Ad Valvas 1977-1978 - pagina 229
AD VALVAS — 27 JANUARI 1978
~AR-voorzitter Brenninkmeijer
5
wil Academsiche Raad ombuigen van advies- naar
samenwerkingsorgaan
De Academische Raad en de strijd om de autonomie van de universiteiten Toen minister Cals in 1960 zijn ontwerp voor een Wet op het wetenschappelijk onderwijs indiende, stelde hij daarin voor dat er een Akademische Baad zou komen. Aan dat voorstel waren jarenlange diskussies voorafgegaan, diskussies waaruit bleek dat de universtaire instellingen weinig trek hadden in een orgaan dat tussen hen en de overheid zou komen te staan. Bang al zij waren voor aantasting van hun autonome positie, waren meerdere eerder gedane voorstellen om te komen tot een samenwerkingsverband tussen de universiteiten uitgekleed tot vrijwel uitsluitend het adviesorgaan dat onder de naam Akademische Baad in 1960 zijn eerste levensjaar in ging. Met zijn nota 'büstelling taak en inrichting van de Akademische Baad' heeft de huidige voorzitter van de Akademische Baad, prof. dr. G. Brenninkmeijer, de nooit geheel verstomde diskussie weer opgerakeld. Hoe gevoelig de kwestie van de autonomie van de lokale instellingen ligt, mag biyken uit de (voor) geschiedenis van de AB.
(Voor) geschiedenis In 1949 kwam de staatskommissie-Beinink met twee voorstellen om gestalte te geven aan het noodzakelijke gezamenlijke optrekken van de instellingen van wetenschappelijk onderwijs. Het eerste stelsel kwam. neer op het oprichten van een inter-universitair-koördinerend orgaan, de Hoge Akademische Raad, waaraan bevoegdheden zouden worden toegekend op het terrein van de begroting. De HAR zou zelf de op de rijksbegroting voor het WO gevoteerde middelen over de diverse instellingen mogen verdelen. Ook zou de HAR het benoemingsrecht van hoogleraren en lektoren krijgen. Het tweede stelsel waarmee de kommissie-Beinink kwam kende geen autonomie toe aan de gezamenlijke instellingen, maar voor de afzonderlijke instellingen. In deze formule bleef de regering verantwoordelijk voor de universitaire begrotingen. Wel moest de HAR er komen als overlegorgaan met louter adviserende taken. Uiteindelijk koos de kommissie voor dit laatste stelsel, een Hoge Akademische Raad dus zonder een bestuurlijke funktie en zonder dwingende bevoegdheden. Op basis van dit voorstel maakte een nieuwe kommissie, de Eerste
A titre
personnel
'Akademische Raad', en niet 'Hoge Akademische Raad' gaf Cals in 1960 het nieuwe orgaan als naam
Interview met prof. Brenninicmeyer Kommissie-Van der Pot een proeve van een wetsontwerp, waarin de taak van de HAR werd uitgewerkt. Naast een overleg-funktie (als schakel tussen de universiteiten van wetenschappelijk onderwijs), zou het zwaartepunt van de aktiviteiten van de HAR moeten liggen op de adviestaak, met name ter bevordering van de koördinatie. De kommissie noemde in het wetsontwerp een aantal gevallen waarin advies van de Raad moest worden ingewonnen; de hoger onderwijs wetgeving, het Akademisch Statuut en de rolverdeling van de universiteiten en hogescholen. Voor zover het de openbare en niet de bijzondere instellingen betrof, was advies ook noodzakelijk over de begrotingen van de universiteiten, voorstellen tot uitbreiding (nieuwe fakulteiten en leerstoelen) en voordrachten tot benoeming van hoogleraren en lektoren. Voorts zou vervolgens het wetsontwerp de HAR optreden als 'raad voor het zuiver wetenschappelijk onderzoek'.
Vakature BGD vervuld
Bij de bedrijfsgeneeskundigedienst ïs per 16 januari drs. A. J. Landwehr als arts in dienst getreden. Door de komst van de heer Landwehr voorziet de B.G.D. in de vakature die ontstond nä het vertrek van mevr. drs. B. P. W. Bakker.
