Ad Valvas 1977-1978 - pagina 343
AD VALVAS — 14 APRIL 1978
Voorstel Werkgroep
Democratisering
Algemene
Diensten
aan UR
Richtlijnen voor overlegvormen bij centrale diensten Dinsdag zal de universiteitsraad zich beraden over een nota van de Werkgroep Democratisering Algemene Diensten (Wedad) die konkrete aanwijzingen voor het werk- en dienstoverleg bü de centrale diensten van de VU bevat. Tot nog toe hadden deze overlegvormen een vrijblijvend karakter. De voorgestelde aanwijzingen zijn niet bedoeld als bindende regels, maar zijn eerder richtlijnen voor het overleg gedurende de eerstkomende jaren. Naderhand zou tot reglementering kunnen worden overgegaan. Met de Introduktie van werkoverleg m de centrale diensten werd indertijd beoc^d de bestaande organisatorische struktuur zodanig aan te vuUen dat tegemoet kon worden gekomen aan de behoefte tot versterking van kommunikatie. Op deze wijze zou enerzijds de doeltreffendheid van het handelen kunnen worden versterkt, terwijl anderzijds gehoor kan worden gegeven aan gerechtvaardigde verlangens ten aanzien van de demokratisering van de arbeidsverhoudingen. Een informatieve nota van personeelszaken in het najaar van 1976 stelde dat nadere reglementering gewenst was, wilde men het werkoverleg voldoende tot zijn recht laten komen. Inmiddels had het CvB in het voorjaar van 1976 de werkgroep Wedad ingesteld en als opdracht gegeven het bestaande werkoverleg in kaart te brengen en na te gaan of er behoefte bestaat aan een nadere regeling. Ook moest worden onderzocht of binnen en boven de centrale diensten bepaalde vormen van vertegenwoordigend overleg (bv. dienstoverleg) zouden moeten worden ingevoerd. In Wedad hebben zitting de voorzitter en de secretaris van het CvB en drie leden van de CRAD (Contactraad algemene diensten), een overlegorgaan van vertegenwoordigers van diensten en afdelingen. De nu verschenen Wedad-nota maakt onderscheid tussen drie overlegniveaus: werkoverleg, dienstoverleg en een contactraad bureau universiteit. Voor elk van deze vormen zijn afzonderlijke aanwijzingen geformuleerd. De nadruk ligt op het werk- en dienstoverleg, waarbij het dienstoverleg als aanvulling wordt gezien op het werkoverleg.
Werkoverleg De nota omschrijft het werkoverleg als het niveausgewijs gezamenlijk periodiek overleg van leidin^evende en alle medewerkers. Dat houdt in dat de leidinggevende aan de basis werkoverleg heeft met alle medewerkers in de werkeenheid. Op zijn beurt neemt de leidinggevende deel aan overleg met kollega's en het naast-hogere leidinggevende niveau en zo verder.
VU veldvoetbaltoernooi ook dit jaar weer
Ook dit jaar organiseert de ASVU het veldvoetbalkampioenschap van de Vrije Universiteit. De wedstrijden zullen gehouden worden op vrijdag 19 mei op het sportpark Riekerhaven, ijs en weder dienende. Iedereen van de VU kan aan dit toernooi meedoen, of hij nu student, wetenschappelijk medewerker of professor is. Teams van disputen, fakulteitsverenigingen, iedereen kan zich inschryven t/m maandag 8 mei op het sportcentrum Uilenstede (elke werkdag tussen 09.00 en 16.30 uur). Indien er voldoende belangstelling is zal er ook een damespoule gespeeld worden. Deelname aan het toernooi is gratis. Om echter te voorkomen dat een aantal teams op de toernooidag niet op komen dagen, zodat het hele wedstrijdschema omgegooid moet worden, moet er door ieder team, gelijktijdig met de inschrijving, een borgsom van ƒ 50,— gestort worden. Dit bedrag wordt na afloop van de wedstrijden geretourneerd.
