Ad Valvas 1977-1978 - pagina 232
AD VALVAS — 27 JANUARI 1978
Bekentenissenliteratuur
in de sociale wetenschappen
— een
kommentaar
'Bij Phillips ontbreekt analyse van ontwikkeling onderwijs in tot de omringende maatschappij' Zoals men in de middeleenwen processie kon aanschouwen van zichzelf geselende monniken, zo kan de geïnteresseerde waarnemer in de laatste jaren een stoet zichzelf kastijdende sociale wetenschappers aan zich voorbij zien trekken. Zo sprak een door de socioloog De Moor voorgezeten commissie zich kritisch uit over ontwikkelingen in de sociale wetenschappen en over het daar aanwezige bestand aan goed gekwalificeerde wetenschappers. De door de politicoloog Hoogerwerf geleide verkenningscommissie liet sombere geluiden horen over de kwaliteit van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek. De socioloog Phillips heeft met zijn publicatie 'Enige beschouwingen over het wetenschappelijk onderwijs in Nederland' aangetoond dat men geen commissie behoeft voor te zitten en zelfs naar eigen zeggen niet over 'enige bijzondere deskundigheid ten aanzien van het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs' behoeft te beschikken, om serieus genomen te worden, wanneer men zijn, vooral op de sociale wetenschappen (en de humaniora) gerichte, kritiek uit. De inhoud van de kritiek en de Tjeleidsvoorstellen die zichzelf krachtig suggereren — zoals studieduurverkorting, opvoering van collegegelden, blokvorming in het onderwijs en het opvoeren van het aantal toetsingsmomenten —, zonder dat Philips deze overigens zelf uitspreekt, komen op een tijdstip dat de discussie over de herstructurering in een belangrijk stadium is. Het is niet ondenkbaar dat de Amerikaan Phillips door beleidsvoerders opgevoerd gaat worden als de objectieve buitenstaander, die, los van gevestigde belangenposities, tot een verstandig oordeel over het wetenschappelijk onderwijs in staat is. Voeg daarbij de wens van de beleidsvoerders om by de herprogrammering een vergelyking met het buitenland te maken en men komt tot de conclusie de Phillips' vergelyking met de V.S. een zekere importantie voor de discussie over de voortgang van de herstructurering van het wetenschappeiyk onderwys heeft. De hoofdstelling van Phillips is dat het nederlandse onderwyssysteem niet uit haar hoogbegaafd materiaal (studenten met een I.Q. van 125) haalt wat er in zit, terwyi dit wel in de V.S. gebeurt: de studenten met een vergelijkbare intelligentie op topuniversiteiten zyn in kortere tyd beter opgeleid. De bewüsvoering t.a.v. deze stelling is eenvoudig: Phillips voert van de twee belangrykste groeperingen in het onderwysproces — studenten en docenten — enige volgens hem te onderkennen verschynselen op die bydragen tot dit achterblijven van Nederland by de V.S. en verbindt deze kenmerken van groeperingen vervolgens met de (structurele) kenmerken van het onderwas-, c.q. imiversitaire systeem. Zo noemt Philips een aantal kenmerken van nederlandse studentep die kenneiyk gemakkehjk waarneembaar zyn (hy kent ze immers uit 'eigen ervaring') zoals: meer apatisch en minder gemotiveerd, minder hard werkend en slechter toegerust met communicatieve vaardigheden dan de amerikaanse student. Deze worden daarna verbonden met een aantal wezeniyke, structurele kenmerken van het nederlandse onderwyssysteem: lage collegegelden, een betrekkeUjk strak studieprogramma en een behoorlyke nadruk op het hoofdvak van de opleiding en een bepaald beoordelingssysteem. Het minder goede onderwys dat studenten in Nederland zouden ontvangen, wordt verklaard doordat docenten uit datzelfde onderwyssysteem voortkomen. Zy vertonen ook kenmerken die studenten hebben ('apathie en ongeïnteresseerdheid') en zyn te weinig gemotiveerd tot onderzoek en publicaties — de basis waarop zy volgens Phillips goed onderwys kunnen geven —, kenmerken die alweer uit bepaalde structurele eigenschappen van het universitaire systeem voortvloeien: het automatisch 'na vier jaar in vaste dienst komen en de (wetenschappeUjke) beoordeling die in te enge
Door drs. J. A. W. de Bruin en drs. J. J. Klinkert kring plaatsvindt. Hierna zullen wy enkele vragen aanstippen zoals: wat betekent zoals: wat betekent het wanneer men zegt dat studenten 'beter opgeleid' zyn dan andere studenten; is de vergelyking duideiyk en juist opgezet; zyn de kenmerken van studenten en docenten zo gemakkeiyk te constateren als Phillips denkt en worden zyn uitspraken niet tegen gesproken door bekende onderzoeksgegeveps; zyn de relaties tussen de prestaties van groeperingen en structuren en procedures waarbinnen deze prestaties plaatsvinden goed aangegeven en zyn er geen belangryke variabelen uit de analyse verdwenen?
