekonomisch en sociaal-politiek allesbehalve ideale situaties zyn en die de vraag naar de zin van je werk by je kunnen oproepen. Je kan dan ook voor de vraag komen te staan of de situatie zelf nog wel enjge mogelijkhcCen laat voor zinvolle participatie. Omdat wij niet het gevoel hebben dat we bij voorbaat alle mensen elders in de wereld af kunnen en moeten schrijven, gaan we bij ons werk sterk uit van de 'benefit of che doubt' — en tot nu toe niet zonder de ervaring dat hier en daar in ontwikkelingslanden en in ons land door dit werk meer zicht op bepaalde problemen verkregen kan worden èn wordt. Op die manier ervaren we het werken in het Caribisch Gebied, in Tunesië, Mexico, India en hopelijk binnenkort ook in Mozambique.
Geen plannen Projekten in
voor Indonesië
2. De heer Jongkind heeft gereageerd op een middag waarin over 'werken in de marges' gesproken werd, zulks op initiatief van studenten van de vakgroep sociale geografie van ontwikkelingslanden. Werken in Indonesië was hiertoe slechts een aanleiding, meer niet want vanuit de sociale geografie van de ontwikkelingslanden bestaan momenteel geen plannen voor Projekten in Indonesië. Zelfs al zouden we nieuwe Projekten willen, in PUO-verband, er zou daar in de komende jaren geen geld voor zyn. Hoe wazig de artikelen van de heer Jongkind daardoor ook zijn, toch nog enkele kanttekeningen. Tenslotte kan ik mij wel vinden in aktiviteiten die door anderen vanuit de V.U. worden ondernomen. a. Het is niet alleen onjuist om te stellen dat in Indonesië niets mogelijk is, het is nog neo-elitair ook. D.w.z. er zyn studenten in Indonesië die een moed en inzet tonen die de heer Jongkind en ik niet zouden opbrengen. Hun aantal zal (te) gering zijn, de effekten van hun werk waarschijnlijk ook, maar toch: toen ik de afgelopen zomer in één van de dorpen van het Dian Desa-projekt nabij Yogya was, was ik onder de indruk wat door studenten en medewerkers van de TJ.GM. daar gedaan was.
Men had — ook in fysiek opzicht — hard gewerkt aan de verbetering van de waterhuishouding in een droog gebied zodat het vervullen van enkele 'basic needs' duidelijk gemakkelijker was geworden. Uiteraard waren er vragen — met name naar de mogelijkheden van zoiets over een veel groter gebied — maar toch zeiden die er stonden: doen wij zoiets als welvaartskinderen in ons land? b. Terecht wordt de vraag gesteld naar de verbinding tussen het onderwijs aan de universiteit en de steun aan de armen. (Wy in Nederland hebben voor de armen nog een mooier woord gevonden: de armsten; alsof de armen in de arme landen al niet arm genoeg zyn). Zo'n verbinding kan via het onderwijs niet anders dan indirekt. Maar daarom is het niet onbelangrijk, integendeel. Indien het onmogelijk zou zijn om haar te leggen — en ik bedoel dat serieus — heeft de universiteit, zeker t.a.v. het sociaal-wetenschappelijk onderwijs t.a.v. de ontwikkelingslanden, weinig zin meer. Ook hier dreigt neo-elitair denken: het onderwijs dat vanuit Nederland bijv. aan de UGM wordt gegeven is principieel niet anders dan in Nederland zelf, m.a.w. helpen wy in ons onderwijs de armen? c. Terecht is er bezwaar tegen het elitaire karakter van universiteiten in ontwikkelingslanden. Maar in Indonesië werd mij serieus door één van de leiders van een
Vervolg op pagina 8
Redaktie-adres: De Boelelaan 1105 of Postbus 7161 Amsterdam, telefoon 0205484330. B.g.g. 5482671. Bedaktie: Jan van der Veen (hoofdredakteur). Jaap Kamerling, Mathilde van Amstel (redaktie-assistente).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's