door
Bart
Muvsson -^
De Wedad verheizt zich erover dat het werkoverleg aan de basis in veel van de werkeenheden in de loop der tijd een goede gewoonte is geworden maar betreurt het dat op verschillende leidinggevende niveau's het overleg nog onvoldoende ontwikkeld is. Ook heeft het overleg op alle niveau's nog dikwijls een te vrijblijvend karakter. De werkgroep brengt in de nota enkele konkrete adviezen uit voor een verdere strukturering van het werkoverleg. Tenminste één maal per maand wordt overleg noodzakelijk gedacht. Er zijn nu al afdelingen waar een wekelijks overleg goed voldoet, maar dat is wel de maximale frequentie, vindt de Wedad. Het overleg is bedoeld voor alle leden van de werkeenheid. Tien tot vil ftien deelnemers is wel het maximum. Bestaat de werkeenheid uit meerdere groepen met eigen taali^ebieden, dan is het soms wenselijk het overleg te splitsen. De leidinggevenden dienen zoveel mogelijk informatie over te dragen, verantwoordelijkheid te deleseren, inspraak en mep'ïturen toe te staan. Van de medewerkers worden e^n ontimale particinatie en het realispren van verantwoordelükheden 'onder' erkPnnin^ van de vernlichtino'en. die de leidinggevende in het vla-erende stelsel van verdeiine der oreanisatorische bevoesdheden heeft' verwacht. De gesnreksleidin«? kan berusten zowel bij de leidinsErevende als bii een andere medewerker. De leiding van het overleg kan ook rouleren. Voorts bestaat er een kiaacrecht voor de medewerkers. Blijkt in de nraktiik dat de leidlnegevende overwegend niet in overeenstemming handelt met de uito-ansspunten van het overles, dan bestaat er voor de medewerkers de mogelijkheid dit on een hoger niveau aan de orde te stellen. Werkoverleg moet worden 'geleerd', aldus de nota. Daarom is een gericht vormino-sDroeramma voor de verdere ontwikkeling van het werkoverlesr voor zowel medewerkers als leidinggevenden van groot belang.
Dienstoverleg Dienstoverleg is een vorm van vertegenwoordigend overleg en moet volgens de nota gezien worden als aanvulling op het werkoverleg. Het diensthoofd komt periodiek samen met een vertegenwoordiging van de medewerkers van de dienst. Daarbij zal het gaan om bv. uitwisseling van informatie, onderlinge afstemming van de verschillende werkeenheden en besprekingen van problemen die de gehele dienst betreffen. Dienstoverleg vindt plaats als een dienst is opgebouwd uit meer dan twee hierarchische niveau's, die samen meer dan ca. 15 medewerkers omvatten. By kleinere diensten wordt in de plaats van dienstoverleg werkoverleg gehouden, dus met alle medewerkers. Het aantal leden van het dienstoverleg kan variëren van vijf tot en met twintig, al naar gelang het karakter van de dienst en aantal en omvang van de werkeenheden. Leden kunnen aangewezen of gekozen worden. Het aantal aangewezen leden mag niet meer dan 40 pi'ocent van het totale aantal leden bedragen. Zij worden benoemd uit en door het werkover-
leg dat het diensthoofd heeft met zi.in naaste medewerkers. Het diensthoofd is automatisch lid van het dienstoverleg. De overige leden worden voor twee jaar gekozen en zijn onmiddellijk herkiesbaar. Om tot lid verkiesbaar te zijn moet men op het tydstip van de verkiezing tenminslïe een half jaar bij de VU in dienst zijn. Veel aandacht besteedt de Wedadr.ota aan de agendacommissie van het dienstoverleg. De voorzitter en secretaris van het dienstoverleg fungeren tevens als voorzitter en secretaris van de agendacommissie, zy bestaat in totaal uit drie ä
Eerste onderzoek
vier leden, waarvan één afkomstig zal zyn van de groep aangewezen leden van het overleg. De agendacommissie roept minimaal vyfmaal per jaar een vergadering böeen en stelt de f^enda vast na overleg met het diensthoofd, ledere medewerker van de di«ist en elk werkoverleg kan t^endapunten voorsteUen. Voorts is de agendacommissie belast met de organisatie van het verkiezen van nieuwe leden voor het overleg. Evenals by het werkoverl^ bestaat ook in het dienstoverleg de mogeiykheid tot het uiten van klachten. Indien bv. het diensthoofd in gebreke blijft voldoende informatie te verschaffen of als er bezwaren ontstaan tegen het functioneren van het overleg kan een beroep worden gedaan op het CvB om handelend <H> te treden.
