Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 65

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 65

13 minuten leestijd

AD VALVAS — 30 SEPTEMBER 1977

Voorzitter evaluatiecommissie

Wet Universitaire Bestuurshervorming

prof. dr. J. M. Polak:

'Maak van universiteitsraad meer adviesorgaan' Terwijl een groot deel van de universitaire wereld in den vreemde het niet alledaagse genoegen ten deel viel om in een rustiek geaccidenteerd terrein te verkeren of zich in gepaste ledigheid op een zonovergoten strand op te houden, kreeg staatssecretaris Klein, één van de achterblijvers, een rapport aangeboden, waar met koel cijfermateriaal nogal enige twyfel werd geuit of die vakantiepret nu wel in alle opzichten zo verdiend was. Het rapport dat de bewindsman in de zomervakantie werd aangeboden, was afkomstig van de Commissie voor de Bestuurshervorming, naar haar voorzitter genoemd, beter bekend als de commissie Polak. De commissie had de staatssecretaris niet veel vrolijks te melden. Uit een door de commissie verricht inventarisatie-onderzoek — peildatum 1 februari 1977 — was gebleken dat er nogal het een en ander schortte aan de mate waarin de Wet Universitaire Bestuurshervorming, de WUB, op de universiteiten is ingevoerd. Anno 1977, het jaar waarin de in '73 van kracht geworden WUB oorspronkelijk geëvalueerd zou worden, blijkt slechts bij een kwart van de in totaal 200 (sub) faculteiten de wet volledig doorgevoerd te zijn. Nog somberder wordt het beeld als de schijnwerper zich op het basisniveau richt. Zo blijkt dat er op het punt van de instelling van vakgroepen nagenoeg geen vooruitgang ten opzichte van voorgaande peilingen is geboekt. Weliswaar heeft tweederde van de faculteiten thans vakgroepen ingesteld, maar als er wordt gelet op het vereiste overleg met de Academische Baad en op de samenstelling van de vakgroepsbesturen, dan blijkt dat er slechts in een kwart van de gevallen de instelling van vakgroepen geheel conform de WUB is verlopen. Geen opwekkend beeld, al moet wel geconstateerd worden, dat er over de gehele linie genomen toch wel van enige vooruitgang sprake is. Schreef de commissie verleden jaar nog naar aanleiding van een eerder gehouden inventarisatieonderzoek (peildatum november 1975) dat gevreesd moest worden dat "het proces van invoering zal stokken lang voordat het voltooid is", in haar laatste rapport komt de commissie tot een wat milder oordeel. Er is vooral op facultair niveau van enige vooruitgang sprake, maar hoe verheugd de commissie zich hier ook over vertoont, het totale beeld blijft somber. De invoering van de WUB verloopt te traag. De universiteiten zullen de komende maanden, daartoe nog eens extra aangespoord door Klein, de handen uit de mouwen moeten steken, waarbij men zich dan vooral op de instelling en samenstelling van vakgroepen, het ontwerpen van (sub) faculteitsreglementen en de naleving van de wettelijke voorschriften voor de samenstelling van de henoemin^scommissies zal moeten richten, want on die punten, zo blijkt uit het inventarisatie-onderzoek, is er van de WUB nog niet zo veel terecht gekomen. De tijd dringt, te meer daar door de tussentijdse wijzigingen van de wet bepaald is, dat als voor 1 mei 1978 de (sub) faculteitsreglementen, waarin ook de instelling van vakgroepen verwerkt moet worden, nog niet klaar zijn, men in Den Haag noodgedwongen het heft in eigen handen moet nemen en de betreffende (sub ) faculteiten een reglement moet opleggen. Een allerminst rooskleurig vooruitzicht, dat echter volgens de commissie-Polak geen werkelijkheid hoeft te worden als de universiteiten de zaak energiek aanpakken. Met een goed plan de campagne acht de rommissie het haalbaar dat voor 1 februari van het volgend .iaar de WUB volledig ingevoerd kan zijn. Een ambitieus streven? De voorzitter van de commissie, prof. Polak, voormalig rector magnificus van de Landbouwhogeschool te Was-eningen en thans voor de W D lid van de Baad van State, blijft optimistisch gestemd en acht die datum alleszins haalbaar. Zijn gemoedstemming wordt echter bedrukter als we met hem over de conclusies nraten die naar ziin mening uit dit trage invoeringstempo van de WUB vetrokken moeten worden. Het geloof is gebleven dat de WUB zoals Polak dat zelf uitdrukt "in essentie eep goede wet is", maar de Wijze waarop die wet wordt ingevuld leidt bil hem tot sombere conclusies. Een ongezonde dosis wantrouwen, te lange vergaderingen en een vreemd mengsel van sneelsheid en bittere ernst heeft volgens Polak het functioneren van de WUB veel nadeel berokkend. Geen opwekkend geluid van iemand die in de toekomst met /iin commissie een belangrijke rol zal spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het WUB-experiment. Polak: 'De situatie is zorgwekkend, al is het natuurlijk geen verrassing dat uit dit inventarisatie-onderzoek deze resultaten te voorschijn zijn gekomen. We hebben het in de commissie al lang zien aankomen dat de WUB erg traag zou worden ingevoerd. Wat dat betreft kan ik moeilijk zeggen dat de uitkomst van dit onderzoek me erg tegenvalt. Verplaats ik me echter terug in 1972 en u had me toen naar het tijdstip gevraagd, waarop in ieder geval de wet volledig ingevoerd zou zijn dan had ik, maar ik ben van nature een groot optimist, zeker geantwoord dat het in 1977 ook op het basisniveau wel voor elkaar zou zijn. In hoeverre kun je dus wel van een tegenvaller spreken. Het gaat erg langzaam en ja... het is ergens ook wel te begrijpen. De herprogrammering en de planning hebben veel aandacht geëist en daar waar de zaken redelijk goed lopen is men natuurlijk niet zo gauw bereid om veranderingen aan te brengen. Begrijpelijk, maar de wet is er en om een heleboel misverstanden te voorkomen is het ook zeer gewenst dat men zich snel aan de WUB aanpast. We hebben dat in ons rapport heel sterk benadrukt, want je krijgt een heel onduidelijke en gecompliceerde situatie als in een faculteit, waar de wet nog niet is ingevuld, een conflict ontstaat. In die paar gevallen waar het mis is gegaan, kon je dat ook duidelijk zien. Dan kwamen er op het scherp van'üe snede vragen als: is er nu wel of niet een vakgroep? Of bestaat de oude leerstoel nog? Strijdpunten, waarvan je toch in gerede mag zeggen dat men ze na

