Ad Valvas 1977-1978 - pagina 19
AD VALVAS — 2 SEPTEMBER 1977
Voorlopig kommentaar
'
RS A-VU: vermoedelijk
bezuiniging bezuiniging hoofdmotief
voorzieningen voor de Klein wil af van speciale voc universitaire imiversitaire studenten s t u d e n t e n a a n h e t wetenschappelijk onderwijs dienen wat betreft h u n sociale voorzieningen geen bijzondere positie i n de samenleving in t e nemen. De universiteiten en hogescholen moeten zich richten op de behartiging van problemen die direkt met de studiesituatie s a m e n hangen, al zal de universiteit in zekere m a t e verantwoordelijk blijven voor h e t welzijn van de studenten (evenals van h e t personeel). Op grond v a n deze uitgangspunten komt staatssekretaris Klein in een brief v a n 1 augustus tot m a a t r e g e l e n als een verdubbeling van de s t u dentenbijdrage voor sport en h e t afstoten v a n tandheelkundige zorg voor studenten door de universiteit. Studenten moeten verder voor medische en psychologische hulp in de eerste p l a a t s verwezen worden n a a r de huisarts, dan wel n a a r algemeen maatschappelijke welzijnsorganen. Verder streeft Klein n a a r een landelijke normering van de uitgaven voor de gehele studentenwelzijnszorg, h e t studium generale en de esthetischte en kulturele vorming.
Integratie, maar studenten niet in het ziekenfonds Het is nog onduidelijk wat de konsekwenties zullen zijn voor de VU. De R a a d Studentenaangelegenheden (RSA) zal er vermoedelijk eind september over g a a n vergaderen. Het dagelqks bestuur van de RSA konstateert in een konceptkonunentaar een opmerkelijke inkonsekwentie in de gedachtengang v a n de staatssekretaris. A a n de ene k a n t wordt ern a a r gestreefd de studentenvoorzieningen op te n e m e n i n of gelijk te schakelen a a n de algemene voorzieningen. Dit is ook h e t m o tief om s t u d e n t e n meer d a n tot nu toe voor sport te l a t e n betalen. Aan de andere k a n t blijkt deze integratiegedachte geen aanleiding om bijvoorbeeld s t u d e n t e n in h e t ziekenfonds op te n e m e n . Men vermoedt d a n o«k d a t h e t Klebt meer om bezuiniging dan om integratie te doen is. Do staatssekretaris merkt i n zijn brief op d a t de studiefinanciering en de koUektieve studentenvoorzieningen i n de loop der j a r e n ieder h u n eigen weg hebben gevolgd. Hij verwijst daarvoor n a a r de parlem.entalre behandeling van dit onderwerp. Het rondschrijven van de RSA h e r i n n e r t e r a a n d a t verschillende algemeen maatschappelijke voorzieningen vaak niet of slechts beperkt voor studenten open s t a a n . S t u d e n t e n -hebben veelal te weinig geld om lid te worden v a n een 'burgersportorganisatie' of om h u n gebit afdoende t e verzorgen. Individuele huursubsidie is voor s t u d e n t e n nauwelijks mogelijk en een ziekenfondsverzekering als s t u d e n t helemaal niet. 'Hoewel de brief
Doar Johan de Groot van de staatssekretaris melding m a a k t van enkele problemen op dit gebied, wordt versiuimd de konklusie h i e r a a n te verbinden d a t hetziy de studiefinanciering h i e r a a n moet worden aangepast, hetzij indirekte steunvormen noodzakelijk blijven totdat een werkelijke integratie Is bereikt.' Aldus h e t koncept-kommentaar van de RSA. Vervolgens werpt m e n de vraag op vanuit welke basisfilosofie over onderwijs de staatssekretaris de m a t e van verantwoordelijkheid van de universitaire instellingen voor de studentenvoorzieningen bepaalt. Men heeft geen bezwaar tegen de n o r m e r i n g van welzijnst a k e n mits deze rekening houdt met onder meer historisch gegroeide t a k e n p a k k e t t e n en h e t elgen k a r a k t e r v a n de verschillende instellingen. Dr. Klein schrijft d a t de r u i m t e voor studenten — n a a s t algemene voorzieningen a f h a n g t v a n de a a r d en omvang van de voorzien i n g e n evenals van de financiële betrokkenheid v a n de overheid erbij. HlJ heeft niet geprobeerd te komen m e t een nieuwe basisfilosofie omdat hij d a a r m e e wil w a c h ten tot n a de standpuntbepaling v a n de Academische R a a d (AR) ten a a n a e n v a n een rappwrt v a n de Commissie S t u d e n t e n v o o r ä e ningen van de R a a d . I n d a t r a p port wordt de hele problematiek nog eens uitgespit (zie k a d e r ) .