Twijfels over contactraad
Bij de Wedad bestaan nog twqfels over het opzetten van een contactraad naast het werk- en dienstoverleg als een soort over-
in de Europese
gemeenschap
koepelend overleg lioven' de dienst«n. Op het ogenblik fungeert de CBAD (contactraad algemene diensten) als overi^^orgaan. Deze raad opereert echto* geheel buiten de hiërarchische lonen om. HU heeft steeds een motfvfnnktie vervuld blj de democratisering. Het ligt in de bedoeling dat de CRAD vervangen wordt door een contactraad bureau universiteit. De voorstellen van de Wedad hieromtrent hebben nog een bescheiden karakter. De taak van de nieuwe contactraad zou kunnen bestaan in de evaluatie van de ontwikkeling van bet werk- en dienstoverleg en be^reking van algemene probl«nen betreffende het bureau van de universiteit. De raad zou twaalf leden kunnen tellen, waarvan vyf uit de coördinatievergadering diensthoofden, één vertegenwoordiger uit elk van de vier diensten FEZ (financiën), IBD (beheer), GITM (bouwzaken) en PZ (personeelszaken) en drie uit de over^e diensten en bureau's. De contactraad zou tenminste driemaal per jaax bqeen moeten komen.
wijst
uit:
Tweederde van publiek in Europa heeft vertrouwen in de wetenschap Een eerste onderzoek onder de burgerij van de negen landen VMI de Europese Gemeenschap (Science and Eunqiean Public Opinion) wqst uit dat er zeer gunstig gedacht wordt over wetenschappelqk cmderzoek. Het algemene publiek ziet de wetenschap als een centrale mogelijkheid om het dagelijkse leven te verbeteren, tmdanks het feit dat men er ook wel gevaarlijke kanten aan ziet. Het Europese meningenonderzoek toont aan dat er een grote interesse bestaat voor wetenschappelijk nieuws. Onderzoekers op tv blgken zowel bij hoger- als bij lager-geschoolden een gnnnstig onthaal te vinden. In april en mei van vorig jaar heeft de Commissie van de Bhiropese Gemeenschappen laten onderzoeken hoe in de lidstaten van de EG gedacht wordt over de verhouding tussen wetenschap en samenleving. Er waren daarover al wel nationale onderzoekingen gedaan, maar die waren deels te oud en grotendeels onvergehjkbaar. De Europese commissie wüde natuurüjk ook graag weten of het publiek iets ziet in Europese bundeling van onderzoek en daarover waren in nationale onderzoekingen nog nooit vragen gesteld.
Veel
belangstelling
In plaats van wat in wetenschappeUjke kringen wordt gehoord (dat het algemene publiek de wetenschap niet erg meer waardeert) zegt tweederde van de Europese burgers groot vertrouwen en veel belangstelling te hebben in het wetenschappeiyke gebeuren. Slechts 5 procent van de ondervraagden vreest dat de wetenschap meer ongeluk dan geluk brengt en eveneens 5 procent noemt de wetenschap een gevaar. (Nota bene: 66 procent zegt dat wetenschap gevaariyk kän zyn!). Maar liefst 69 procent vindt dat de wetenschap een van de belai^rykste mc^eiykheden biedt om de levensomstandigheden te verbeteren. Dat tweederde van de Europeanen zo positief over wetenschap denkt mag by wetenschappers een behaagUjk gevoel doen ontstaan, het mag hun toch de ogen niet laten sluiten voor degenen die er anders over denken. Onder die andersdenkenden bevinden zich 'intellectuelen met ecologische neigingen' (3 procent), mensen die alleen maar wetenschap willen als deze resulteert in nieuwe medicynen, verkeersveiligheid, voedsel e.d. (10 procent) en mensen die niet in staat zyn om enig onderscheid te maken op wetenschappelijk gebied (5 procent). Terwijl Nederland als een 'gemiddeld' land uit dit onderzoek komt, blijkt Duitsland eruit te springen als het land met het minste vertrouwen in de wetenschap (59 procent). In dat land wonen dan ook de mensen die heil van de wetenschap verwachten voor ontwikkelingslanden: 26 procent tegen 46 procent als Euh>pees gemiddelde.
door Piet
Aben
Bezien naar categorieën van ondervraagden biykt dat degenen die n^atief denken over wetenschap vooral te vinden zijn onder vrouwen boven de 55 jaar (20 procent) en niet-leidinggevende (23 procent). Onder leidinggevende en vrye-beroepsbeoefenaren komt de n^atieve tqjk op de wetenschap by niet me«: dan 12 procent voor. Dit is een van de sterkste gegevens om de vaak £iangehaalde vertrouwenscrisis te weerspreken.
