Ad Valvas 1977-1978 - pagina 222
AD VALVAS — 20 JANUARI 1978
10
promoties \,some aspects of the analgesic glafenine (glifanan r). a clinical- pharmacological study", is de titel van het proefschrift waarop j.k. boeijinga te abcoude op 15 december 1977 promoveerde, promotor was der. c. van der meer, c6-referent: prof. dr. p.g. smeiik. korte samenvatting: het onderzoek, dat in deze dissertatie wordt beschreven, vond zijn oorsprong in een eerste oriënterende studie betreffende het mogelijke effect van het analgeticum (= pijnstiller) glafenine op conmarinederivaten; dit zijn stoffen, die de stolbaarheid van het bloed doen afnemen en als zodanig b.v. -gebruikt worden bij patiënten met een verhoogd risico op eerste dan wel herhaalde vaatafsluiting (bekende voorbeelden: hartinfarct, longembolie, beenthrombose enz.), in een eerste poliklinish uitgevoerd onderzoek kon een eventueel effect van het glafenine op de stolbaarheid van hel bloed bij gelijktijdig gebruik van genoemde conmarinederivaten aannemelijk gemaakt worden. In een zgn. dubbelblind uitgevoerde studie kon vervolgens deze invloed bewezen worden, practisch gesteld komt het erop neer, dat een verdere afname van de stolbaarheid kan optreden die bij controle hiervan, ± eenmaal per week, voldoende ,,in de hand" kan worden gehouden, deze controle wordt in deze regio, voor poliklinische patiënten vnl. uitgevoerd door de Amsterdamse Thrombosedienst. De stolbaarheid wordt bepaald uit een vers bloedmonster middels een eenvoudige test. gebruik van het „analgeticum" glafenine is bij thrombosedienstpatiënten dus toegestaan mits iets frequentere controle wordt uitgevoerd met name gedurende de eerste vief weken van gelijktijdige inname. voorts werd het gedrag van het glafenine in het menselijk lichaam nagegaan bij een groep medisch doctorandi en bij een groep tandheelkundige patiënten bij wie een of meerdere gebitselementen dienden te worden verwijderd, van de toegediende dosis glafenine wordt ± 35% teruggevonden in de urine, wat overeenkomt met de resultaten van andere onderzoekers; waarschijnlijk vindt de belangrijkste uitscheiding plaats via de darm c.q. ontlasting, omtrent het mogelijke oorzakelijke verband tussen gemeten bloedconcentratie en het eventuele pijnstillend effect valt thans nog geen uitspraak te doen. eveneens werd — bij dezelfde medisch doctorandi — een onderzoek gedaan naar een schadelijk effect (bekend van meerdere andere pijnstillers) op het maagslijmvlies; dit „negatieve effect" bleek in de onderzochte groep afwezig. Tot slot wordt — vnl. aan de hand van beschikbare literatuur — het effect van glafenine op de nierfunctie en overgevoeligheidsreacties t.g.v. het glafenine besproken. het practische belang van het genoemde onderzoek c.q. dissertatie is gelegen in het feit, dat — zowel in de algemene als specialistische praktijk — veel voorkomende vragen en problemen rond een zeer frequent voorgeschreven pijnstiller nauwkeurig nader worden geanalyseerd. bijzondere medewerking bij dit onderzoek werd verleend door het chemisch-analytisch laboratorium van de afdeling inwendige geneeskunde a.z.v.u. (hoofd dr. w.j.f. v.d. vijgh) en door de amsterdamse thrombosedienst (dir.: drs. t.b. gan, cardioloog). personalia: johan k. boeijinga werd geboren in 1942 te den haag, waar eveneens het eindexamen gymnasium-b werd afgelegd, hij studeerde geneeskunde aan de medische faculteit van de v.u. te amsterdam. van 1969-1974 werd de opleiding tot internist gevolgd aan de afdeling inwendige geneeskunde van het a.z.v.u. het promotieonderzoek werd verricht van mei 1974 -september 1975 aan de afdeling klinische pharmacologie. van oktober 1975 tot december 1976 was hij als chef de clinique werkzaam op de afdeling inwendige geneeskunde van het andreasziekenhuis te amsterdam. het adres van de promovendus luidt: papehof 22 te abcoude.
