Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 91

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 91

11 minuten leestijd

^ AD VALVAS — 14 OKTOBER 1977

Proefschrift

Geert Sanders over het 'geimne' in de homoseksuele

leefsituatie

Homofiele meisjes liebben de minste kansen in omgang met omgeving wie ooit een case-study wil doen naar het door waarde oordelen gekleurde karakter van wetenschappelflk onderzoek, kan zich geen beter onderwerp kiezen dan de onafzienbare stroom onderzoeken naar homoseksualiteit. Hö zal materiaal te over vinden aan onzuivere bijbedoelingen, religieuze vooringenomenheid en methodologische blunders. En als hij zich de moeite getroost de historie in te duiken, zal hij zien hoe prachtig de maatschappelijke ontwikkeling zich in de vorm, vraagstelling en resultaten van de onderzoeken weerspiegelt. Hij zou uit het gevonden materiaal naast een wetenschappelijke verhandeling ook een smeuïge bloemlezing van wetenschappeiyke kortzichtigheid kunnen samenstellen, die aan de verplichte bedliteratuur van sociolc^ie en psychologie studenten mag worden toegevoegd. Wat er beslist in zal komen, is de zorgeloosheid waarmee men zijn proefpersonen uit gevangenissen, ziekenhuizen of psychiatrische inrichtingen haalde, zonder daar in het verdere onderzoek enige konsekwenties aan te verbinden of zelfs maar melding van te maken. Dat is lange tijd een normale praktyk geweest. Een ander hoofdstuk zou over tendentieuze vraagstellingen kunnen gaan. De steeds terugkerende vraag naar de oorzaken van homoseksualiteit bijv. lykt niet zo tendentieus, maar is het wel, als men weet, dat deze nooit in verband gebracht wordt met de -vraag naar de oorzaken van heteroseksualiteit, maar slechts met de mogelükheden van genezing. Het is een vraag uit het hoofdstuk neurosen, hetgeen natuurlijk te denken geeft. En wat te denken van vraagstellingen als deze: z;jn homoseksuelen kinder verleiders? is homoseksualiteit besmettelijk? hoe staat het met de 'personale Reife' van homoseksuelen? (slecht, vindt Giese, 1958, maar hij vergat helaas de personale Reife van heteroseksuelen te onderzoeken). Voor praktisch alle onderzoekers, ook nu nog, geldt, dat zy zonder een vergelijkbare, heteroseksuele referentiegroep werken. De konklusies liggen dan ook nooit ver naast oorspronkelijke (voor) oordelen. Aan het tragische geval Sanders (naamgenoot van de hier te bespreken promovendus) zou een andere maatschappelijke invloed op het wetenschappelijk onderzoek bestudeerd kunnen worden. Sanders zette zich in voor het anthropo-genetisch onderzoek in Nederland en wist daarmee opmerkelijke gegevens te verzamelen voor de kwestie van homoseksua-

Door Maks Banens liteit als aanleg. Het afschuwelijke misbruik, dat de nazi's van deze zelfde anthropo-genetica maakten, betekende voor hem de dood in een gaskamer. Zijn werk verdween tenslotte in de na-oorlogse anti-genetica stemjning, en wordt tot op de dag van vandaag genegeerd.

'Warm

gezinsklimaat'

