Ad Valvas 1977-1978 - pagina 227
3
AD VALVAS — 27 JANUARI 1978
Volgens vier deskundigen op Haagse
lijk gesteld kunnen worden voor de gevolgen van h u n handelen of niet-handelen. En daarbü kost dat allemaal zoiets van tussen de 150 en 400 miljoen per jaar.
forumavond:
Universiteit staat in de branding b maar hoeft niet te bezwijken bezwi De universiteit staat in de branding, al boeft zg niet onder de golven te bezwüken. Daar waren de vier hooggeleerde forumleden het tijdens de vorige week donderdag door de Haagse WD-afdeling georganiseerde byeenkomst over dit onderwerp het wel over eens. Over de oorzaken en oplossingen van de talrijke problemen waar het wetenschappelijk onderwijs momenteel mee te maken heeft had elk zijn eigen visie, maar dat de tqd meer dan rijp is om er wat aan te doen stond voor hen bulten kyf. Oud-staatssekretaris en nu Tweede Kamerlid-dr. G. Klein (PvdA) waarschuwde dat de centrale overheid 'harder en ongenuanceerder' te werk zal gaan, wanneer de universiteiten niet adekwaat reageren op de ontstane situatie, waarin geen financiële groei meer mogelijk is en de studentenaantallen stijgen. 'Als er geen veranderingen komen, is het ergste te vrezen voor wat er straks aan kwaliteit van de universiteiten afkomt,' aldus dr. G. Dükstra (.VVD), hoogleraar in de scheikunde te Utrecht en voorzitter van de stichting 'Onbevangen wetenschap en onderwijs'. Maar, zo zei mr. I. A. Diepenhorst, oud-rector magnificus van de VU en hoogleraar algemene staatsleer aan deze universiteit, de universiteiten moeten ook weer niet teveel van hun natuurlijke opgewektheid verliezen, want ondanks tegenslagen brengt de alma mater het er nog altijd alleszins redelijk af. Woorden, waarbü mr. drs. J. Th. Degenkamp (PvdA), hoogleraar in de rechtswetenschap te Groningen, zich min of meer aansloot met de opmerking dat men moest waken tegen ongeoorloofde generalisaties.
Meten Volgens Degenkamp is er eigenlijk te weinig bekend over hoe de wiiversiteiten him taak uitvoeren.
Prof. Degenkamp 'We weten wel wat erin gaat, maar niet zo goed wat eruit komt. En dat is een ongelukkige situatie.' Hij vond het gevaarlijk om te zeggen dat de kwaliteit van de afgestudeerden minder groot is geworden. Naar zijn mening is het een ernstige zaak dat er geen instrumentarium bestaat om te meten wat er met mensen en middelen die in de universiteiten worden gestopt gebeurt. 'Als je kijkt naar wat er ter beSichikking staat, de mensen die binnen de universiteit funktioneren, en als je dan kijkt naar de funktie van de universiteit m het totale maatschappelijke gebeuren, dan ben ik niet erg positief. Het gevaar is eigenlijk niet 'universiteit in de branding', maar het 'keuterend voortkabbelen in een rubberbootje'.' Degenkamp onderschreef een stelling van Klein dat de universiteit nog steeds een luxe-eiland in het Insulinde van het onderwijs is. De Wet Universitaire Bestuurshervorming, waarmee de demokratisering wettelijk haar beslag kreeg, mag niet als oorzaak van de problemen worden gesteld. Incidenteel zijn er wel strubbelingen gebleken, maar dat gebeurde vroeger ook wel. Alleen werden ze toen in collegiale beslotenheid 'opgelost'. 'Ook over het funktioneren van de WUB weten we nog weinig. Daar is de
Door Jan van der Veen commissie-Polak mee aan de gang.' De universitaire organisatie zal een zekere flexibiliteit moeten hebben. Rust roest. 'Ten aanzien van de uitvoering van taken zal de universiteit nieuwe doelgroepen moeten gaan zoeken,' aldus Degenkamp. Als de universiteit haar maatschappelijke en dus politieke verantwoordelijkheid niet kent — naast de wettelijke taken onderwijs en onderzoek is zij o.a. ook politieke leerschool en vormingscentrum —' zal de onvermijdelijke afgang het gevolg zijn.
