Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 355

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 355

9 minuten leestijd

AD VALVAS — 21 APRIL 1978

Universiteiten

niet op kop in wedloop

om

onderzoek

Internationale samenwerking bij geesteswetenschappen vrij groot Het universitaire onderzoek op het terrein van de geesteswetenschappen kent; ondanks een sterk individuele aanpak, tamelijk veel internationale samenwerkingsprojekten. Meestal spelen de Nederlandse onderzoekers hierin een leidinggevende rol. Dit is één van de konklusies die wetenschapsminister drs. M. W. J. M. Peijnenburg trekt in zijn vervolgnota op het Wetenschapsbudget 1978, getiteld 'Deelname van Nederlandse zijde aan internationale wetenschappelijke samenwerking'. Hq ziet deze inventarisatie van het onderzoek en het ontwikkelingswerk waaraan Nederland in internationaal verband heeft deelgenomen, als een aanzet tot het 'wetenschapsbeleid', zo zei hij vorige week op een perskonferentie. Wat er van Karel de Grote tot en met Trip gebeurd is, valt blijkbaar niet onder dit weidse begrip. Het internationale karakter van het onderzoek in de geesteswetenschappen schrijft de bewindsman toe aan de aard van deze materie, 'die zich meer in de bovenkamer van de onderzoeker dan in zijn aktetas bevindt'. De kulturele betrekkingen tussen landen vragen om kontakten op het gebied van bijvoorbeeld de archeologie, de kunstgeschiedenis, oude geschiedenis en filologie. In veel gevallen wordt op gebieden van geesteswetenschappen waar Projekten in internationaal verband worden uitgevoerd, verder in Nederland op hetzelfde gebied geen onderzoek verricht. Waar dit wèl het geval is, gaat van de internationale samenwerking een duidelijk stimulerende invloed uit. Minister Peijnenburg ziet dit kennelijk als een ideaal voor een klein land als het onze, dat in hoge mate van het buitenland afhankeiyk is. In de voorgaande jaren heeft de aandacht van de overheid voor de internationale aspekten van het wetenschapsbeleid zich voornamelijk beperkt tot een beknopte weergave van de belangrijkste ontwikkelingen binnen de grote, internationale organisaties. Hij acht dit onvoldoende.

uering Over andere vormen van internationaal kontakt in het universitaire onderzoek is de minister duidelijk minder geestdriftig. Op het gebied van de maatschappijwetenschappen konstateert hy een te geringe omvang ervan. Toch vindt hy wel dat er voor voortzetting en uitbreiding van de samenwerking goede mogelijkheden zyn.

door Bert

Kieboom

mits de lopende Projekten goede onderzoekresultaten tonen. Aan de hand van de beleidsnota over de ontwikkeling van het sociaal onderzoek, die de regering zal uitbrengen, zullen deze mogelijkheden nader worden bekeken. In de natuurwetenschappen is de mate van internationale samenwerking nauw verbonden met de schaal van het onderzoek. In de 'big science' zal door de beperking van de overheidsbijdrage steeds meer de noodzaak tot samenwerkii^ gevoeld worden. Veel terreinen van 'Uttle science' ontwikkelen zich geleideiyk tot 'big science'. Van de medische wetenschappen is de inventarisatie zeer onvolledig. Alleen de Leidse universiteit en de Erasmusuniversiteit hebben gegevens verstrekt. Algemene konklusies voor de internationale samenwerking zyn daardoor niet mogelyk. Peynenburg liet doorschemeren dat de medische sektor in het vervolg misschien wat aktiever en enthousiaster aan een dergeiyke inventarisatie zou kunnen meedoen.

