Ad Valvas 1977-1978 - pagina 163
AD VALVAS — 2 DECEMBER 1977
Vermaatschappelijking projektonderwys
wetenschap geremd door onvoldoende
doorvoeren
Projektonderwijs daiiig in de knel door herprogrammering Volgens minister Van Kemenade hebben de universiteiten een unieke kans gemist op een leidende maatschappelijke rol in de versterking van het demokratisch gehalte van onze samenleving. De Leidse sociologen Koen Bons en Rob Kuiper zijn het daarmee eens. In tegensteUing tot Van Kemenade, die vooral de studentenbeweging hiervan de schuld gaf, zien zü die gemiste kans liggen in het onvoldoende dóórvoeren van projektonderwijs en onderzoek ten dienste van minder bevoorrechte gToepen.i) Het verwijt van Van Kemenade, dat de studentenrevolte van 1968 en de studentenbeweging daarna de vermaatschappelijking van de wetenschap niet verder hebben gebracht leggen zij naast zich neer. Hun verwijt treft de wetenschappelijke staf, die aan de kant is blijven staan, waardoor te weinig deskundigheid kon worden ingebracht in de ontwikkeling van het projektonderwijs. Ook onderwijsjournalist G. van de Wetering van de NBC gelooft, dat de medewerking van het docentencorps, die 'onontbeerlijk is uit het oogpunt van begeleiding, het zwakke punt is'. De meeste docenten zouden niets moeten hebben van 'de vage sociaal/politieke uitgangspunten van projectonderwijs, die soms tot uiterst verwarde diskussles aanleiding geven'.«) Volgens de NRC zou vooral de vrees voor poUtisering het projdrtonderwjjs hebben afgeremd. Die vrees en het gebrek aan medewerking van docenten ztjn natuurlijk niet de enige remmende factoren. Volgens Bea Goethart, secretaresse onderwijs van de SRVU, ztJn het vooral de herprogrammering en herstrukturering, die het projektonderwijs bedreigen. De onderwijsprogramma's worden sterk ingedikt en de werken projektgroepen worden daarvan allereerst het slachtoffer. Werk- en projektgroeponderwiJs is immers arbeidsintensiever dan het onderwijs via massahoorcolleges, die dan ook weer flink in aantal toenemen, zeker als straks de geherprogrammeerde studieprogramma's gaan draaien. Op een vorig jaar in Bremen gehouden internationaal congres over projektonderwijs bleek ook, dat herstrukturering en herprogrammering de ongunstige voortgang van het projektonderwijs sterk medebepalen. En dat niet alleen in ons eigen land maar ook in andere west-europese landen als Duitsland, Zweden, Frankrijk en Denemarken. Net als in Nederland gaat gebeiwen, zijn daar de studies al bekort tot 4-5 Jaar met een maximum van 7.') Via de herprogrammiering vergroot de overheid zijn greep op het onderwijs en vooral de vormgeving daarvan. Maar ook de Inhoud van het onderzoek wordt steeds meer van bovenaf gereguleerd. In Denemarken is men bezig met de oprichting van adviesraden per studierichting, WHArin univearsitelt, staat, bedrijfsleven en vakbeweging zitting krijgen om te oordelen over inhoud van onderwijs en onderzoek. In ons land komt een vergelijkbare ontwikkeling op gang met de sectorraden. Indikking van studieprogramma's en regulering van vorm en inhoud van het onderwijs van boven af lijken weinig gunstig voor de ontplooiing van het projektonderwijs. Op het Bremer-congres werd de ongunstige ontwikkeling van het projektonderwijs, ook in verband gebracht met de — niet alleen in Nederland — slechtere financiële positie van de student. Meer en meer moeten studenten gaan werken naast hun studie om die te kunnen bekostigen of moeten ze dure leningen afsluiten. Het is duidelijk, dat dit de inzet voor Projekten in de studie niet ten goede komt. Voor we verder ingaan op één van de factoren, die projektonderwijs bedreigen, de vrees voor politisering ervan, eerst iets over de aard van het projektonderwijs zelf en de historische, ontwikkeling ervan. Essentieel voor projektonderwijs lijkt, dat er een integratie plaatsvindt van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, van theorie en praktijk. Verder dat er nagedacht wordt over de maatschappelijke en (dus) politieke betekenis van het onderzoek en dat er kontakt bestaat met minder bevoorrechte groepen in de samenleving, aan wie het onderzoek ten dienste staat. Onderwijs en onderzoek in het kader van de projektgroep vinden in groepsverband plaats. Leerervaringen worden gekombineerd met een service aan minder beroorrechte groepen.