„het laatste kwartier", is de titel van het proefschrift waarop J. matse te hilversum op vrijdag 16 december zal promoveren, promotor is prof. dr. g. kuiper hzn., coreferent prof. dr. |. p. kuiper. korte samenvatting: in een bejaardentehuis leeft men vrij ontspannen met de dood van vele kanten wordt de laatste jaren gezegd dat onze samenleving gespannen omgaat met de dood. de dood en de huiver voor de dood zouden angstig worden weggestopt, zoals vroeger de sexualiteit. met alle schade die het verdringen van hevige gevoelens steeds met zich brengt. hoe wordt nu in een bejaardentehuis met de dood geleefd, een gemeenschap die meer dan andere met de nabijheid van de dood wordt geconfronteerd?
dat is de vraag die de soctokxig dr. j . matse uit hilversum heeft onderzocht in een proefschrift „het laatste kwartier, over het leven met de dood in een bejaardentehufe", waarop hij vrijdag 16 december aan de vrije universiteit tot doctor in de sociale wetenschappen promoveert, twee jaar lang braclit jan matse een dag per week door in een (anoniem gehouden en daarom het laatste kwartier genoemd) bejaardentehuis, waar hij sprak met t>ewoners en verzorgers. ook tot zijn eigen verbazing vond hij dat in dit bejaardentehuis van het veelgenoemde gespannen verdringen van de dood weinig sprake is. wat overheerst is veel meer een houding van ontspannen ontwijken van de gedachte aan de dood. dat gebeurt vrij t)ewust, om bezig te kunnen zijn met de goede dingen van het leven. een gespannen verdringen kan blijken uit het feit dat bewoners koste wat kost iedere confrontatie met de dood van zich afhouden, maar dr. matse vond dat het hem weinig moeite kostte met de bewoners te spreken hetzij over hun eigen dood hetzij over de dood in het algemeen, ook tiezoeken de bewoners zonder grote proislemen rouwevenementen in het tehuis, de confrontatie met de dood wordt niet krampachtig vermeden, maar ontspannen beperkt. al met al blijft het leven in een bejaardentehuis goed leefbaar, zo bleek, van een duidelijke druk door de voortdurende nabijheid van de dood is geen sprake. faktoren hoe slagen de tiewoners van dit tehuis er nu in om die leefbaarheid te bereiken, dr. matse vond een aantal faktoren daarvoor, individuele en faktoren uit de omgeving, het tehuis zelf. aan de individuele kant speelt een rol dat een aantal bewoners, zij het niet zonder worsteling en pas in de loop van jaren, tot een aanvaarden van hun dood komen, anderen, die zover nog niet zijn, weten meestal wel tot een houding te komen waartjij men de dood niet koste wat kost hoeft te verdringen, maar meer ontspannen kan vermijden. wat de omgeving betreft, onder de invloed die van het tehuis uitgaan, vond jan matse vijf faktoren die een rol spelen: 1. het aantal sterfgevallen is relatief beperict. de sterfte bedraagt 10% van de bewoners per jaar, wat in het onderzochte tehuis neeri<omt op één sterfgeval per maand. 2. in dit bejaardentehuis ligt de nadruk op de zelfstandigheid van iedere bewoner, het is niet één grote familie, daardoor kan iedereen zijn eigen kontakten in huis bepalen, daardoor weer kent lang niet iedereen iedereen en daardoor wegen alleen die sterfgevallen zwaar van mensen die men goed kende. 3. de dood is wel meer aanwezig maar veel opvallender dan in de alledaagse samenleving, ze past immers meer in de situatie van een bejaardentehuis. 4. de bewoners hebben een grote mate van vrijheid om te bepalen hoe en hoe vaak ze met de dood geconfronteerd willen worden, bijvoortjeeld via het bijwonen van rouwevenementen. 