Geert Sanders, wiens proefschrift 'Het gewone en het bijzondere van de homoseksuele leefsituatie' nu aan de orde is, is zich deze twijfelachtige wetenschappelijke voorgeschiedenis zeer wel bewust. Hü probeert zo onbevooroordeeld mogelijk ziJn vraagstelling te omschrijven, en doet alle moeite om de beperkingen van de geselekteerde groep jongeren aan te geven. Het komt erop neer, dat zijn vraagstelling is, in hoeverre homoseksuele jongeren anders tegenover zichzelf en hun direkte omgeving staan, dan -heteroseksuele jongeren. ZiJn konklusie is, dat dit slechts op enkele punten het geval is, en dat de verschillen tussen homoseksuele en heteroseksuele jongeren, voorzover het de omgang met hun oir^eving betreft, kleiner zijn dan die tussen jongens en meisjes in het algemeen, vervolgens gaat hij na of dezelfde faktoren een rol spelen bij homoseksuele en heteroseksuele jongeren in de ontwikkeling van hun persoonlijk en sociaal funktioneren. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn: een 'warm gezinsklimaat', en geëigende oriëntatiemogelijkheden (d.w.z. personen en leefwijzen die men zich ten voorbeeld kan stellen, vertrouwenspersonen om mee te praten, enz.) zijn de centrale voorwaarden. De laatste zijn bij homoseksuele jongeren vaak minder aanwezig, zodat zij enige vertraging, of zelfs een breuk in hun ontwikkeling ervaren. Op grond van deze resultaten formuleert Sanders ten slotte enige praktische voorstellen voor aktiviteiten die de kansen voor homoseksuele jongeren moeten vergroten. Het zijn voorstellen die al sinds jaar en dag in de COC werkplannen vermeld staan. Een samenkomst van wetenschap en praktijk die verheugend is om te zien.

Te simpel Ondanks de omzichtheid waarmee Sanders zijn onderwerp heeft

SO: geen dictaat an Klein

-,f

De regering moet zich hoeden voor een centralistische aanpak van de planning van het hoger onderwijs. Het is zaak dat de besluitvorming weerklank vindt aan de basis van het thuisfront, de fakulteiten, als men wil dat de besluiten niet zonder inhoud blijven. Die waarschuwing doet het 'Interuniversitair Studenten Overleg', — een club van studentenlijsten waartoe ook de VUSO behoort — in een gedegen nota over de planning van het hoger onderwijs. Het ISO stemt in met het uitgangspunt van de beleidsindicatles om tot 1983 de middelen voor het hoger onderwijs op het zelfde niveau te houden. De centrale overheid heeft niet alleen juridisch, maar ook moreel het recht een referentiekader op te stellen voor de ontwikkeling van het wetenschappelijk onderwijs, aldus het ISO. 'Doch het zou onverstandig zijn wanneer dit als een eenzijdig dictaat gebracht zou worden.' Niet alleen zou de klimaatsverbe-

11 ^^

\

tering die de afgelopen jaren tussen departement en instellingen is bereikt, weer teniet worden gedaan, maar ook zou de kans op het elimineren van misrekeningen in de planning verkleind worden, zo vinden de samenstellers van de nota, Ed van der Ouderaa en zijn Rotterdamse coll^a Jan Stevers, die jarenlang voor de Erasmus Lijst in de Universiteitsraad heeft gezeten. ^ Het ISO constateert dat het democratisch géhaJite van het planningsoverleg nog wel te wensen overlaat. De standpunten die in overlegorganen van bijvoorbeeld de Colleges van Bestuur worden ir^enomen, zullen zoveel mogelijk moeten berusten op mtspi-aken van gekozen organen. Daaranaast is het van belang dat de regering ruimte laat voor discu^ie en niet te gedetailleerd, zoals in de Beleidsindicaties van staatssecretaris Klein, de ontwikkelingen gaat 'invullen'. De Explicatieve nota van Klein