zoveel jaren toch echt geregeld had moeten hebben. Valt die traagheid nu helemaal te verklaren uit het vele huiswerk dat de universiteit de laatste jaren vanuit Den Haag gekregen hebben? In het rapport van Uw commissie wordt daar nogal een groot vraagteken achter geplaatst. Door de verdeling van de bevoegdheden over drie lagen — de vakgroepen, de faculteiten en het topniveau — zijn de universiteiten natuurlijk geen organisaties die even snel iets kunnen doorvoeren. Je wordt geconfronteerd met een sterk gedecentraliseerd stelsel waarin men wat aan de basis gebeurt en ook wat daar niet op gang komt, grotendeels maar op zijn beloop laat. Een krachtdadig optreden van een College van Bestuur zou ook door een heleboel van de direct betrokkenen als heel vreemd worden ervaren. Je kan dus eigenlijk alleen maar hopen dat men dan in de faculteiten zelf snel de maatregelen doorvoert. Welnu dat is met de WUB onvoldoende gebeurd. Daarnaast zijn onze universiteiten natuurlijk ook geen slagvaardige organisaties. Ik geloof dat iedereen het daar wel over eens zou moeten zijn. Het zijn immobiele organisaties met alle nadelen van dien. Weinig veranderingsgezind. Een ingebakken conservatisme. Zo kun je het ook noemen. Ik durf de stelling wel aan dat de universiteiten in de jaren zestig slagvaardiger waren en dat er meer verrassende nieuwe dingen uitkwamen dan vandaag de dag het geval is. Het financieel klimaat is nu natuurlijk erg verslechterd,

Door Johan

Kortenray

maar toch, het toevoegen van nieuwe studierichtingen bij voorbeeld, als je kijkt hoeveel moeite en tijd dat nu kost. Dat ging zo'n tien jaar geleden, toen de macht bij enkelen was geconcentreerd, heel wat sneller.