Kleins
richtlijnen
W a t zijn de preciese r i c h t l e n e n van Klein? De universitaire gezondheidszorg (UGZ) dient een vooral preventief k a r a k t e r te krij-
gen met (evenals de bedrijfsgeneeskundige zorg) een aksent op voorlichting. S t u d e n t e n moeten in de eerste plaats worden verwezen n a a r de algemene gezondheidszorg. Het systeem van a a n de UGZ gelieerde huisartsen Is d a a r mee i n overeenstemming. Hoewel Klein weet heeft van de problem e n op dit gebied vindt hij t a n d heelkundige zorg geen t a a k van de universiteit. De universiteiten moeten aanstaande studenten m a a r vast wijzen op h e t belang van een goed gebit en a a n r a d e n eventuele sanering vóór de studie te laten doen.
van de b u r g e r m a n moet de gemiddelde bijdrage, n u nog vaak onder de veertig gulden, omhoog. I n 1978 veertig, i n 1979 zestig en i n 1980 vijfenzeventig gulden per j a a r . Gerekend n a a r de prijzen v a n nu. Universitaire sportakkommodatie mag, zy h e t incidenteel, ook door andere studerenden en door u n i versitair personeel blijven worden gebruikt. M a a r d a n wel tegen een 'redelijke' huurprijs. Het HBO en i n h e t bijzonder de nieuwe lerarenopleiding d a a r e n t e g e n hebben echter r e c h t op een meer tege-
Ook s t u d e n t e n m e t psychologische problemen moeten bij voorkeur worden doorverwezen. Toch h e b ben studentenpsychologen, evenals studentenartsen, nog wel b e staansrecht vanwege h u n kennis v a n de leefomstandigheden v a n studenten. Aan de onafhankelijke positie van pastores en h u m a n i s t i sche raadslieden dient niet getornd te worden. Ze worden b e t a a l d door de kerken of h e t H u manistisch Verobnd. E r is echter geen bezwaar tegen een benerkte verruiming van h u n materiële faciliteiten als een tegemoetkoming in de algemene pastoraatskosten. Op de VU schijnt deze wijze v a n ondersteiming al in vrij ruime m a te te gebeuren.
tuurbescherming te vervangen door de term natuurbehoud (nature conservation), een begrip dat minder paternalistisch klinkt en waaronder we kunnen verstaan: het behoud van differentiatie in de natuur, het tegengaan van nivellering, het in stand houden van de rijke verscheidenheid in milieutypen, een voorwaarde voor het voortbestaan van zoveel mogelijk soorten van planten en dieren. Bij natuurbehoud valt de nadruk meer op behoud van de oecosystemen dan van de afzonderlijke planten- en dierensoorten. Voorts klinkt in deze benadering ook door dat de mens, zeker in een land als Nederland, in het verleden in hoge mate heeft bijgedragen tot de rijke verscheidenheid aan oecosystemen.
Natuurbeheer (nature management) vindt met name plaats in natuurreservaten waarbij wel onderscheid wordt gemaakt tussen uitwendig beheer en inwendig beheer. Uitwendig beheer' van een reservaat bestaat in isolatie tegen, in afweer van storende invloeden van buiten af. Als storende factore" vallen te noemen ontwatering en ' eutrofiëring. Inwendig beheer is het treffen
moetkomende houding d a n i n h e t verleden, vindt Klein. H e t s t u d i u m generale heeft »bestaansrecht als onderwysgebonden voorziening d a a r zij h e t i n zicht i n de s a m e n h a n g der wetens c h a p p e n bevordert. B i n n e n b e paalde grenzen zijn de instellingen vrij a a n de esthetische en k u l turele vorming zelf inhoud t e geven. De prioriteit v a n de m e t deze beide voorzieningen gemoeide kost e n zal moeten worden getoetst in h e t overleg over de verdeelmethodiek v a n de financiële middelen. De kriteria voor subsidieverlening a a n algemene studentenverenigingen voor bijvoorbeeld culturele vorming of introduktie van eerstejaars mogen de universiteiten zelf bepalen. D i t s t a n d p u n t v a n de staatssekretaris is in overeenstemming m e t een advies v a n de CSV u i t april 1975.