aangepakt, zijn er enkele storende momenten in zijn onderzoek blijven zitten. Zo zijn er twee bedenkingen te maken bij de selektie en werving van de groep jongeren waarop zijn onderzoek zich betrekt. Ten eerste het feit, dat hij de jongeren in het uitgaansleven heeft geworven. Het ligt voor de hand dat dit een vertekend beeld geeft van hun sociaal funktioneren. En konklusies zoals deze: 'Vooral uitgaans- en ontmoetingsgelegenheden blijken als werkzame contactplaatsen te fungeren' (p.106) worden in dit licht bezien uiteraard verdacht. Om Sanders geen onrecht te doen moet ik beslist zeggen, dat hij de beperkingen van zijn onderzoeksgroep zeker ingezien heeft. Hij gaat zelfs zo ver om op pag. 6 te konstateren 'dat op grond van de in dit onderzoek verzamelde gegevens niet gepretendeerd kan worden, dat deze representatief zouden zijn voor enige andere groep waaruit ten behoeve van dit onderzoek jongeren zijn geworven.' Het blijft onduidelijk welke groepen daar nu wel, en welke er niet onder vallen. In elk geval worden noch in het verdere verloop van het onderzoek, noch in de daarop volgende beleidsmatige voorstellen enige restrikties gemaakt, zodat de lezer niets anders aan kan nemen dan dat alle jongeren van Nederland in dit onderzoek bedoeld worden. De tweede bedenking bij de selektie van de onderzoeksgroep is fundamenteler. Sinds Kinsey is er geen denken meer mogelijk in termen van een groep homoseksuelen naast een groep heteroseksuelen. Kinsey heeft in zijn bijzonder uitgebreide onderzoeken naar het seksueel gednag van mannen (1948) en vrouwen (1953) in de Verenigde Staten aangetoond, dat er van een breuk geen sprake is, maar dat er in plaats daarvan een glijdende overgang is tussen beide groepen, bovendien bleek dat de meeste mensen ergens in die tussengebieden geplaatst moeten worden. Kinsey verving de tweedeUng homo-heteroseksualiteit door een schaal. Theoretisch vindt dit idee al lang geen weerstand meer, ook bij Sanders niet, zo verklaart hij op pag. 14, maar hij laat er op volgen, dat konsekwent lering trekken uit Kinsey's resultaten in de praktijk niet blijkt te voldoen. Hij vindt een zeer eenvoudige oplossing om toch bij de oude vertrouwde tweedeling te blijven door diegenen als homoseksueel, resp. heteroseksueel te beschouwen, die zichzelf zo noemen. Hij legt op deze wijze de verantwoordelijkheid voor zijn simpUfikatie op de schouders van zijn proefpersonen, hetgeen men

wordt door het ISO beter gewaardeerd als een handreiking naar de instellingen om met elkaar tot een realistische plannii^ te komen. Problemen zyn er ten aanzien van de instrumenten van de planning. Het ISO bepleit een betere vei^elijkbaarheid van de taakomschrijvingen van de instellingen. Ook zouden de randvoorwaarden die door de bewindslieden op Onderwijs en Wetenschappen worden gesteld biJ de ontwikkeling van het h.o., met souplesse moeten worden gehanteerd. 'WU de staatssecretaris ernst maken met zijn voornemens, dan zai hij toch moeten bezien of ais prikkel voor de instellingen niet een kluif toegeworpen kan worden in de vorm van een grotere mate van flexibiliteit in de randvoorwaarden; groter dan besloten ligt in de mogelijkheid voor de instellingen die kan ontstaan door een verlaging van de gemiddelde personeelslast. Dit temeer daar het huidige stringente arbeidsvoorwaardenbeleid voor het wo aan het scheppen van die ruimte in de weg staat'. De ISO-nota is de vor^e week donderdag in de Tweede Kamer aan^het'Kamertid Klein aangeboden. (Quod Novum, GUPD)

nu niet bepaald verantwoord wetenschappelijk gedrag kan noemen.

Lesbisch genot Desondanks levert Sanders, onderzoek veel interessant materiaal op. Om maar iets te noemen: het feit dat tussen jongens en meisjes (homo's en hetero's) voortdurend grotere verschillen blijken te bestaan in zelfwaardering, sociale omgang, enz., dan tussen homo's (jongens en meisjes) en hetero's (idem) is een nieuw en opmerkelijk gegeven. En nog iets: de konklusie, dat homofiele meisjes de minste kansen hebben, en in de omgang met hun omgeving het minst aan hun trekken komen, was eigenlijk onvermijdelijk, maar de aanvulling dat zij op één punt een gunstige uitzondering vormen, nl. in het feit, dat zij het meest bevredigend vrijen (duidelijk fijner dan heterofiele meisjes), is een interessante troost. De resultaten zijn niet spektakulair. Maar dat mag men van een psycho-sociaal onderzoek ook niet verwachten. Ze ziJn voorzichtig, en degelijk. En zo moet de bijdrage van de wetenschap aan de vrijmaking van de seksuaUteit ook zijn. (UK Groningen, GVPD)