Slagvaardiger Door de WUB is de bestuurskracht afgenomen. Ik geloof dat een democratische organisatie best slagvaardig kan optreden. Het hoeft niet het gevolg van de constructie van de WUB te zijn, maar als men de democratische spelregels zo hanteert als nu in veel universiteiten gebeurt, dan wordt dat immobilisme wel versterkt. Waar schort het dan aan? Men mist de terughoudendheid en ook de bereidheid om bepaalde zaken over te laten aan andere organen, die men vroeger wel kon opbrengen. Er wordt kort gezegd, te veel vergaderd over te weinig en daar kan je met een wet niets aan veranderen. Ik vind dat het besturen aan de universiteit bijzonder amateuristisch gebeurt en dan amateuristisch in de zin van het zich enigszins argwanend opstellen tegenover andere bestuurlijke organen. Het gevolg is dat men te veel naar zich toetrekt en belangrijke zaken blijven liggen. Benoemingen bij voorbeeld duren vandaag de dag veel te lang en dat brengt onnodige schade toe aan onderwijs en onderzoek. Nu moet ik oppassen dat ik niet te veel generaliseer, want er zijn ook faculteiten die met een WUB-structuur heel slagvaardig opereren, maar in het algemeen wordt er toch te veel aandacht aan zaken besteed, die dat niet waard zijn. Ik vind het verschrikkelijk jammer. Te meer omdat ik vrees dat deze constatering bij de eindrapportage over het functioneren van de WUB een negatieve rol zal gaan spelen. Maar waar is die vergaderwoede dan aan te wijten? Niet aan de wet. Het ligt meer aan de mensen die de WUB moeten uitvoeren en dan kom ik toch terug op die argwaan. Het alom aanwezige wantrouwen, dat men het ergens anders wel niet zo zal willen en dat je er dus steeds op bedacht moet zijn dat je eigen standpunt voldoende doorklinkt. Daar wijt ik het voor een groot deel aan. Ik kan me niet voorstellen dat er veel mensen zijn die zich, met welbehagen voornemen om nu eens een hele dag te gaan vergaderen, maar ja als een bestuur met een voorstel komt en men heeft dan al snel de gedachte, dat er wel weer iets achter zal zitten dat niet uit de stukken blijkt, ja dan wordt het vaak een lange zit. Je hoeft maar een paar mensen in een raad te hebben die zo denken en de onrust is er. Een verdrietig resultaat en wel in twee opzichten. Het dagelijks werk wordt er door benadeeld en de beeldvorming naar buiten wordt er ongunstiger op en vooral dat laatste kan bij de uiteindelijke evaluatie van de WUB vervelende consequenties voor de universiteiten hebben.

Argwaan Maar u gaat niet zo ver als de Kamerfractie van uw partij die uit de trage invoering van de WUB de conclusie trekt, dat de wet self ernstige tekortkomingen in sich heeft. Bij de uiteindelijke beoordeling van de WUB zullen we zeker moeten nagaan waaraan die trage invoering nu precies te wijten is, maar ik vind het nu veel te vroeg om nu al met een definitief oordeel te komen, hoewel het feit dat het allemaal zo langzaam gaat op zich natuurlijk wel een negatief