5. wanneer er over de dood gepraat wordt, kan dat in dit protestantse bejaardentehuis met mensen van eenzelfde stempel gemakkelijk gebeuren in de taal van het geloofsleven, deze taal (bijvoortieeld: „hij is behouden") maakt het mogelijk innige dingen te zeggen over het sterven, zonder direkt over dat gebeuren zelf te hoeven spreken. praktijk dr. matse tsesiuit zijn boek met enkele suggesties voor de praktijk, voortbordurend op de positieve effekten van de onopvallende aanwezighekJ van de dood in het bejaardentehuis, meent hij dat bewoners niet onvoorzien met de dood moeten worden geconfronteerd, voorts moet iedere bewoner zoveel mogelijk zelf kunnen t>epalen of hij rouwevenementen bijwoont, overigens moet ook weer niet naar afwezighekl van de dood worden gestreefd, immers: sterfgevallen van anderen helpen vaak anderen om hun eigen dood allengs te aanvaarden, daarom ook moet personeel van een bejaardentehuis tolerant staan tegenover uiting van belangstelling voor de dood van anderen die op het eerste gezicht wellicht triviaal lijken. ondanks alles wat hij aan positieve zaken vond, pleit dr. matse ook voor een goede aandacht voor de tiegelekjing van de bewoners inzake de dood. de mogelijkheid bestaat dat er toch veel onbesproken blijft, de gesprekken die hij zelf voerde, werden vaak als steunend beleefd, hoewel ze van zijn kant slechts als interviews bedoeld waren. ook bepleit hij meer aandacht voor het personeel, inzake de beleving van de dood. dr. matse vond weliswaar dat het personeel weinig grote problemen heeft met de dood in het bejaardentehuis, maar vooral voor de jongere personeelsleden zitten er toch wel moeilijke kanten aan het verschijnsel. een wens van dr matse is dat zulk onder-
zoek uitgebreid kan worden tot meer bejaardentehuizen, met name die waar een andere levensbeschouwing geldt, of die qua levensbeschouwing gemengd zijn.
in boekvorm
de dissertatie van dr. matse verschijnt bij boom, meppel in boekvorm, door de gevolgde onderzoeksmethode, die van natuurlijke gesprekken en direkte waarneming, is de weergave van het onderzoek in feite een beschrijving van het gewone leven in het bejaardentehuis, daardoor is het t>oek ook voor niet-sociologisch gevormde lezers toegankelijk gebleven. personalia -.. jan matse werd op 13 Juni 1925 te maarn geboren, hij studeerde sociologie aan de vrije universiteit en legde In 1957 het doctoraal examen af. de heer matse werkte twintig Jaar In de administratieve Sektor van het ievensverzekeringstiedrljf. daarna was hij van 1961-1966 verbonden aan de raad voor gereformeerde gezindte van de ijejaardenzorg. van 1966-1969 werkte hij bij het nationaal protestants centrum voor de geestelijke volksgezondheid te den fiaag. drs. matse is sinds 1970 als wetenschappelijk hoofdmedewerker verbonden aan het instituut voor sociale geneeskunde van de vrije universiteit, het adres van de promovendus luidt: gomarushof 49 te Hilversum.
„the bacteriocinogenic plasmid d o df 13: the genetic organization", is de titel van het proefschrit waarop p. m. andreoll op woensdag 11 januari promoveerde, promotor was prof. dr. h. j . j . nijkamp, co-promotor dr. e. veltkamp. korte samenvatting: de informatie voor erfelijke eigenschappen ligt opgeslagen in grote moleculen; het deoxyribonucléinezuur (dna). dit dna vormt een onderdeel van de chromosomen die in elke levende cel voorkomen, naast deze chromosomen kunnen er echter extrachromosomale dna elerrienten voorkomen in de cel. deze genetische elementen worden bij microorganismen aangeduid met de term plasmieden. de erfelijke eigenschappen (genen) welke op deze plasmieden gelegen zijn, kunnen een tjelangrijke invloed uitoefenen op de eigenschappen van hun gastheercel, plasmied gecodeerde eigenschappen zijn o.a. resistentie tegen antibiotica en zware metalen, bacteriële sexualiteit en pathogeniteit, productie van toxische en tumor inducerende verbindingen, alhoewel er bij tenminste 40 bacteriële genera plasmieden ontdekt zijn, is er tot op heden vrij weinig bekend over hun genetische organisatie, d.w.z. welke genen liggen op het plasmied dna?, waar zijn ze precies gelegen? en hoe wordt hun activiteit gereguleerd? het in dit proefschrift beschreven onderzoek had tot doel de opheldering