Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 151

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 151

12 minuten leestijd

AD VALVAS — 25 NOVEMBER 1977

3

Landelijke ontwikkeling postacademisch onderwijs geen eenvoudige zaak

Dr. PJ.A. van den Akker: Profijt trekken van Franse ervaringen.

In dit artikel wordt de nieuwe ontwikkeling die het postacademisch onderwgs als gevolg van de vorige maand afgekomen landelüke regeling tegemoet gaat hesproken. Dat er allerlei haken en ogen aan vastzitten, blijkt uit de gesprekken die wg met een tweetal VU-mensen voerden, te weten dr. P. 3. A. van den Akker, pao-kontaktman voor de VU, werkzaam op het bureau planning, en de heer J. van Witteloostuyn, sekretaris van een stuurgroep juridisch pao en lid van de voorbereidlngscie landelijk juridisch pao, werkzaam als ambtelijk sekretaris op de rechtenfakulteit.

ren (ABL) is begonnen de afgelopen maand.

De heer J. van Witteloostuyn: Vu moet 'aan de markt zijn'.

De tijd dat een hooggeleerde wetenschapper oud-studenten voor een kruik jenever op een zaterdagmiddag wat bijspükerde omdat hun kennis niet meer geheel up-to-date was na enige jaren beroepsuitoefening als advokaat, arts of ekonoom, is allang voorbij. Maar eer het zover was dat de verzorging van het postacademisch onderwijs wettelijk als taak aan de universiteiten en hogescholen werd toebedeeld, zou het nog tot 1975 duren. Toen werd de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs na jarenlange bestudering van de problematiek met deze opdracht aangevuld. De vorige maand werd het postacademisch onderwijs in landelijk georganiseerde vorm in de startblokken gezet via een algemene maatregel van bestuur. Zo groot, dat een landelijke regeling nodig werd. Daarmee begint èen nieuwe ontwikkeling. Een ontwikkeling 'waarmee het oude onderwijs-adaglum 'non scolae sed vltae' wordt geactualiseerd', zoals dr. E. C. Kooyman, waarnemend voorzitter van de commissie voor het postacademisch onderwijs van de Academische Raad, het uitdrukt. Eindelijk, want de vraag naar bijscholing vanuit de maatschappelijke beroepssektoren is langzamerhand erg groot geworden. Zo groot dat een landelijke regeling nodig werd. Maar voordat het werken in deze nieuwe opzet zijn vruchten afwerpt, zullen nog heel wat problemen van financiële, organisatorische en wetenschappelijke aard moeten worden opgelost. Want een eenvoudige zaak is het niet. Niet voor niets werd daarom bepaald dat er binnen zeven jaar geëvalueerd zal worden of men zo op de goede weg is. Het is de bedoeling dat het postacademisch onderwijs zich op den duur zelf gaat bedruipen. Dat wil zeggen dat de cursisten of hun werkgevers voor de financiering zorgen. In de beginfase zal de overheid bijspringen. Er zullen landelijke organen worden gecreëerd die als schakel tussen de diverse beroepssektoren en de universiteiten en hogescholen gaan fungeren. In deze organen zullen 'wetenschap en beroep'' vertegenwoordigd zijn. Om doelmatigheidsreden wordt gedacht aan vijftien tot twintig organen. Om de gedachte te bepalen. 'Het pao richt zich in overwegende mate op de afgestudeerde academici, die na een kortere of langere beroepservaring behoefte hebben aan bijscholing op bepaalde terreinen, die voor de beroepsuitoefening van belang zijn,' aldus de nota vran toelichting by de algemene maatregel van bestuur. Vooralsnog wordt het pao niet in verband gebracht met het overheidsbeleid inzake de open school, open universiteit en plaatselijke edukatieve netwerken. In de hele opzet is uitgegaan van de eisen die de beroepspraktijk stelt. Dat betekent dat vaak een multidisciplinaire benadering noodzakelijk zal zijn met alle moeiiykheden van dien. Immers het wetenschappelijk onderwijs is overwegend disciplinegericht. Dus hier zal een aanpassing vanuit de universiteiten en hogescholen moeten worden gevonden bijvoorbeeld als het gaat over vorm en inhoud van het onderwijs en de methodiek. Belangrijk is ook welke docenten het pao zullen geven en hoe het in konkreto wordt georganiseerd.