Interuniversitair Coördinerend Beleidsorgaan Gezamenlijke verantwoordelykheid van de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs met betrekking tot de koördinatie van het WO bleef echter uit, reden voor de W D - en CDA-frakiies in de, Tweede Kamer om vorig jaar bij Klein aan te dringen op instelling van een onafhankelijke stuurgroep. Mede in dit licht moeten de plannen van AB-voorzitter Brenninkmeijer tot herstrukturering van de Akademische Baad worden gezien. Brenninkmeijer stelt voor dat in het raam van de Akademische Raad een Interuniversitair Coördinerend Beleidsorgaan (ICB) wordt opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de colleges van bestuur van de instellingen van wetenschappelijk onderwijs. Dit ICB moet zijn platform worden waarop landelijk afspraken kunnen worden gemaakt over de verdeling van onderzoeksgelden, het leerstoelen beleid, de verdeling van studierichtind'en, de ontwikkelingsplannen, enz.
Tom Niemantsverdriet (Utrecht - GUPD) De universitaire wereld reageerde afwijzend op het wetsontwerp. Een bijgeschaafd wetsontwerp, waarin de door de kommissie-Van der Pot genoemde advlespunten vervielen, en waarin voor de HAR geen plaats was als raad voor het wetenschappelijk onderzoek, voorzag de Raad van een adviestaak met betrekking tot vierjaarlijks door de instelling van wetenschappelijk onderwijs op te stellen ontwikkelingsplannen. Ook deze voorstellen konden in de ogen van het wetenschappelijk onderwijs geen genade vinden. 'Het orgaan dat eertijds was bedoeld om een grotere zelfstandigheid van de instellingen tegenover de overheid te waarborgen, werd toen gezien als een bedreiging voor die zelfstandigheid,' schreef in 1976 de kommissie-Polak in haar nota 'De Akademische Raad belicht', geschreven op verzoek van staatssekretaris Klein in het kader van de evaluatie van de Wet Universitaire Bestuurshervorming.
mee, om uitdrukking te geven aan de beperkte taak die de AR in vergelijking met de door de kommissie-Reinink gedane voorstellen zou krijgen. Met de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (WWO) kreeg de Akademische Raad geen zware opzet. Wel werd gehoopt dat in het groeiproces van de Raad de kontakten tussen de instellingen zich zouden uitbreiden en intensiveren in een vastere vorm. De twee belangrijkste funkties die de WWO de AR meegaf zijn het interuniversitair overleg en advies. Pas op de derde plaats, en van de eerste twee afgeleid, komt de bevordering van de koördinatie en samenwerking. Tenminste, dat is de interpretatie die de kommissiePolak aan de wet geeft. De uit de universitaire gelederen gerekruteerde leden van de AR traden niet op namens de instellingen die hen in de Raad hadden gekozen. Uitdrukkelijk werd in de WWO de bepaling opgenomen dat de leden zouden stemmen zonder last of ruggespraak. De leden hadden op persoonlijke titel zitting in de AR. Daarmee was de Raad gedoemd een vry machteloos orgaan te zijn. Voorlopig in 1968, en definitief in 1972, met de inwerkingtreding van de Wet Universitaire Bestuurshervorming, werd de positie van de leden veranderd, zy v/erden afgevaardigden, die namens de instellingen optraden. In diezelfde tijd deed zich een andere ontwikkeling voor, namelijk de inschakeling door de minister van het organisatiebureau McKinsey, ten behoeve van de
planning van het hoger onderwijs. McKinsey stelde de instelling voor van een van het ministerie en de instellingen onafhankelijke stuurgroep, die de zeggenschap moest krijgen over de verdeling van de middelen over het hoger onderwijs. De instellingen van wetenscliappelijk en hoger beroeps-onderwijs waren fel tegen dit plan gekant. Staatssekretaris Klein liet het plan daarom varen en besloot tot de instelling van een Planning Overleg Orgaan (POO), waarin ministerie, WO- en HBO-instellingen gezamenlijk overleggen over de middelenverdeling.