AR-commissie studenten -voorzieningen is verdeeld studenten moeten een minimuminkomen krijgen, zodat ze financieel onafhankelijk van hun ouders kunnen zijn. Bovendien moet de rechtspositie van studenten dringend geregeld worden. Dit zijn twee uitspraken waar de voltallige Commissie Studentenvoorzieningen van de Academische Raad blijkens haar rapportage achter staat. Op vele andere punten bleek een minderheid van 40 pet. een te sterke eigen visie te hebben om tot overeenstemming te kunnen komen. Het rapport is vorige week door het dagelijks bestuur van de AR behandeld. Van drs. Eddy Dijkstra, tijdelijk koördinator Raad Studentenaangelegenheden VU, hoorden wij dat de standpuntbepaling van de AR vennoedeUjk nog maanden zal duren. Hij zegt dat de verschillen tussen m.eerderheidsen minderheidsrapport nogal onduidelijk waren en dat men toch wil proberen tot een adviesnota (aan de staatssekretaris) te komen. De rechtspositie van studenten zou volgens een voorstel van de minderheid van de kommissie kunnen worden vastgelegd in een soort CAO, een kollektief kontrakt tussen studenten en onderwijsinstellingen. Tot nu toe is het zo dat studenten wel plichten hebben (colleges volgen, tentamens afleggen) maar vrijwel geen rechten (bijvoorbeeld op studiebegeleiding of goed onderwijs).
De staatssekretaris ziet er geen been in studenten tegen een gpreduceerd tarief in h e t ziekenfonds op te n e m e n d a a r dit ongeveer duizend gulden per s t u d e n t per j a a r zou kosten. I n afwachting van een wet op de algemene gezondheidszorg, d a n wel m a a t r e g e len in de richting v a n een algemene premiereduktieregeling zlin van h e m geen initiatieven te verWachten. Voorts v r a a g t hii zich af of universitaire noodfondsen t e genwoordig nog noodzakelijk zijn. Voorlopig w a c h t hij echter nog op n a d e r e gegevens over h e t funktioneren van do fondsen, die bü de begroting voor h e t dienstjaar 1979 op tafel moeten komen.
Het belangrijkste twistpunt tussen beide groepen lijkt de mate van verantwoordelijkheid van de universiteit voor de studentenvoorzieningen te zijn. Dit probleem hangt samen met de definitie van, ofwel basisfilosofie over. onderwijs die men aanhangt. De meerderheid -legt daarbij, overigens in navolging van de Contourennota, de nadruk op individuele ontplooiing, waardoor bijvoorbeeld sport en kuituur ook tot onderwijs gerekend worden. De minderheid vindt dat het ontplooiingsaspekt van onderwijs in de eerste plaats bij het basis- en vervolgonderwijs thuis horen. Het wetenschappelijk onderwijs, dat altijd eindonderwijs is, dient hoofdzakelijk tot beroepsopleiding, maar ook maatschappelijke vorming. Natuurlijk spelen ben dit alle ook nog andere zaken mee zoals de (financiële) haalbaarheid en een meer of minder uit principe gewenste gelijkschakeling van studentenvoorzieningen met algemene voorzieningen. Men is er voorlopig nog niet uit maar staatssekretaris Klein kan blijkbaar ook zonder basisfilosofie al beleid voeren. (J.d.G.)