van de genetische organisatie van het relatief klein bacteriooinogene plasmied do df13. tot nu toe kon van slechts twee do df 13 plasmied specifieke eiwitten de biologische functie worden vastgesteld; één toxisch eiwit,/ het bacteriocine of doacine df 13, dat dodelijk is voor nauwvenwante, gevoelige bacteriesoorten, terwijl een tweede eiwit, het do df 13 immuniteitseiwit, verantwoordelijk bleek te zijn voor de waargenomen immuniteit van do df 13 plasmied-bevattende cellen tegen het doacine. om de genetische organisatie van dit plasmied te onderzoeken is het isoleren van erfelijk afwijkende do df 13 plasmieden, de zogenaamde plasmied mutanten, onontbeeriijk. mutaties in het plasmied werden aangebracht met zowel chemicaliën (chemische mutagenese) als zogenaamde transposons, transposons zijn stukjes dna van tjepaalde grootte die in staat zijn een dna molecuul te verlaten en in een ander dna molecuul te integreren, integratie van een transposen verstoort in de meeste gevallen de genetische informatie (insertie-mutant), met de hierboven beschreven technieken werd een scala van plasmied mutanten geïsoleerd. Deze mutanten zijn gekarakteriseerd op hun (afwijkende) biologische eigenschappen, tevens werd de synthese van plasmied specifieke eiwitten bestudeerd zowel in vivo m.b.v. chromosoomloze minicellen van de darmbacterie e. coil als m.b.v. een celvrij eiwitsynthetiserend systeem waaraan het do df 13 dna als matrijs is toegevoegd. Uit de resultaten van deze experimenten bleek welke genen van het plasmied door mutatie erfelijk veranderd waren. om deze mutaties te localiseren in het plasmied dna werd gebruik gemaakt van zogenaamde restrictie enzymen, deze enzymen zijn in staat het dna molecuul op specifieke plaatsen in stukken te knippen, deze.dna stukken met daarin de mutaties kunnen vervolgens in kaart gebracht worden, de zo ontstane fysische kaart van het do fd 13 plasmied bood ons de mogelijkheid om de waargenomen erfelijke veranderingen te correleren met de plaats van deze hierbij betrokken mutaties in het plasmied dna. op deze wijze konden zes van de acht oio df 13 plasmied genen gelocaliseerd worden, tiovendien werd informatie verkregen omtrent de wijze waarop twee naast elkaar gelegen genen, te weten het gen voor de productie van doacine en het gen verantwoordelijk voor de synthese van
het do df13 Immuniteltseiwit, tot expressie komen. met dit promotieonderzoek hebben we een begin gemaakt met de.opheldering van de genetische organisatie en genfunktie van het bacteriooinogene plasmied do df13. de aangedragen resultaten leveren een bijdrage aan de fundamentele kennis op het gebied van de biologie van plasmieden. deze kennis is tevens van essentieel belang voor een eventueel verantwoord gebruik van plasmieden als „cloning vehicle" in de genetische manipulatie. personalia: peter michael andreoli, op 17 december 1946 te den haag geboren, studeerde biologie aan de rijksuniversiteit te leiden, gedurende de jaren 1969-1973. was hij als assistent verbonden aan de vakgroep experimentele plantkunde, het kandidaatsexamen (t>4) werd afgelegd in juni 1970; het doktoraalexamèn met als hoofdvakken biochemie en genetica in september 1973. sinds oktober 1973 is hij werkzaam als wetenschappelijk medewerker bij de werkgroep moleculaire genetica van het biologisch laboratorium van de v.u. per 1 februari 1978 treedt hij als wetenschappelijk medewerker in dienst bij de afdeling biochemie en moleculaire biologie aan de k.u. te nijmegen. het adres van de promovendus luidt: van eedenlaan 27 te uithoorn. „aan sport georiënteerd bewegingsonderwijs; in het spanningveld van aanpassing en kritiek", is de titel van het proefschrift waarop b. j . crum op vrijdag 13 januari promoveerde, promotor was prof. dr. c. c. f. gordijn, co-promotor prof. dr. j . van zouwen en coreferenten waren prof. dr. k. rijsdorp en prof. dr. g. wieienga. korte