Wetenschappers verantwoordelijk Dr. Klein meende dat niet de studenten, maar het wetenschappelijk corps primair verantwoordelijk moet worden gesteld voor de huidige situatie. 'De demokratisering als verontschuldiging hiervoor aan te voeren klopt alleen al niet vanwege de jaartallen. Het gestoei binnen de gedemokratiseerde organen is veeleer een gevolg van een ongezonde situatie dan de oorzaak.' Volgens hem hebben de universiteiten (maar ook de rijksoverheid) onvoldoende ingespeeld op de in de jaren vijftig en zestig op gang gekomen groei in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. 'Teveel werd vastgehouden aan de kleinschaligheid van de vooroorlogse instituten.' En: 'In die tijd — vóórdat de demokratisering over het w.o. kwam — is de doelmatigheid drastisch verminderd.' De toenmalige ekonomische hausse-periode, waarin de nadruk sterk op het technisch-ekonomische gebeuren viel, werkte bovendien een extra grote belangstelling voor de béta-richtingen in de hand. Tegelijkertijd had het bedrijfsleven uitzonderlijk veel behoefte aan in die studies afgestudeerden, zodat het voor de universiteiten wel heel moeilijk werd om kompetent personeel, met name docenten, aan te trekken. De salarissen voor het wetenschappelijk personeel gingen toen drastisch omhoog (Toxopeusmaatregel). Onjuist was het dat de
drukken, met name de hogere salarissen. Wat dat werk voor derde» betreft merkte hij op: 'Het spreekt vanzelf naar mijn mening dat de inkomsten die nu worden genoten door individuele leden van het wetenschapplijk corps aan de universiteiten dienen te worden afgedragen.' Als de overheid tenslotte zou moeten ingrijpen omdat de universiteiten hrt er zelf bij laten zitten, zou hij dat 'een wel heel slechte ontwikkeling' vinden. Hij vond het 'onafhankelijk van de signatuur van een regering onvermijdelijk' — en daarin was hij het met Degenkamp eens — dat de universiteiten zich meer tegenover de gemeenschap gaan verantwoorden. De gemeenschap zal minder dan in het verleden willen vertrouwen dat zij zich doelmatig van hun taak kwijten.
Geen kneusjes tot tv.o.
toelaten
Mr. Diepenhorst ging vooral in op de toegangsselektie tot de universiteiten. 'Het hoger onderwgs is er niet voor de kneusjes, men moet selekteren.' Men is in moeiliikheden gekomen door de geweldige toename van de studentenaantallen. In 1956 waren er nog 55.000
Prof. Diepenhorst nu zqn er al 138.000 studenten. 'Die uitbreiding van het getal leidt tot een zekere daling van het niveau.' Volgens hem zijn de universiteiten meer dan nodig was in de poütlek betrokken. Maar: 'Men kan van de universiteiten gelen betere samenleving verkrijgen, geen opheffing van de werkloosheid of een terugdringen van het atoomgevaar. Wel kan men van de universiteiten verwachten dat zij in volkomen zelfstandigheid, zonder binding aan enige politieke partij of kerk, zeggen waar het op staat.' Hij pleitte voor handhaving van wat hij noemde de 'eigenstandigheid' van de wetenschappelijke instelling. Maar dat zou er ook weer niet toe mogen leiden dat de wetenschappers zich zoals vromer in de ivoren toren zouden gaan terugtrekken. 'Willen wij voor de toekomst wat bereiken, dan moeten we de realiteit onder ogen zien. Laat men dan terugdringen de bureaucratie, het invullen van eindeloze formulieren, hoewel ik een verantwoordingsplicht wel erken. Laat men dan terugdringen de overheid op bepaalde punten, en ook de ongerechtvaardigde privilegiéring.'
Universiteit alleen voor de besten Dr. Klein riante salarissen voor het hele w.p. werden doorgetrokken. Volgens Klein kan er maar één manier zijn om, nu de financiële groei er voor het w.o. uit is, vergrijzing van het personeel te voorkomen : uit de bestaande middelen geld vry maken om nieuw personeel aan te trekken. Dat zou kunnen door inkomstenvermeerdering door werk voor derden, bijvoorbeeld onderzoekprojecten en door de gemiddelde personeelskosten te
Ook dr. Dijkstra sneed te toegangselektle aan. 'Overal in onze samenleving wordt geselekteerd om de beste mensen te krijgen. Maar bij de studenten mogen we dat niet doen, hoewel er duidelijk relaties zijn tussen de prestaties tijdens de vooropleiding en die aan de universiteit. Op die manier kan het niet anders dan dat de universiteiten een niet optimaal resultaat afleveren.' Een goede taakvervullii^ van de universiteiten houdt in dat de best mogelijke mensen worden afgeleverd. Daarom is het toe te juichen
Prof. Dijkstra dat minister Pais de loting — 'de dwaze vorm waarin de massificatie van het onderwijs wordt opgevangen' — wil gaan afschaffen. Voor de WUB-struktuur had hij geen goed woord over. Het is een inefficiënte bestuursvorm, waarin men gehandicapt wordt door gebrek aan del^atie, zodat de zaken steeds opnieuw moeten worden besproken in raden etc. Besturen van gekozen raden hebben slechts korte tijd zitting en zijn alweer afgetreden voor ze vraantwoorde-
Verder hebben de universiteiten, zo zei Dijkstra, in de na-oorlogse periode, waarin het geld in golven naar hen toestroomde, geen kans gezien om de produktiviteit op te voeren. 'Ook niet door een betere organisatie, hoewel ik erop moet wijzen dat de universiteiten in de jaren zestig wel op w ^ waren naar een organisatie langs de lijnen van de bedrijfsstruktuur. Maar dat proces is onderbroken door een explosief verlopen demokratisering.' In de diskussies met de zaal — de byeenkomst werd in het Haagse Congrescentrum gehouden — ging het vooral over de selektieproblematiek en de kwaliteit van de afgestudeerden. De forumdiskussie werd geleid door dr. G. Zoutendijk, vice-voorzitter van de W D fraktie in de Eerste Kamer. De avond trok vele honderden belangstellenden.