Toch al ruime ervaring Overigens is met het postacademisch onderwijs voor verscheidene beroepsterreinen al een rulme ervaring opgedaan. Voor een totaal nieuw verschijnsel staat

Door Jan van der Veen men niet. Al vele decennia lang forden btjspijkerkursussen gegeven die georganiseerder verlopen dan uit 't beeld van de professor op een zaterdagmiddag blijkt. In het begin van de twintigste eeuw kwamen daar zelfs al de eerste ideeën over los. Soms verzorgen universiteiten en hogescholen zelf kursussen, soms ook werken wetenschappers aan buiten-universitair opgezette kursussen mee. Al vele jaren is het paa bestudeerd. Heel intensief gebeurde dat door de werkcommissie van het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers onder leiding van wijlen prof. dr. G. K. Braun, die in 1964 een rapport uitbracht. Tevoren was het pao bekeken door de staatscommissie tot reorganisatie van het hoger onderwijs (1949), daarna verschenen rapporten van twee senaatscommissies van de rijksuniversiteit in Leiden (1968 en 1970). Ook op het niveau van de Academische Raad werd over het pao nagedacht. Twee commissies-Diepenhorst leverden in 1971 en 1973 ook het nodige materiaal aan. Dat het postacademisch onderwijs nu een landelijke regeling heeft gekregen lijkt niet alleen veroorzaakt door de hogere eisen die het beroepsleven is gaan stellen als gevolg van de snellere veroudering van kennis en de behoefte aan enerzijds verbreding en anderzijds verdieping ervan. De met de herstrukturerii^ van het wetenschappelijk onderwijs aan de instellingen opgelegde kursusduurverkorting tot vier jaar zal er ook een aanzet toe hebben gegeven. Door de verkorting van de basisvorming op de universiteit zal beroepsgericht verder studeren noodzakelijker zijn. In dit verband moet worden opgemerkt dat het pao niet moet worden verward met de postdoctorale opleiding, die tot de voorwaarden behoort op grond waarvan de entree in een bepaald beroep eerst kan worden gemaakt. In het pao komen wetenschappelijk onderwijs en beroepspraktijk samen.

Aanloopfase Omdat de oprichting van een pao-orgaan wel eens niet zo simpel kan zijn, is voorzien in een aanloopfase waarin voorbereidingscommissies van wetenschappers en mensen uit de betrokken beroepssfeer samenwerken. Na uiterlijk vijf jaar zal er in principe een orgaan tot stand moeten zijn gekomen. Als dat niet is gebeurd, kan deze termijn eventueel worden verlengd. Ook is mogelijk dat men tot de ontdekking is gekomen dat het geen zin heeft om verder naar een orgaan toe te werken. De commissie wordt dan opgeheven. Universiteiten en ho-

gescholen kunnen dan hun al lopende kursusaktivlteiten voortzetten of voorgenomen kursussen starten zonder dat er een orgaan bestaat. Wel is hiervoor ministeriële goedkeuring vereist. Die goedkeuring kan voor een beperkt aantal jaren worden gegeven. Bedoeling hiervan is om regelmatig na te kunnen gaan of er toch niet alsnog een orgaan gekreëerd kan worden. Ook biedt dit de mogelijkheid om voorwaarden te stellen als maatschappelijke organisaties te weinig bij het pao worden betrokken of de onderlinge afstemming tekort schiet. De instellingen voor wetenschappelijk onderwijs zullen het niveau van het pao dienen te bewaken. Het pao mag zich, zo staat het in de nota van toelichting bü de regeling, niet beperken tot het aanleren van praktische handgrepen. Evenmin kan het bestaan uit theoretische uiteenzettingen zonder dat de toepassing van de wetenschap in de praktijk aandacht krijgt. Vooralsnog krijgen kursisten die het pao hebben gevolgd daarvoor een verklaring, die niet meer dan administratieve betekenis heeft. Bij de evaluatie van de nieuwe opzet zal kunnen worden bekeken of de verklaring plaats zal moeten maken voor een getuigschrift. Het is duidelijk dat bij het pao ook de vraag van het zg. educatief verlof om de hoek komt kijken, dus de mogelijkheid om deel te nemen aan het pao gediu-ende de werkweek. Niet alleen moet het pao zelf worden bekostigd, maar ook kost het educatief verlof geld. De regering heeft de Sociaal-Economische Raad daarom om advies gevraagd. Er is nu een commissie Betaald Educatief Verlof aan de slag die in het algemeen nagaat wat de mogelijkheden zijn voor betaald verlof voor scholings- en vormingsaktiviteiten. Tijdens de eerste bijeenkomst van de commissie eind september gaf minister Boersma te kennen dat de maatschappelijke ontwikkelingen meebrengen dat men zich moet kunnen bUjven bijscholen. Daarom heeft elke werknemer in principe aanspraak op betaald educatief verlof, aldus Boersma. Verwacht mag worden dat de belangstelling voor het pao mede zal afhangen van wat er inzake het educatief verlof uit de bus komt tenslotte. Het postacademisch onderwijs dat aan de VU wordt gegeven lijkt niet erg omvangrijk te zijn. Voor zover bekend verzorgen alleen de theologische, juridische een medische fakulteit een aantal kursussen. En dan is er nog het instituut voor de pedagogische en didactische vorming van ajs. leraren, dat samen met de NCRV het projekt Aanvullende Beroepsvorming van Lera-