samenvatting in traditionele, in nederiand bij opleiding van leerkrachten functionerende, theorieën met betrekking tot de lichamelijke opvoeding op school (ofwel het iDewegingsonderwijs) wordt niet expliciet ingegaan op de vraag hoe, de school haar leeriingen zou moeten inleiden in het maatschappelijk veld „sport". de controversiële beschouwingen over de relatie school - sport die de laatste jaren frekwent in de vakliteratuur zijn aan te treffen, tieperi<en zich tot de problematiek van de buiten het officiële leerplan vallende schoolsport, ondanks het ontbreken van een theoretische verantwoording in de theorie en in de officiële leerplannen, kan worden vastgesteld dat de praktijk van het bewegingsonderwijs zich in toenemende mate ridït op en oriënteert aan de sporlkultuur. met het proefschrift worden twee zaken beoogd, allereerst wordt er naar gestreefd bouwstenen aan te dragen voor een aan sport georiënteerde Ijewegingsonderwijst-, heorie op grond waarvan praktische tieslissingen met betrekking tot de inrichting van zowel het curriculaire onderwijs als van de extra-curriculaire schoolsport kunnen worden verantwoord. in de tweede plaats bevat het proefschrift een rapportage van een diagnostisch onderzoek naar het „denken" en „doen" met betrekking tot sport, sportonderwijs en schoolsport van vakleerkrachten bij het voortgezet onderwijs en tevens een rapportage van het verkenning, die is uitgevoerd naar mogelijke verschillen in opvattingen over en deelname aan (school)sport tussen leeriingen van op grond van „denken" en „doen" uiteenlopende categorieën vakleerkrachten. voor de opbouw van een aan sport georiënteerde bewegingsonderwijstheorie wordt „sport" geïnterpreteerd als een veranderbaar sociaal handelingsveld en wordt de school de taak toebedeeld de leeriingen zo in dit veranderbare sociale handelingsveld in te leiden, dat zowel deelname als kritiek mogelijk wordt, bij de inrichting van de onderwijsactiviteiten wordt daarom van de leerkracht voortdurend verantwoord positie kiezen verwacht in het spanningsveld van sportkultuur-overdracht en sportkultuurverandering. op grond van de door hem gekozen waar' den komt de auteur tot de conclusie, dat de leerkracht bij de inrichting van zijn onderwijs ziqh gedistanteerd dient op te stellen ten opzichte van de dominante sportkultuur en voorts dat de leerkracht zich bij de planning en uitvoering van zijn ondenwijs zou moeten oriënteren aan de theorie van het „open" leerplan. deze twee momenten—distantie van de bestaande sportkultuur en oriëntatie aan de open-leerplan-theorie — vormen de normen waaraan door middel van het diagnostisch onderzoek het „denken" en „doen" van leerkrachten is getoetst, naar aanleiding van de resultaten van de diagnose en tevens op grond van in het oog lopende veri^anden, die gevonden werden tussen opvattingen van de leerkrachten en achtergrond-kenmert<en van de leeri<rachten (bv. opleiding), worden tenslotte suggesties gedaan voor opleiding en nascholing van leerkrachten en voor schoolgebonden leerplanontwikkeling. personalia: bart johan crum, op 14 maart 1939 te heelsum geboren, werd eerst opgeleid tot leraar lichamelijke opvoeding en studeerde vervolgens, naast een part-time functie als
leraar, opvoedingsetenschap aan de vrije universiteit, na het doctoraalexamen (1968) werd hij wetenschappelijk medewerker in de subfaculteit der pedagogische en andragogische wetenscfiappen. vanuit die functie was hij direct betrokken bij de oprichting van de interfaculteit lichamelijke opvoeding, sinds 1971 is hij werkzaam in de vakgroep bewegingsagogiek van deze interfaculteit der V.U. het adres van de promovendus luidt: a. coolenlaan 25, Uithoorn. „lineshape of ultrasonic quantum oscillations and the strain response of the fermi surface", is de titel van het proefschrift waarop j . de wilde te hilversum op donderdag 12 januari