gegeven is. Een wet die alom wordt toegejuicht zou natuurlijk sneller ingevoerd zijn. Maar we moeten oppassen dat we een al te somber beeld schetsen. Er zijn ook positieve ontwikkelingen te bespeuren. Dat het proces van besluitvorming zich nu in de openbaarheid voltrekt, vind ik persoonlijk een zeer groot winstpunt, maar wat ik alleen niet begrijp is dat desondanks toch die argwaan is blijven bestaan. Bij het invoeren van de wet dacht ik nog dat als je alle betrokkenen inzicht in het bestuurlijk functioneren geeft, dat men dan vanzelf wel zou ontdekken dat er niet veel reden voor dat wantrouwen is. Dat men in de jaren zestig argwanend was, kan ik begrijpen, maar nu alles open gegooid is, verbaast het me zeer dat men het nog is en misschien zelfs in sterkere mate. U ervaart dat als een onbegrijpelijke ontwikkeling? Ja, maar misschien komt het wel omdat men in het algemeen meer polariserend is gaan denken. Nu moet ik bedachtzaam zijn want ik begeef me op een terrein, waarop ik niet deskundig ben, maar ik denk dat het voordeel van polarisatie, het scherper accentueren van standpunten, maar heel betrekkelijk is. Ik geloof zelf niet zo in polarisatie en ik denk ook dat er niet zoveel mensen tegen bestand zijn. Misschien is dat wel een verklaring. Die tendens tot polariseren, die vooral in het wetenschappelijk onderwijs merkbaar is en dat dan zeer ten nadele van de universiteiten. Ik hoop dat die onderlinge samenhangende vergaderlast niet al te zeer in het meningenonderzoek gaat overheersen, waarmee wij dit najaar een aanvang hopen te maken. Het zou te verkiezen zijn dat uit de meningen van de ca. 4000 personen uit de universitaire wereld, die bij dit onderzoek betrokken zullen zijn, sterk de overtuiging doorklinkt, dat het vooral aanloopmoeilijkheden geweest zijn en dat men wel behoorlijk met de wet uit de voeten kan en dat men de essentie van de wet: een stelsel van een bestuur op drie niveaus waaraan alle geledingen in principe deelnemen, een goed uitgangspunt blijft vinden. Het zou erg teleurstellend zijn als het eindoordeel zou moeten zijn, dat we op een ander systeem dienen over te gaan, a l . zal deze wet waarschijnlijk wel enige wijziging behoeven. Waar denkt u dan aan?

Ik vind dat de verhouding tussen het college van bestuur en de universiteitsraad beter geregeld moet worden. Te veel universiteitsraden geven blijk van een te ruime opvatting van hun taak. Over deze materie hebben we als commissie in het verleden al vaker gerapporteerd en wat bij voorbeeld het beheer en het personeelsbeleid betreft, zijn in de wijzigingswet de bevoegdheden ook scherper omlijnd, maar ik zou me kunnen voorstellen dat in de nieuwe wet de universiteitsraad nog duidelijker wordt teruggebracht naar wat volgens mij behoort te zijn: een orgaan waarvan de betekenis meer in de adviserende dan in de beslissende sfeer ligt. De wijzigingen van de WUB gaan in dat opzicht niet ver genoeg. Als men zich de wijzigingen ter harte neemt, is al een heleboel bereikt. Dus ook hier het devies om eerst af te wachten wat men er van maakt. Ik hoop dat de universiteitsraden bereid zijn om die stap terug te doen. Men moet niet, wat nu te veel gebeurt, altijd precies oprukken naar de grenzen, die door de V^UB gesteld worden. Dat gedrag om alles uit de toegekende bevoegdheden te halen wat er maar uit te halen is, moet verdwijnen. Het zou van een wijs beleid getuigen als men eens vaker zou zeggen: we kunnen ons in principe over deze zaak uitspreken, maar we laten het gaarne over aan het college van bestuur. Die vorm van terughoudendheid zou men vaker in acht moeten nemen. Ik vind ook dat te veel vergaderingen eindigen in moties, die dan ook nog vaak in prikkelende bewoordingen zijn gesteld. Erg onverstandig, want meestal weet men voor het indienen van een motie wel hoe de kaarten op tafel liggen, maar ja ook dat is waarschijnlijk weer een uiting van het polariserend denken. Het moet per se in een motie. Er zit natuurlijk ook een sportief element in. Misschien dat ik dat te veel uit het oog verlies. Vooral bij de studenten speelt een zeker ludiek element mee, alleen het is op een merkwaardige wijze verbonden met hoge ernst. Vroeger waren de studenten enkel ludiek, nu zijn ze op een voor nietstudenten niet altijd te begrijpen manier ludiek en ernstig tegelijk. Het is enigszins te vergelijken met de situatie dat je iemand ontmoet

Vervolg op pag. 11

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 65

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's