Het ministerie van onderwijs en wetenschappen is bijzonder geïnteresseerd in dit unieke multimediale projekt (er werd twee ton beschikbaar gesteld om een evaluatie op touw te zetten). En niet voor niets. Een van de adviseurs van het ABL-projekt, dr. P. J. A. van den Akker, die ook de paokontaktman voor de VU is, zei hierover kortgeleden in het VU-magazine: 'Een belangrijke conclusie die uit dit projekt kan worden getrokken voor het postacademische onderwijs is, dat je kennelijk ruim drie Jaar nodig hebt om zo'n projekt te laten starten.' Want zolang duurden de voorbereidingen. In het gesprek dat we met hem hebben over de nu tot stand gekomen landelijke regeling laat hij duidelijk merken wel wat te zien in een dergelijke institutionalisering. Maar er is volgens hem nog wel een rijtje problemen dat om een oplossing vraagt, voor het allemaal goed draait. 'Het financieringsprobleem is momenteel, lijkt mij, het grootste. Het kan in deze opzet niet meer zo ziJn dat een hoogleraar een lezing houdt en de kursisten hem met een doceurtje naar huis sturen. Het pao moet betaald worden door de kursist of diens werkgever. Daar komen vrü grote bedragen bü kijken, omdat het om de totale kosten van een kursus gaat. Met de universitaire begroting hebben die niet te maken, want kosten en baten van het pao moeten los daarvan worden geboekt. Het pao moet zichzelf op den duur kunnen financieren.' Er moeten dus voldoende kursisten komen opdraven. Maar zegt Van den Akker: 'Het probleem met het postacademisch onderwijs is altijd dat je alleen mensen bereikt die je eigenlek niet hoeft te bereiken. Mensen die het gevoel hebben dat hen iets mankeert, die komen wel. Terwijl het juist gaat om mensen die niet het gevoel hebben dat ze bijgespijkerd zouden moeten worden.' Volgens hem kan je die behoefte wel scheppen. 'Ik denk dat je benoemingen en bevorderingen van het volgen van pao afhankelijk zult moeten stellen. Of algemener; als voorwaarde voor de beroepsuitoefening moet opvoeren.' Zoals het pao in de AmvB wordt geregeld is het nog een vrijblijvende zaak. Er zitten nog geen examens aan vast.

Wetenschapsprobleem Een ander probleem is het wetenschapsprobleem. Hoe kijk je tegen bepaalde wetenschappen aan, wat is je zicht daarop? In welke verhouding moeten ze een aandeel leveren voor een bepaalde paokursus? Dit kwam ter sprake op de vorige maand gehouden ronde tafelkonferentie over het pao voor het openbaar bestuur, waar het om een zeer omvangrijke kategorie academici gaat, nl. naar schatting van binnenlandse zaken om 35.000 ambtenaren. Tot zijn gehoor van circa 80 vertegenwoordigers van universiteiten, hogescholen, beroepsverenigingen en ambtenarenorganisaties zei mr. P. van Dijke, secretaris-generaal van het ministerie van binnenlandse zaken: 'Het laten drijven van het postacademisch onderwijs voor het openbaar bestuiu- op een of twee disciplines lijkt mij niet juist, omdat op deze wijze een zekere mate van eenzijdigheid kan ontstaan in het funktioneren van het overheidsbestuur.' Hij pleitte voor een probleem- in plaats van een disciplinegerichte aanpak. 'Politicologie, recht, economie en bestuurskunde kimnen geen van alle worden gemist en wellicht moet deze opsomming worden uitgebreid.' De organisatoren van de konferentie, de ministeries bz en onderwijs en wetenschappen, wilden