promoveerde, promotor was dr. r. p. griessen, copromotor dr d. g. de groot, korte samenvatting: in dit proefschrift wordt een onderzoek naar de interactie tussen ultrasone golven en geleidingselektronen beschreven. Deze wisselwerking speelt een belangrijke rol bij de berekening van de temperatuur afhankelijkheid van de elektrische weerstand van metalen, terwijl ook het al of niet optreden van supergeleiding bij lage temperaturen van de waarde van deze grootheid afhankelijk is. de sterirte van deze interactie kan gemeten worden door de veranderingen te bepalen van de geluidssnelheid en geluidsabsorptie, die door de geleidingselektronen worden veroorzaakt, een moeilijkheid hierbij is, dat ook vele andere processen geluidsvoortplanting beïnvloeden, zoals de dislocatiedemping, welke beschreven wordt door aan te nemen, dat de op roosterfouten vastgehechte discolatielijnen als „trillende snaren" met de geluidsgolf resoneren en daarbij energie absorberen, een andere complicatie is, dat niet alle geleidingselektronen in het metaal zich op dezelfde wijze gedragen door de invloed van het kristalrooster, het is gebruikelijk deze verschillende elektronen toestanden te onderscheiden door gebruik te maken van het zgn. fermi oppervlak. indien nu een metaal ondenworpen wordt aan een hoog magnetisch veld (10.000 x het aardmagnetisch veld) en de temperatuur ervan veriaagd wordt tot vlak bij het absolute nulpunt, zullen de elektronen banen gaan beschrijven rondon de magnetische veldlijnen, waarvan het oppervlak slechts bepaalde waarden mag aannemen. (Landau quantisatie). Dit komt tot uiting in een oscillerend gedrag (als functie van het magnetisch veld) van diverse fysische grootheden, waarbij elk deel van het fermi oppervlak een eigen karakteristieke frequentie heeft. Ook in de ultrasone demping en geluidssnelheid treden deze zgn. quantumoscillaties op en met behulp hiervan is het mogelijk de invloed van verschillende delen van het fermi Oppervlak te onderscheiden. In dit onderzoek wordt allereerst een uitgebreide studie gemaakt van de lijnvorm van de ultrasone quantumoscillaties om hiermee de geldigheid van de diverse theoretische berekeningen te testen. De oscillaties in dé geluidssnelheid blijken goed beschreven te worden door de thermodynamische theorie, doch de absorptie geeft een afwijkend gedrag te zien, hetgeen verklaard kan worden door de invloed van stralingvelden t.g.v. dislocaties in het kristal op een andere wijze in rekening te brengen, vervolgens worden de quantum oscillaties in de geluidssnelheid gelijktijdig gemeten 'met gelijksoortige oscillaties in de magnetisatie (de haas - van alphen effect) in zowel indium als aluminium preparaten, hiervoor werd een nieuwe methode ontwikkeld om dergelijke kleine magnetisatie-veranderingen (ca. 10* tesla) in hoge magneetvelden (1 -6 tesla) te kunnen meten. Uit de relatieve amplitudo's van deze twee oscillerende grootheden zijn waarden verkregen van de strain afhankelijkheid voor de derde zone van beide fermi oppervlakken, deze waarden, die belangrijk zijn in de beschrijving van de elektron-fonon wisselweri<ing, zijn in. goede overeenstemaming met eerdere bepalingen met behulp van magnetostrictie (griessen en sorbello, 1974), en gebruik makend van hydrostatische druk (harmans, 1975). ook wordt goede overeenstemming gevonden met getallen berekend met een pseudopententieel model voor deze beide metalen. personalia Johannes de wilde, op 18 juni 1948 te amsterdam geboren, studeerde physica aan de vrije universiteit, waar hij op 25 oktober 1972 cum laude het doctoraal examen behaalde, sinds 1 januari 1973 is hij als wetenschappelijk medewerker in dienst van de stichting fom verbonden aan het natuurkundig laboratorium, het adres van de promovendus luidt: krekelmeent 22, hilversum.
Mededelingen inleveren vóór donderdag 10 uur
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's