Doelmatig Volgens de direkteur-generaal voor het onderwys, dr. E. van Spiegel, zyn de universiteiten er niet zo erg op uit zich te meten met andere onderzoeksinstellingen. Wil de doelmatigheid van het onderzoek toenemen, dan moet het beter bespreekbaar worden. Behalve het universitaire onder-

i u ook verkenningskommissie chemisch onderzoek aan 't werk

I

j-

De minister voor wetenschapsbeleid drs. M. W. J. M. Peynenburg, heeft vorige week de verkenningskommissie Chemisch Onderzoek geïnstalleerd, die een globale beschryving en beoordeling moet geven van het chemisch onderzoek dat de overheid financiert. Hierby zal ook worden gekeken naar het chemisch technologisch, maar niet naar het biochemisch onderzoek. Halverwege 1979 wordt een eindrapport van de kommissie verwacht, dat aanknopingspunten zal moeten bieden voor het ontwikkelen van een beleid. Bij het installeren van de kommissie heeft Peynenburg uiteengezet welk belang hy hecht aan samenwerkingsverbanden, zoals verkenningskommissies en sektorraden, als instrumenten van wetenschapsbeleid. Hy vindt ze bijzonder geschikt om hiaten of doublures te voorkomen. De bewindsman verwacht ook dat het rapport van de verkenningskommissie zal kunnen helpen by de ontwikkeling van een innovatiebeleid, onder meer door een lange-termijnvisie te geven. Het zal kunnen by dragen tot een verdieping van de gedachtenvormlng over de toekomst van de chemie by onderzoekers, onderzoekorganisaties en gebruikers van onderzoekresultaten. Eerder werden verkenningskom-

missies ir^esteld voor bouwen en wonen, sociaal wetenschappelijk beleidsonderzoek, onderwijsresearch en onderzoek voor het ruimteUjk beleid. Volgens Peynenburg hebben ze grote invloed op de voorbereiding van het beleid. Konkrete Projekten zyn er al uit voortgevloeid. In het Wetenschapsbudget 1976 werden nieuwe verkenningskommissies aangekondigd voor natuurkunde, scheikunde, medische wetenschappen en landbouw. Daarvan is de nu geïnstalleerde kommissie de eerste. Nu de uitgaven voor onderzoek onder sterke ekonomische druk zijn komen te staan, zullen dei^eiyke kommissies steeds meer tot taak krygen aan te geven welke bydrage een bepaald vakgebied kan leveren. Liever dan al het onderzoek in gehjke mate te besnoeien, zoekt de minister het in het verleggen van aksenten en aktivlteiten op grond van prioriteiten. Overigens verwacht hy dat het instrument 'verkenningskommissie' over enige tyd nog eens grondig herzien zal worden, als een aantal meer permanente strukturen, zoals RWO-afdelingen, onderzoekkommissies van sekties van de Akademische Raad en sektorraden zich hebben ontwikkeld. (GUPD-Utrecht)

zonne-energie, kernfusie en energie-analyse. Vooral de grote opties en het lange-termynonderzoek zullen internationaal tot uitvoering worden gebracht.

Exportartikel

zoek omvat de inventarisatie ook het buitenuniversitaire. Het eerste is naar disciphnes, het tweede naar aandachtsgebieden gegroepeerd. Geeft Peynenburg nu al toe, dat er reden is tot emge bescheidenheid over het Nederlandse research-potentieel — met name het aantal wetenschappelijke publikaties is niet indrukwekkend —, hy zegt er uitdrukkeUjk by aan een waarde-oordeel, uitmondend in keiharde keuzes, nog niet toe te komen. Dat moet nader worden uitgewerkt. Wat het buitenuniversitaire onderzoek betreft, is één van de konklusies, dat de reeds aanzieniyke internationale samenwerking in het energieonderzoek, waar mogelyk, zal worden geïnvesteerd. Vooral wordt gedacht aan onderzoek op het gebied van wind- en

Bemen wordt of en hoe op het gebied van bodem, water en atmosfeer de internationale samenwerking kan worden uitgebreid. Hetzelfde geldt voor de gezondheidszorg en -bescherming. Een vraagstuk hierby is dat de prioriteitsstelling in de diverse landen sterk uiteen loopt. Verder zal de overheid het nodige eraan moeten bijdragen dat de belangryke know how op het gebied van de waterstaat in toenemende mate een 'exportartikel' wordt. In handel en industrie heeft de invloed van de overheid haar beperkingen. Toch zijn er voor haar taken w^gelegd wat betreft het onderzoek voor de ekonomischestruktuurpoUtiek en de grondstoffenvoorziening. De Europese Gemeenschappen kunnen hiervoor het kader zyn. Op de kwestie van de ontwikkelingssamenwerking heeft Peynenburg nog geen antwoord klaar Uggen. Met beleidskonklusies wordt gewacht op de aanbevelingen van