Vee/ vrouwen willen pao Vier van de vijf ondervraagde vrouwen hebben behoefte aan na- en bijscholing op academisch niveau. De vraag naar dit post-academische onderwijs voor vrouwen heeft de nederlandse vereniging van vrouwen met academische opleiding (WAO) boven water gehaald met een enquête. Onder leiding van mevr. dr. Christine E. Clason van de rijksuniversiteit in Groningen werd nagegaan hoe deze kwestie lag onder de vrouwen die de laatste vijftien jaar zijn afgestudeerd. Het bleek dat de bedoelde na- en bijscholing nodig wordt geacht omdat de ontwikkeling van de wetenschap periodieke nascholing noodzakelijk maakt. De WAO noemt de uitslag van de enquête opzienbarend. Daaruit werd becijferd dat 81 procent post-academisch onderwijs wenst, mits dit on-\ derwijs zo wordt aangeboden dat het voor vrouwen mogelijk is het in grotere getale dan voorheen te volgen. WAO-voorzitter mevr. ir. Bernardijn ten Zeldam-Hartelust heeft naar aanleiding hiervan gesteld, dat de vereniging zich nu reeds tot het ministerie van onderwijs en wetenschappen en de universiteiten en hogescholen dient te wenden. Daarbij zal verzocht worden het post-academisch onderwijs in zo'n vorm te gieten, dat meer vrouwen dan nu het geval is het kunnen volgen.

tot een gemeenschappelijk standpunt zien te komen, met name over de vraag of er een voorbereidingscommissie voor een paoorgaan openbaar bestuur jnoet worden opgericht of dat men beter aan kan sluiten op het bestaande bedrijfswetemchappeli]ke pao. Resultaat: een brede werkgroep zal er eerst maar eens op gaan studeren en t.z.t. met voorstellen komen... En daarmee is de organisatorische problematiek, waar verschillende elementen inzitten, meteen aangeduid. Van den Akker: 'Neem het welzijnswerk. Wie gaat het pao daarvoor verzorgen? Er komt een pao-orgaan sociale weten^schappen. Moet dit het gaan doen? Van Kemenade twijfelt eraan: het is een omvangrijke en betrekkelijk heterogene club. Maar hij wil in totaal maar ongeveer 15 organen hebben. Over de vraag of er een pao-orgaan welzijnswerk moet komen heeft hy een rapport laten uitbrengen. Daar begin je al met de problemen.'

Onderwijskundige

vorm

Het meest interessante vindt hü de onderwijskundige vorm die het pao zal krijgen. Volgens hem kan het pao vruchtbaar en vernieuwend op de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs inwerken. 'Omdat je hoogleraren en hopelijk ook studenten in gesprek brengt met mensen uit de praktijk van het beroep. Dat betekent vragen uit de praktijk, die nu leven. Daar moet dan antwoord op worden gegeven. Dat vereist een andere pedagogische en didaktische werkwijze.' Maar Van den Akker heeft een beetje het idee tameiyk alleen te staan in deze opvatting. De fakulteiten, aan wie de afgelopen week door het college van bestuur is gevraagd welke pao-kursussen zy dit kursusjaar geven en volgend Jaar zullen geven ter inventarisatie, lyken niet van ongeduld te staan trappelen om het pao veel aandacht te geven. 'Ze hebben het al zo druk met hun traditionele taken.' In Prankryk is men al een heel eind op dreef met het pao, vertelt Van den Akker. 'Je hebt daar de wet op de education permanente

Vervolg op pagina 8

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's

Ad Valvas 1977-1978 - pagina 151

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977

Ad Valvas | 468 Pagina's