Voorgeschiedenis In Nederland werd het projektonderwijs voor het eerst fundamenteel gepropageerd in de bekende publicatie van de Nijmegenaren Boekraad en Van Nieuw-
stadt ('Aantekeningen voor een Radraiuniversiteit). Dat was in het eind van de zestiger jaren. Volgens de socioloog crombag gaf de Parijse studentenvereniging van mei 1968 de b ^ n s t o o t voor het projektonderwijs aan de luüversiteiten in ons land. In de Verenigde Staten wordt al in 1916 van projektonderwijs gesproken, wanneer een publikatie verschijnt van J. P. Woodhull (The development of a projekt'). Woodhull ging het daarbij voornamelijk om de didaktische voordelen van projektonderwijs. Kilpatrick werlrte Woodhull's gedachten uit in zijn levensfilosofie, die grote overeenkomsten vertoont met de pedagogische doelstellingen van de pragmatisch filosoof en instrumentalist John Dewey. In de V Ä ging het bij projektonderwijs vooral om een didaktisch systeem, waarbij de student een grotere, onafhankelijke, individuele speelruimte toegedeeld kreeg ten opzichte van de kennisoverdrager. In Europa trad een samengaan op van deze didaktische overwegingen met politiserende en demokratiserende tendensoi. We ontlenen deze informatie goeddeels aan het verslag van de projektgroep 'Projektonderwijs', die aan het Leids sociolc^isch instituut ontstond in 1969, het jaar, waarin het instituut zich demokratiseerde mede doordat de hoogleraren daar eigener beweging hun 'macht' uit handen gaven aan de hele imiversitaire g:emeenschap en een Algemene Vergadering het hoogste orgaan werd (Deze ontwikkeling werd later weer gedeetelük teru^edraaid). 4) Volgens deze Leidse sociologen wordt onderwijs bepaald door didaktische overwegingen, de interne vereisten, die voortvloeien uit het te geven leerpakket en door de strategische funktie, van onderwijs voor de maatschappij als geheel of bepaalde instituties in die maatschappij.
Waarom
projektonderwijs
De projektgroep ging eerst na wat de strategische funktie van de traditionele onderwijsvormen voor de maatschappij is. Van daaruit kwam zij tot de keuze voor projektonderwijs. De groep kwam tot de konklusie, dat het traditionele universitaire onderwijs duidelijk politiek-strategische betekenis heeft voor maatschappelijke machtsgroeperingen buiten de universiteit als overheid en bedrijfsleven. Zoals deze groeperingen belang hebben biJ het traditionele onderwijs om het heersende waardensysteem competitie, winstmaken van de samenleving te handhaven, zo is het projektonderwijs van politiekstrategische betekenis voor hen, die dat waardensysteem willen veranderen of in elk geval hiin eigen waarden willen beleven en in praktijk brengen. Hoe valt te begrijpen, waarom het traditionele hoger onderwijs het heersende waardensysteem bevestigt en handhaaft? Vanuit de maatschappq (overheid en l>edrtjfsleven) wordt de 'zakelijke' vraag gesteld naar de opleiding via het hoger onderwijs tot toekomstige bezetting van beroepsrollen. Instituties als overheid en bedrijfsleven zijn drager van onze maatschappij en daarmee ook van het achterliggende waardenpatroon. De beroepsrollen, waarvan zij de vervulling
Door Jaap Kamerling vragen, zijn op te vatten als het geheel van normen en verwachtingen, gekoppeld aan bepaalde funkties. Die funkties binnen een organisatie zijn weer afgeleid uit de doelstellingen van die organisatie, welke weer zijn gekoppeld aan het gangbare waardensysteem van onze maatschappij. De beroepsrollen, waartoe het hoger onderwijs opleidt, zijn dan ook afgeleid van het heersende waardensysteem van de samenleving. De sociologen voegen daaraan toe, dat binnen dat heersende waardensysteem en zeker biimen het hoger onderwijs de 'middleclass-waarden' weer de overhand hebben. Dat is dan ook één van de oorzaken, waarom de doorstroming vanuit de 'lower-class' zo slecht op gang komt, zeggen ztj.