Europa samen
moet doen
Europeanen vinden ongeacht hun houding ten opzichte van de wetenschap, ongeacht hun maatschappeiykfi visie of positie, dat de overheid de wetenschap dient te subsidiëren. Steeds wordt door 80 en meer procent van de ondervraagden gezegd dat de staat bet wetenschappelijke ondra?»ek moet financieren. Daarby moeten de n ^ e n EG-staten overigens samoi gaan werken. Dat vindt 79 procent van de ondervraagden. Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken, die als laatste de EG binnenkwamen, drukken hier het gemiddelde: in deze landen vindt eenvyfde tot eenvierde van de bevolkii^ dat het onderzoek nationaal moet blijven. De andere EG landen, behalve Duitsland, denken veel Europeser: hoc^uit 10 procent wil daar het onderzoek in eigen hand houdeiL Duitsland vormt dus een uitzondering: het v o ^ zich naar de groep van de pastoegetreden landen, waar veel aarzeling bestaat tegenover Europese samenwerking. Volgens de onderzoekers klopt dat wel met een afnemend elan voor Europa in dat land.
Prioriteiten Onderzoek is kostbaar; niet aUe onderzoeksvoorstellen kunn«i gehonoreerd worden. Als de burgers van de negen EG-landen mochten kiezen hoe het geld besteed dient te worden, dan komt daar het volgende beeld uit ( + 5% betekent: 5 procent van de ondervraagden vindt dat dit onderzode bevorderd moet worden; — 5% betäcent: zo-
veel procent wil dit onderzoek afremmen) : medische research +64%— 4% landbouwonderzoek +61%— 4% milieuhygiëne +50%— 5% nieuwe energiebronnen +47%— 8% bestryding verslaving +39%—12% veiligheid kerncentrales +36%—10% onderzoek van onderwys +31%—13% verkeersveiligheid +28%—11% bewapening +11%—44% meteorolc^ie +11%—29% openbaar vervoer +10%—^31% ruimtevaart + 7%—51% Dat medische research boven aan de lijst staat zal niemand verwonderen. Dat daarna drie onderzoeksvelden volgen waar de Landbouwhc^eschool druk c^ is, dat mag voor Wageningen erg plezierig zijn, maar het is ook niet verbazingwekkend. Wat wel verrast is, dat de veiligheid van kerncentrales pas op de 6e plaats van de prioriteiteniyst staat, tra-wql ten tyde van de ondervragii^en in heel Eur(^a tegen kerncentrales werd gedemonstreerd. En wat bqzonder opvalt is de sterke afwyzing van het geldverslindende ruimteonderzoek.
Meer onderzoekers
op tv
Het meningenonderzoek laat ten slotte zien dat er in Europa een grote behoefte bestaat aan populair-wetenschappeiyke informatie. Tweederde van de ondervraagden is attent op wetenschapsnieuws in de media. Iets meer dan de helft praat ook wel op het werk of elders over wetenschappeiyke ontwikkelingen. De onderzoekers nemen wel aan dat eOi aantal ondervraagden heeft voorgewend interesse te hebben in wetenschapsnieuws c«ndat dat goed staat, maar zelfs als dat zo is dan wordt daardoor toch ook bewezen dat het Eurqpese pub l i k onder de indruk is van de wetenschap (anders zou men geen interesse verzinnen). Vervolgöis wordt in het meningenonderzoek uitsluitend over tv doorgevraagd. Minder dan één procent van de regelmatige kykers vond wetenschappelijke onderzoekers op tv teleurstellend of oninteressant. Meer dan de helft van hen vond onderzoekers-<^het-beeldscherm bepaald indrukwekkend en driekwart vond hen ten minste interessant. Het algemeen publik wil graag meer wetenschapsinformatie, zo biykt. Van alle Europeanen zou 42 procent best vaker wetenschapsmensen op tv zien. Van flegenen die al gewend zyn naar wetenscht^tsnieuws te kqken wil zelfs 52 procent méér van zulke programma's. (GUPD, Wageningen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's