Bestuurslid

Stichting

Jos Wegman

Studenten

Minister drs. M. W. J. M. Peijnenburg de Raad van Advies voor het Wetenschappeiyk Onderzoek Ontwikkelingssamenwerking. De nota is in de Ministerraad behandeld. De minister verwacht dat de nota aanleiding zal zijn tot een vervolgstudie. Over de vorm daarvan moet nog worden overlegd. (GUPD, Utrecht)

Gezondheidszorg:

VUSO-aanval op SSGZ poging om LOG zwart te maken Jos Wegman, (SR)VU-vertegenwoordiger in het SSGZ-bestuur schrift oTis het volgende: 'Dai, het een twijfelachtige eer is te behoren tot de VUSO werd weer eens bewezen door het artikeltje in Ad Valvas van 14 april over de financiële positie van de student, waarin blijkbaar zonder enige kennis van zaken uitspraken werden gedaan over de SSGZ. Nadat vorig jaar juü op een stel onjuistheden in een VUSO-artikel is gewezen door de VU-vertegenwoordigers In het SSGZ-bestuur zou je verwachten dat ze beter wist«n, maar Emiel Stolp wenst biykbaar niet verder te kijken dan zqn neus lar^ is. Ik zal niet ingaan op de redenen van zyn hernieuwde uitval naar de SSGZ, behalve dan het hier vooral gaat om een pogir^ het LOG zwart te maköi, door te suggereren dat het financiële of reklamebelangen heeft by het voortbestaan van de SSGZ (terwyi dat het LOG juist geld en mankracht kost; dat hebben we i.t.t. het ISO/VUSO/Stolp wel over voor het voortbestaan van de enige Nederlandse studentenziektekostenverzekerir^ die niet onder controle staat van een kommerciele grote broer in de verzekeilngswereld). De hier volgende informatie geeft een wat realistischer beeld van het doel en funktioneren van de SSGZ, en zal het hopehjk b e ^ y pelijk maken waarom de RSA voor de SSGZ kiest en alle studenten die zich niet via het ziekenfonds kunnen verzekeren dat ock moeten doen. De SSGZ werd in 1954 door en voor de imiversitaire bevolking opgericht, en kent dan ook een bestuur dat bestaat uit studentendekanen, -artsen en -psychologen, deskundigen uit de medische wereld en studenten. Dit bestuur bepaalt de omvang van het verzekeringspakket en de voorwaarden voor akseptatie en uitkering bij 'schade' (en daarmee de prijs van het geheel), en niet, zoals door Stolp wordt geschilderd: de Nationale Nederlanden. Dat is nu juist een punt waarin de SSGZ zich onderscheidt van de andere ziektekostenverzekeraars, die door hun koepel worden gebruikt om de zgn. goede risiko's in de wacht te slepen (een lukratieve klantenkring scheppen dus, waarvoor ze best een paar tientjes prijsdumping beneden de SSGZprys overhebben). Het is niet in hun belang de minder gezonden binnen te halen (slecht risiko by een levensverzekering), daarom sluiten ze hen — of hun zieke onderdelen — uit van verzekering, i.t.t. de SSGZ, die ieder aksepteert als verzekerde, en

ook niet de vervelende onderhandelingsprocedure over het uitkeren van 'schade' kent die de andere verzekeraars (mji. TTNIAC en OHRA) ken-merken: er wordt uitgekeerd wat je claimt, want daar heb je recht op.