Lichamelijke opvoeding en sport zlin geen onderwilsgebonden voorzieningen (zoals bij h e t middelbaar onderwijs), m a a r welziinsvoorzieningen. O m d a t de studentensnort meer is a a n g e n a s t a a n de behoeften van de student d a n de 'burgersDort' heeft hij nog wel b e staansrecht. Om te voorkomen d a t de s t u d e n t daardoor financieel bevoordeeld wordt t e n opzichte
niatuurbehoudin Nederland Door niet-ingewijden worden de begrippen natuurbeheer, natuurbehoud en natuurbescherming nogal eens gebruikt op een wijze die doet vermoeden dat men het onderscheid niet scherp ziet. Ik wil niet veronderstellen dat de Commissie Milieuproblematiek aan de toekomstig Algemeen Directeur van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer bij vergissing heeft gevraagd te schrijven over natuurbehoud in plaats van over natuurbeheer. Hel geeft mij echter wel aanleiding in deze bijdrage iets aver de terminologie te zeggen. De term natuurbescherming (nature protection) is de oudere naam en is gebonden aan de vorige eeuw, toen de natuurbeschermingsbeweging begon als een streven om de natuur te beschermen tegen de mens, om de natuur te vrijwaren van menselijke invloed. De term wordt echter nog steeds in algemene zin gebruikt, vooral in de samenstelling natuuren landschapsbescherming, terwijl we voorts spreken van de Natuurbeschermingsraad en van de Natuurbeschermingswet. Prof. V. Westhoff, een van de meest bekende en bekwame natuurbeschermers in Nederland heeft nieer dan eens gepleit de term na-
19
Door prof. A. J. Wiggers
objecten); gezondheidsmotief (rust, „buitenlucht", zuurstof productie door plant); informatie-motief (natuurwetenschappelijke informatie, doch ook educatieve aspecten); productieen leverantiemotief (vermeld zij slechts het begrip genenbron);' oecologisch motief (b.v. bescherming tegen bodemerosie).
Beheersvragen van maatregelen nodig voor het in stand houden van het reservaat. Voor dit inwendig beheer is een grondige kennis van de oecosystemen nodig, doch ook een doordenking van de doelstelling van het reservaat, met andere woorden: welke situatie willen we reserveren, welke waarden willen we instandhouden? Bij het inwendig beheer zal men onderscheid moeten maken tussen halfnatuurlijke landschappen (heiden, blauw graslanden) en nog vrijwel geheel natuurlijke landschappen (duinen, kwelders, etc). Bij de halfnatuurlijke landschappen, ontslaan onder invloed van de mens, is voortzetting van de traditionele agrarische beheerswijze noodzakelijk (plaggen steken, beweiden met schapen, etc), waarbij gestreefd moet worden naar „steeds hetzelfde doen" ter bevordering van stabiliteit en continuïteit. Bij de nog goeddeels natuurlijke landschappen dient allereerst te worden vastgesteld welke eigen ontwikkeling de aanwezige biotopen doormaken,
teneinde in de beheersmaatreglen daarop aan te sluiten. Natuur- en landschapsbehoud zijn „in". We onderkennen thans een groot aantal motieven, waarvan we er enkele noemen: ethisch motief (de mens heeft niet het recht de natuur naar eigen goeddunken te gebruiken, doch heeft de plicht deze optimaal te beheren); esthetisch motief (beleving van „natuuren landschapsschoon"); cultuurhistorisch motief (onze voorouders hebben door eeuwenlange activiteit cultuurhistorische informatie nagelaten in de vorm van historischgeografische structuren, monumenten van bouwkunst, archeologische
Bij de huidige ontwikkeling van het natuur- en landschapsbehoud nemen de vragen over het beheer toe, vooral sinds de publikatie van de nota's over de nationale parken en nationale landschapsparken. Om op de vele vragen op het gebied van het beheer een antwoord te kunnen geven beschikken we in ons land over het Rijksinstituut voor Natuurbeheer, een instituut dat in 1969 is ontstaan uit een fusie van het Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur (ITBON) met het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (RIVON). De naam van het nieuwe Instituut is niet erg gelukkig gekozen want hierin komt niet tot uiting dat de voornaamste taak van het^iijksinstituut voor Natuurbeheer is het verrichten van oecologisch onderzoek. Het RIN kent de volgende afdelingen: Adviezen en Algemeen Onderzoek, Bodemecologie, Botanie, Entomologie, Estuariene ecologie. Geografie, Hydrobiologie, Ornithologie, Planologische ecologie, Wildbiologie en Zoologie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's