'Isolement'
ontmaskeren
Met politisering wil de groep nu aanduiden, dat het zogenaamde universitaire 'Isolement' ontmaskerd wordt als zünde geen wezenlijk isolement maar een neerslag van het onkontroleerbare 'overspel' van de universiteit met buiten-universitaire sferen als bedrijfsleven en overheid. Wetenschappelijke kennis is voor het bedrijfsleven de voornaamste produktiefactor geworden. Dit zoekt dan ook aansluiting bij het weschappelijk bedrijf op de universiteiten. CvB-voorzitter Van Nes erkende onlangs op een studiedag van het Demokratüch Accoord onomwonden die relatie tussen universiteit en bedrijfsleven en juichte haar ook toe. De bijbanen van hoogleraren in het bedrijfsleven wijzen ook duidelijk op die relatie, evenals de migratie over en weer van personeel bij bedrijfsleven naar hoger onderwijs. Nu is het helemaal niet de bedoeling van de Leidse projektgroep om het bedrijfsleven als een soort zondebok voor te stellen, die bovendien nog overspel pleegt. Wel ziet zü het bedrijfsleven als een duidelijke exponent van het heersende waardensysteem in de maatschappij. Kritiek op de relatie bedrijfsleven — ho-
Waarom bang voor 'politisering' ger onderwijs is daarom kritiek op het waardensysteem, waarvan het tredrijfsleven mee drager is.
Politisering Wat men nu met 'politisering" wil Is, dat wetenschappers zich bewust worden van het feit, dat het traditionele onderzoek beslist niet ."maatschappelijk neutraal is. De maatschappelijk-politieke dimensie van onderwijs en onderzoek moet steeds worden geëxpliciteerd. Vervolgens moet er ruimte worden geschapen voor het beleven en realiseren van de waarden, die de deelnemers van een projektgroep zélf prefereren. Demokratisering betekent in deze kontekst dat ten eerste de erkenning van het recht van Individu en groepen om hun eigen waar-
Van Kemenade: 'Hebben de universiteiten een unieke kans gemist?' den met de daaraan gekoppelde normen en doelstellingen in een maatschappelijk kader te realiseren. Verder moeten machtsgroeperingen die deze erkennü^ en de mogelijkheden tot konkretisering ervan in de weg staan, bekritiseerd kunnen worden. Politiseren is dus niet het verpolitieken van wetenschap, die politiek neutraal is maar in de eerste plaats het ontmaskeren van de maatschappelijk-politieke kontekst, waarin de traditionele wetenschapsbeoefening functioneert. En vervolgens het recht claimen om zelf als wetenschapper eigen waarden te kunnen hechten aan je aktiviteiten. De samenleving erkent dit recht nauwelijks als men beziet hoe moeilijk het is voor een 'alternatieve' wetenschapper (die b.v. het coöperatiebeginsel stelt boven het competitiebeginsel) om aan de slag te komen na afronding van zijn studie. In de praktijk van de projektgroepen betekent die claim op erkenning van 'andere' waarden, dat de keuze van onderzoeksobjekten bepaald wordt door het kiezen voor minder bevoorrechte groepen, direkt of indirekt. Het nu door de herprogrammering bedreigde Imperialisme-projekt bij politicologie aan de VU is daarvan een voorbeeld. Ook de wetenschapswinkel, die aan de UvA wordt opgericht, maakt duidelijk de keuze voor gedeprivilegieerde groepen.