SSGZ moest toeleggen

erop

De NN heeft aUeen met de SSGZ te maken als herverzekeraar: de SSGZ verzekert, omdat ze niet op kalamiteiten is berekend, bijna al haar risiko's bij NN (en heeft daarbii een zo lage premie bedongen dat NN er geen cent van over heeft gehouden de afgelopen S5 jaar, maar er op heeft moeten toeleggen). Dat de SSGZ er zelf reserves (26% van de totaalpremie) op nahoudt is een gevolg van de Wet op het Schadeverzekeringsbedrijf. Zonder deze reserves zou de SSGZ niet m<^en bestaan. Omdat ze bij een ontheffing van deze regeling de premie kan verlagen loopt een door SSGZ gestarte procedure, die in de Has^se papiermolen verzeild is geraakt. Allesoverheersend doel van de SSGZ is studenten in het ziekenfonds te krijgen en tot op dat ogenblik een pakket te bieden dat het ziekenfondspakket zoveel mogelyk benadert, maar tegelijk betaalbaar moet zijn voor studenten. Dat betekent: een ziekenfondspakket voor ongeveer 30% van de gangbare prys brengen. Daarby moet naar noodmaatregelen worden gegrepen: in samenwerkii^ met de universiteiten springt de SSGZ in bij noodgevallen die niet binnen de letter van de polis valIsn via een noodfonds. Daarby gaat het vooral om tandheelkundige verzorging, maar ook om het opkalefateren van vaak gemartelde vluchtelingen-studenten (die nergens anders kunnen worden verzekerd door het UAP zoals het dat wil). Tandheelkundige verzorging is moeUyk goedkoop te verzekeren, wanneer je tenminste meer wil bieden dan de UNTAC, die onder het mom van tandheelkundige zorg alleen dekking biedt voor het uittrekken van tanden en kiezen. In het SSGZpakket voor de komende jaren

wordt hieraan gedaan wat mogeUJk is: volledige dekking voor de na 1968 geborenen, noodfonds voor ouderen. Een ander punt voor de SSGZ is het laaghouden van de drempel om naar een arts te gaan, vandaar het lage eigen risiko (ƒ 30,— tegenover ƒ 50,— tot ƒ 75,— bij anderen). Dit goede, goedkope, voor ieder toegankeUjke en sociaal uitkerende verzekerit^spakket heeft de SSGZ alleen op kunnen bouwen door de onafhankehjkheid van beleid en de samenwerking hierin van de universiteiten, die een terechte keus doen door minder sociale en zelfs kommerciele verzekeraars de deur te wyzen.

Huisartsenhulp Rest me nc^ om de bewerii^ van Stolp te ontzenuwen dat de ƒ 160.000,— die de RSA uittrekt voor huisartsenhulp voornamelijk ten goede komt aan de SSGZ. De meeste studenten zijn verzekerd via het Ziekenfonds (hetzy van hun ouders, hetzy door him eigen baantje), maar hebben vaak geen huisarts in Amsterdam, want daar is er vaak geen te vinden. Dat maakt de studentenarts juist nodig evenals 'VUdont'. Wanneer zij naar de (gratis) studentenarts gaan betekent dit dus in feite ontlasting van hun eigenlyke huisarts. De SSGZ-verzekerden die, om de ƒ 30,— eigen risiko te ontlopen, by de studentenarts aankloppen doen dat ten dele in hun eigen voordeel (nl. maximaal ƒ 30,—) ten dele in dat van NN (want die moet alle claims uitkeren die SSGZ binnenkrijgt). Voordeel voor SSGZ zit er dus niet by (i.t.t. niet-zelfstandige verzekeraars, dus dochterondernemingen). Verder zijn er nog de niet-verzekerden, die nergens anders kunnen aankloppen dan bij de studentenarts of erg duur uit zijn. Binnenkort zal de SSGZ-premie voor het komende jaar worden vastgesteld, waarschynlyk op ƒ 375,—. Laat je by je keuze voor een verzekering niet alleen leidMi door de paar gulden prysverschil van de SSGZ met anderen, maar ook door het geboden pakket en wat je in de praktyk voor je geld krijgt: door het sociale akseptatiebeleid is de SSGZ een verzekering voor sterken én zwakkeren, door het soepele uitkeringsbeleid ben je meestal beter uit dan b" de op het oog goedkopere OHBA en DNIAC.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 355

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's