Algemene
Wanneer men beoordelingen opstelt is het altyd interessant om na te gaan welke (impliciete) evaluatie-benadering men aanhangt. Hoe bepalen wy dat studenten beter opgeleid zyn dan andere studenten? Een- voor de hand liggend antwoord hierop zou kunnen zyn: we kyken naar de mate waarin de studenten voldoen in fiuicties waarvoor hun opleiding een vereiste is. Men hangt dan de evaluatie-theorie aan dat men een product dient te beoordelen naar het gebruik. Men kan natuuriyk ook nagaan aan welke keimierken de student voldoet op het moment van afstuderen: hoeveel literatuur heeft hy bestudeerd, welke vaardigheden bezit hy op het moment van afstuderen? De evaluatie-theorie is dan kenneiyk dat het afgeleverde product op het afleveringsmoment gekeurd moet worden. De aanpak van Phillips is nog weer een andere: hij schijnt de evaluatie-theorie aan te hangen dat men een product moet beoordelen naar de kwaliteit van het productie-proces waaruit het product te voorsclign komt. Zo gaat hij van de vraag wat "beter opgeleid' zijn betekent, dan ook naar de vraag over hoe goed het
de gemiddelde studieduur van alle ingeschrevenen? En een ander vergeiykingspunt: als men beweert dat amerikaanse studenten beter opgeleid zyn dan nederlandse studenten, beoordeelt men dan het programma als geheel of let men dan slechts op het aandeel van het hoofdvak daarbinnen? Laten wy met deze vragen in het achterhoofd eens kyken naar een tweetal uitspraken van Phillips: 'Wat ik daarmee wil zeggen is dat iemand met een amerikaanse B. A., die dus maar twee jaar aan zyn hoofdvak heeft besteed, in vele gevallen beter is opgeleid dan iemand die in Nederland acht jaar over zyn doctoraal examen heeft gedaan.' En: 'Het is dus zo (dat stel ik althans) dat Nederlandse studenten voorliggen op de Amerikaanse als zy op de universiteit komen, maar als zy hun studie beëineUgen (hier na 8 jaar en in de Verenigde Staten na 4 jaar) biyken de Nederlandse studenten te zyn achtergebleven by hun Amerikaanse soortgenoten.' Welke merkwaardige vergeiykingen worden hier nu weer gemaakt? Allereerst wordt een B.A. (Bachelor of Arts) vergeleken met een doctoraal examen als heëin-
kanttekeningen
Wie een vergelijking maakt tussen twee ingewikkelde sociaalculturele systemen in twee verschillende landen en dan schijnbaar slechts gebreken in het ene en positieve verschijnselen in het andere systeem aantreft zoals Phillips doet, laadt gemakkelijk de verdenking op zich van een zekere eenzijdigheid. Dit wordt versterkt wanneer men byvoorbeeld ^hillips idyllische schildering van het leven en werken van studenten en staf aan top-universiteiten in de V.S. vergeUjkt met het sombere beeld dat Martin Trow in sept. 1970 schetste van de toestand van amerikaanse universiteiten in zyn 'Expansion and Transformation of Higher Education' en zyn (nog) sombere toekomstverwachtingen bekykt. Heeft Phillips het over hetzelfde universitaire systeem waarvan Trow stelt: 'Student disaffection, campus disruptions, the breakdown of the basic value consensus among college and university teachers, administrative overload and fatigue, acute financial crisis, punitive legislatures and goverment officials, widespread public concern and hostility.'? ('Expansion and Transformation of Higher Education', revised and expanded version of a paper read at the Annual Mee- tings of the American Sociological Association. Washington, sept 1, 1970, blz. 2). De zaak is kennelyk complexer dan Phillips het voorstelt. Wanneer wy met Trow meedenken, ryst eerder het beeld op van twee onderwyssystemen die zich binnen de dynamiek van hoog geïndustrialiseerde samenlevingen op ongeveer dezelfde wyze ontwikkelen, zy het dat de V.S. in een aantal gevallen eerder met bepaalde aanpassingsprocessen van universiteiten aan maatschappelyke ontwikkelingen geconfronteerd zijn, dan hier het geval is. Wellicht zyn de overeenkomsten tussen de systemen, waarover Phillips niets zegt, wel groter dan de verschillen tussen de beide systemen die door hem juist benadrukt worden.