Donderdag 6 oktober promoveerde drs. C. J. E. M. Sanders aan de ryksuniversiteit Groningen tot doctor in de sociale wetenschappen, op een proefschrift getiteld 'Het gewone en het bijzondere van de homoseksuele leefsituatie', bü prof. dr. H. A. Hutte. De heer Sanders studeerde psychologie aan de Katholieke universiteit te Nijmegen en de Rijksuniversiteit te Groningen. Na zijn doctoraal examen in 1969 werd hq in opdracht van het ministerie van CRM projektleider bö het bovengenoemd onderzoek, en daarnaast gaf hü enige jaren onderwqs op het gebied van sociale problemen en deviant gedrag aan het instituut voor sociale en bedryfspsychologie alhier. Aan dit instituut is hy als wetenschappelijk hoofdmedewerker verbonden. Sinds 1976 is hij, opnieuw in opdracht van het ministerie van CRM, projektleider van het MELLO-projekt (Met ELkaar Leren Omgaan). Het proefschrift is bfl Van Loghem Slaterus Deventer verschenen.

Nieuwe tentoonstelling in exposorium

'Het gezicht van het boek' De regelmatige bezoeker van de tentoonstellingen in het Exposorium van de V.U. (restaurant hoofdgebouw) zal misschien enigszins verwonderd raken wanneer hij gedurende de maand oktober de exposoriumruimte betreedt. In plaats van een gebruikelijke expositie van vrij werk van kunstenaars, dus schilderijen, grafiek, beeldhouwwerken, enz., is daar deze keer een kleine tweehonderdtal boeken te zien. Het is niet eens mogelijk, al zou hij dat graag willen, de boeken door te bladeren. Het blijft bij het bekijken van de buitenkant. Deze tentoonstelling werd niet door de V.U.-Boekhandel georganiseerd, zoals enkelen op het eerste gezicht misschien zullen denken, noch door een aantal uitgeverijen met het doel hun nieuwe publikaties te presenteren en te verkopen. De exposoriumkommissie, die de tentoonstellingen organiseert, heeft een geheel andere bedoeling voor ogen: zoals de titel van de tentoonstelling duidelijk maakt, wil zij de aandacht er op vestigen dat ieder boek en elke uitgeverij een eigen 'geacht' vertoont. Dit geacht, het visueel aspekt van het boek, wordt in de meeste gevallen met grote zorg en groot vakmanschap gekreëerd, want het is r>an groot belang in ons omgaan, met boeken. Het ontwerpen van een boekomslag is een vorm van toegepaste kunst, die wij op de universiteit praktisch dagelijks onder ogen krijgen, echter zonder het als zodanig te waarderen. Het gebeurt ook maar zelden dat er door middel van een speciale tentoonstelling aandacht voor wordt gevraagd. Op de tentoonstelling wordt een toelichting gegeven op de werkwijze van de boekomslagontwerper en de problematiek waar hij mee te maken heeft. Het belang van de omslag voor de verkoop van het boek, het feit dat een omslag het werk van de auteur dient te ondersteunen, de artistieke inbreng van de omslagontwerpen en de rol van de uitgever in dit hele proces komen daarbij aan bod. De opstelling wil laten zien dat elk boek een zelfstandige oplossing is van de problemen waarvoor de ontwerper zich gesteld ziet, maar dat toch de boeken van één uitgever verwantschap vertonen. De tentoonstelling duurt tot 4 november. Ga er eens naar toe voor een andere kijk op het boek. Verdere informatie over de tentoonstelling is te verkrijgen bij John Vrieze, hoofdgebouw kamer OD-03 (tel. 548 4327).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 91

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's