Projektonderwijs en groepsgebeuren Nog één ding, waar de Leidse sociologen sterk op wezen in hun studie over projektonderwijisl is het feit, dat het hier steeds om een groepsgebeuren gaat. Die groepsgewijze opzet demonstreert al een voorkeur voor andere dan traditioneel heersende waarden. Door veel studenten wordt het 'genieten' van hoger onderwijs immers gezien als een middel tot individuele stijging op de maatschappelijke ladder. Als student wordt de toekomstige wetenschapper in een konkurrentieverhoudtng geplaatst tot zijn medestudenten. Deze verhouding wordt op ingenieuze wijze ingebouwd via allerlei selectieve tentamens en examens en maakt op zich al de niet altijd manifeste afspiegellr^ van het waardesysteem op de universiteit van dat van het algemene waardensysteem van de maatschappij duidelijk. Door kollektieve Inzet van de deelnemers van de propjektgroep (met kollektieve beoordeling van het werk) wordt die motivatie tot individuele stijging doorbroken. Ook om didaktische redenen kan 't groepsgewijze wetenschappelijk bezig zijn worden gemotiveerd. Leerervaringen zijn grotendeels interaktie-ervarmgen. 'Of ik socioloog word is niet alleen afhankelijk van de hoeveelheid kennis.
die ik verwerf maar ook van de uitwisseling van ervarir^en met andere sociologen. In de interaktie met sociologen word ik socioloog, aldus de Leidse projektgroep. Een punt, waar deze projektgroep ten slotte ook op wijst is de vraag of er binnen een projektgroep heterogeniteit in opvatting van de deelnemers mag bestaan. De Leidenaren vinden, dat projektonderwijs als systeem de speelruimte van de heterogeniteit moet hebben, ook al vormt dat een bedreiging voor het welslagen van Projekten. De praktijk leert echter, dat heterogene groepen toch kunnen slagen door een opsplitsing in homogene subgroepen. Men kan zich trouwens afvragen of bij de vorming van projektgroepen niet vaak een soort zelfselektie zal plaatsvinden. In de praktijk zal vaak eerst het idee voor een projekt ontstaan, waarna dan de geïnteresseerden zich rond dat idee verzamelen.
Situatie aan de VU Hoe staat het nu eigenlijk met^ het projekt-onderwijs aan de VU? In komende nummers van Ad Valvas willen wij enkele projektgroepen aan de VU, die totnogtoe wisten te overleven of groepen, die in oprichting zijn, de revue laten passeren. Het is wel duidelijk, dat een aantal projektgroepen aan de VU zich in de gevaren-zone bevindt. De levenskansen voor nieuwe projektgroepen lijken niet groot. Er heeft aan de VU ooit eens een projekt-groepen-overleg bestaan, op gang gebracht door de SRVU. Bii de SRVU is men nu van plan dit overleg nieuw leven in te blazen. Het was in het verleden moeilijk om überhaupt aan het projekt-onderwijs stimulansen te geven vanuit dit overleg, hoorden wi) omdat er nog weinig ervaring was opgedaan met andere projektgroepen. Nu echter by PAW de themagroep politieke vorming een diskussie op gang heeft weten te breiden in de vakgroep andragologie lyken de kansen op een projektengroepen-overleg beter te zyn geworden. Noten: 1) Mare, het universiteitsblad van de RU Leiden, 17 november 1977 en eerder als ingezonden stuk in de NRC. De uitlatingen van minister Van Kemenade äjn gedaan op het internationaal studentencongres over 'Universiteit en demokratisering dat in Tilburg werd gehouden, zie o.a. hetzelfde nummer van Mare. 2) NRC van 26 oktober 1977, de rubriek Onderwijs en Wetenschappen. 3) Uitgave van COWO (aan de UvA), verschenen in juni 1976. Hierin een verslag van het internationaal congres over projektonderwijs in Bremen. 4) Verslag van de projektgroep 'Projektonderwijs', Sociologisch Instituut LeKlen, 1969.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's