Drs. J. A. W. de Bruin (links) en drs. 3. 3. Klinkert (rechts) — de auters van dit kommentaar — zijn verbonden aan de siibfakulteit sociologie aan de VU, respektievelijk als sekretaris van de cie wetenschapsbeoefening en als voorzitter van de onderwijscie. opleidingsproces is. Wq zqn het met deze reductie niet eens en zouden persoonlyk voor de eerst genoemde evaluatie vraag opteren, maar laten wij Phillips in zijn betoog volgen.
Phillips vergelijkingS' methode De ruimte ontbreekt hier om al te diep in te gaan op diverse voetangels en klemmen die gelden by het vergelyken van opleidingen, wy stippen enkele knelpunten aan waarvan wy geconstateerd hebben dat zy voor het kritisch lezen van Phillips artikelen belangryk zyn. Wie opleidingen qua tydsduur wil vergelyken, dient rekening te houden met de verschillende soorten vergelykingsbases die relevant zyn: vergeUjkt men byv. de tydsduur die de opleiding vergt volgens de wet op het academisch statuut, de tydsduur die het studieprogramma in beslag neemt volgens de studiegids, de werkelyke tydsbesteding die een fulltime student over het afwerken van het studieprogramma doet, of
diging van een studie; terwyi iemand die een doctoraal examen heeft behaald in Nederland als een volleerd socioloog, etc. beschouwd wordt, is dat, „volgens Phillips, met een B.A. in de V.S. niet het geval. Verder wordt een complete opleiding (hoofdvak, ondersteunende vakken en keuzevakken) vergeleken met de studie in het hoofdvak alleen, alsof dat een zinnige vergelyking zou zyn. Tenslotte wordt de gemiddelde werkeiyke studieduur voor het doctoraal examen vergeleken met een studieduur van het B.A. van 4 jaar; dit is echter de studieduur volgens de studiegids. Ook is interessant om na te gaan voor welke universiteiten in de V.S. zou gelden dat zy in deze verrassend korte tyd beter opgeleide studenten afleveren. Phillips wil de nederlandse universiteiten met de top-universiteiten van de V.S. vergelyken. Is dat terecht? G. W. Canters heeft eens in het tydschrift Universiteit en Hogeschool gesteld, dat redelykerwys op elke 20 miljoen mensen zo'n topuniversiteit zou kunnen bestaan. Dat onze 7 universiteiten in Nederland (met een bevolking van
13 miljoen) dus van het niveau van Harvard, Yale, etc. zouden kunnen zyn, is nogal optimistisch van Phillips. Canters uitspraak dat nederlandse universiteiten eerder van het niveau van de 30-50 universiteiten zyn, die op de top 1020 volgen, lykt ons dan ook een heel wat realistischer uitgangspunt, (zie 'Universiteit en Hogeschool', mei 1974, blz. 290 t/m 299) Verder moet natuuriyk wel benadrukt worden, dat, terwyi de V.S. een onderwyssysteem kermen, waarbinnen duideiyke kwaliteitsverschillen bestaan en erkend worden, Nederland een dergelyk systeem niet kent. Het vergelyken van een universitair systeem waarby geen elitaire kwaliteitseisen aan studenten en docenten gesteld worden, met een systeem waarby de studenten krachtig geselecteerd worden, evenals de docenten, is dan ook niet zo voor de hand liggend als Phillips meent.