Enquête: speciaal postacademisch onderwijs voor vrouwen gewenst De Nederlandse Vereniging van Vrouwen met Academische Opleiding (WAO) vindt dat er speciaal post-academisch onderwijs (PAO) ingesteld moet worden voor de afgestudeerde vrouwen. Uitiraande van de gedachte dat vrouwen in een benadeelde positie zitten met eigen specifieke problemen besloot ze vorig jaar een onderzoek te doen naar de behoefte aan PAO onder doctoranda en vrouwelijke doctors. De cijfertjes uit dit onderzoek zijn niet veel meer dan dat: een behoefte-peiling. Maar in de behandeling van de cijfers wordt een hele beschouwing over de man-vronw verhoudingen in onze samenleving ingebouwd. De W A O zond vragenlijsten naar 1000 afgestudeerde vrouwen." Ongeveer 40% reageerde met bruikbaar ingevulde formulieren. Deze 40% bleken ongeveer net zo over de verschillende studierichtingen verdeeld te zijn als dat in de tabellen van het CBS te lezen valt. De onderzoekster had dus mazzel: een toevallig representatieve steekproef.
Grote
behoefte
Van die steekproef zei 81% behoefte te hebben, aan PAO. En 42% heeft wel eens PAO nodig. Dat is natuurUjk wel imposant. Er staan trouwens meer aardige cijfertjes in het rapport: naar de percentages vrouwen die geen, één, twee, drie of meer banen heeft gehad. En of de eerste baan een volledige of een part-time was (51,9% tegen 38,1%). Bij de tweede baan is dat precifö omgekeerd: 35,4% en 56,6%. Maar dat heeft niets met de behoefte te maken. Wel met het eit dat vrouwen zich aanpassen aan hun man en de kinderen, z ^ t de onderzoekster, dr. C. E. Macon. t n dat sluit weer mooi aan bij de veronderstellingen die dr. Mason hanteert. Zo schrijt ze in haar inleiding : 'Bij de plannen voor en de organisatie van vervolgonderwijs gaat men momenteel steeds uit van mensen die beroepsarbeid verrichten.
Vrouw en gezin Onze opvattingen over hoe het gezin moet funktioneren, met name als er kinderen zijn, vereisen echter dat een groot aantal mensen een tijd lang, geheel of gedeeltelijk, geen beroepsarbeid verricht. Bij de rolverdeling tussen man en vrouw die wij kennen, zijn dit vrijwel altijd vrouwen. Door bij de orgamsatie van PAO uit te gaan van mensen met banen dreigt men 'vrouwen met gezinsverantwoordelijkheid' buiten spel te zetten. Het zal op die manier n<^ meer dan nu al het geval is, onmogelijk worden voor deze mensen om hun opleidng ooit weer te gebruiken.' En het zijn niet alleen de afgestudeerde moeders en echtgenoten die volgens haar in de knel komen. Ook de ongehuwde acade-
mica heeft PAO-problemen: omdat haar werkgever ervanuit gaat dat eij in de toekomst nog wel eens aan een man blijft harden zou hij geen zin hebben om in haar te investeren met een vervolg-cursusje. De aanwezigheid van problemen bü beide groepen wordt gemeten door de vraag of men die verwacht bij het volgen van PAO te hebben, zoja, welke en hoe op te lossen. 60% antwoordde bevestigend. Maar een percentage gewijze uitspUtsing naar het soort problemen en hun oplossingen ontbreekt. Het enige duidelijke cijfer is dat 141 vrouwen kinderen als probleem noemde. Verder waren er wat opmerkingen in de trant van 'maar niet alleen thuis willen laten' en 'geen eigen inkomen hebben'. De onderzoekster concludeert uit deze gegevens dan ook meteen dat de vrouw weer duidelijk in de rol van kinderverzorgster en afhankelijke huissloof zit. De W A O heeft haar onderzoek zo klein gehouden uit geldgebrek maar een samenhangender geheel van vregen meer gericht op o.a. het duidelijk maken van de grootte en aard van de problemen was zelfs op twee velletjes niet onmogelijk geweest. Het was bij voorbeeld interessant gewe'est als duidelijk geworden was welke vrouwen met die kinderen zaten. Stel je voor dat het juist de vrouwen waren die in het verleden PAO gevolgd hadden! Ook was het leuk geweest te weten hoeveel procent van de echtgenoten inderdaad niet op sajn eigen kinderen wilde passen of het geld voor het PAO van zijn vrouw wilde opbrengen. En vroegere nare ervaringen van de respondenten, zoals het feit dat hun werkgever weigerde hen PAO te laten volgen, had misschien de vooronderstellingen van het onderzoek wat kunnen onderbouwen. Ook vrouwelijke wetenschappers zullen wel gediscrimineerd worden. Maar het zou hen meer kracht van spreken geven als ze dat wetenschapnelijk sterk zouden aantonen en niet zouden zwaaien met allerlei kreetachtige beschuldigingen. (Quod Novum, GUPD)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's