Apathie studenten en staf zqn apathisch en ongeïnteresseerd. Waaruit bUjkt dat? Ten aanzien van de studenten geeft Phillips geen bewezen; hier kan kennelqk de eigen ervaring volstaan. Hoewel, een lid van het wetenschappelijk personeel van een universiteit kent hooguit enkele tientallen studenten goed genoeg om zo'n oordeel te geven. Als Phillips die ervaring heeft is het dan ook volledig onterecht om die bevinding te generaliseren over alle nederlandse studenten? Voor de apathie van de staf voert Phillips wel een 'bewys' aan: 'Een aanwyzing voor de apathie en het gebrek aan arbeidsvreugde is te vinden in het hoge ziekteverzuim aan Nederlandse universiteiten. Naar myn mening is het zich onttrekken aan werk (en verantwoordeiykheden) vanwege 'ziekte' dikwyls een teken dat men weinig bevrediging en vreugde in zyn werk vindt.' Kortom, Phillips ontdekt een 'Dutch disease' aan nederlandse universiteiten. Phillips geeft geen exacte cyfers. Maar H. J. Docter stelt in Universiteit en Hogeschool over ziekteverzuim: 'Hierover zijn geen exacte gegevens bekend, maar we menen te mogen aaimemen dat dit voor wetenschappeiyk personeel van de medische faculteiten li-2% zal bedragen.' (Ü H, jan. 1974, p. 188). Met dit voorbeeld tonen we aan, dat PMlips wyze van bewysvoering voor apathie wellicht toch minder eenvoudig is dan hy meent. Maar waardoor ontstaat die apathie by studenten nu? Volgens Phillips door'de starheid van het onderwyssysteem: ,wie een verkeerde studie, gekozen heeft kan slechts tegen zo grote kosten omzwaaien, dat' hy liever zyn tijd apathisch uit^if. p a n de V.S.: natuuriyk stu,dèert mén daar .TCI een bepaald hoofdvak maar Phillips maakt duideiyk dat men b.v, een Masters Degree in de sociologie kan halen met zelfs mir der dan twee jaar hoofdvakstudie en alle mogeiyke vakken daarnaast Daarmee dtten we middenin het bekende thema van de flexibiliteit van de studie en de keuzevryheid van de studenten. Phillips' impliciete stelling hierover schynt te zyn, dat een grotere flexibiliteit leidt tot grotere keuzevryheid en dat deze leidt tot minder apathische studehten. Hoe staat het in de V.S. met die keuzevryheid? Vooral na de lente van 1970 zyn,' zoals Trow meldt, de curricula in de V.S. gewyzigd in de richting van grotere keuzevryheid. Phillips geeft de lichtzode aan, maar Martin Trow ontdekt ook enige schaduwplekjes, wanneer hy vermeldt, dat 'Stu-
.,./. .^. ...v./»' --y>-.B«--rfiu'-^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's