Het ICB zou in deze zaken echter* niet het laatsie woord mogen hebben, dat blijft voorbehouden aan de universiteitsraden. De autonomie van de instellingen blijft dus troef. Hieronder een gesprek met prof. Brenninkmeijer. Brenninkmeijer: 'De nota is een poging om de Akademische Raad, nu een adviesorgaan in de richting van de minister, om te buigen tot een samenwerkingsorgaan, bestuurlijk en beleidsafstemmend, van de instellingen. Dat is de raad op het ogenblik niet. Dat zou hij wel kimnen worden; het staat ook in de wet dat hij moet bevorderen dat dat gebeurt, maar tot op heden heeft zich de zaak voor negentig procent beperkt tot het adviseren van de minister, vijf procent tot het adviseren van de instellingen en vijf procent zou je met enige welwillendheid kunnen beschouwen als bestuurlijke koördinatie. Dat gebeurt op het ogenblik dan nog voornamelijk onder invloed van wettelijke opdrachten, zoals de hele inspanning om te komen tot kapaciteitsberekeningen die onderling vergelijkbaar zijn, zodat we landelijk gezien tot een rechtvaardiger verdeling van de instroom van studenten komen. Dat is een stukje bestuurlijke samenwerking die er is gekomen doordat er wettelijke numeri fixi zijn.' Juist de bezuinigingen op het wetenschappelijk onderpijs, begrijp ik uit de nota, dwingen tot een betere samenwerking tussen de instellingen om beter tegenspel te kunnen bieden tegen 'Den Haag'. Brenninkmeijer: 'Ja, maar dat vind ik toch maar één aspekt. Ik vind dat dat een reëel argument is, want als wij het niet doen doet een ander, het ministerie, het. En we hebben een beetje de pretentie dat we het zelf beter kunnen. Maar ik vind ook dat je zelfs in een tijd waarin je wel ruimschoots in je middelen zit, dat geld door middel van zo goed mogelijke afstemming van de aktiviteiten van de instellingen zo doelmatig mogelijk moet besteden. Daar komt nu dan de schaarste bij, die ingrijpen
buiten ons om onmogelijk maakt als we zelf niet met alle macht ingrijpen. Het eigenwijze van mijn instelling is dat ik denk dat we het zelf beter kunnen.'
Tegen vierde bestuurslaag V hebt met uw plan gekozen voor een struktuur waarin de Akademische Raad geen eigen beslissingsmacht krijgt, de leden van de Raad blijven verantwoording schuldig aan de instellingen die zij vertegenwoordigen. De Bond voor Wetenschappelijke Arbeiders heeft wel eens een pleidooi gehouden voor een vierde bestuurslaag boven de drie bestuurslagen die de instellingen krachtens de WUB intern al hebben. Die vierde bestuurslaag, een gekozen Akademische Raad, zou alle instellingen moeten omvatten, en daadwerkelijke zeggingskracht moeten hebben over de verdeling van middelen over de universiteiten en hogescholen. Brenninkmeijer: 'Een dergelijke vorm van samenwerking en koördinatie vind ik in strijd met wat er historisch in Nederland aan zelfstandigheid binnen de instellingen is gegroeid. Ik vind dat een onnodige vorm van centralisatie. Want dat is toch wel, zij het op een demokratische manier, een vorm van hiërarchische koördinatie. Ik vind dat je zoveel mogelijk hiërarchische koördinatie moet vermijden, principieel. Intern, binnen de instellingen, maar ook nationaal naar de instellingen toe. Wat de BWA voorstelt vind ik geen goed model.' Uw model heeft als nadeel dat wanneer in het ICB tussen de instellingen geen overeenstemming over bepaalde zaken wordt gevonden, er helemaal geen koördinatie plaats vindt. Het ICB
heeft geen enkele beslissingsbevoegdheid. Brenninkmeijer: 'Ja, dat is de prijs voor de autonomie van de instellingen. Anders krijg je de dat de koördinatie wordt afgewogen op basis van stemmenmeerderheid, dan kan er iets met twaalf tegen elf stemmen worden beslist. Je zou ook nog kunnen zeggen: in principe gaan we uit van horizontale koördinatie, onderlinge afstemming, en daarbij procedures afspreken voor de gevallen waarin we niet tot kompromissen komen, dat we daarin beslissen met meerderheid van stemmen. Dat kan wel, maar het hoeft voor mij niet. Het hangt er van af hoe dit samenwerkingsorgaan zich ontwikkelt. Je kunt zó gesteld zijn op samenwerking, dat je daarvoor de prijs wilt betalen dat de meerderheid beslist. Maar het is niet het uitgangspunt van deze struktuur, dat zou moeten groeien. Dat model was wel te overwegen geweest als onze instellingen volstrekt vergelijkbaar waren. Maar we hebben universiteiten en hogescholen, en dat is toch niet makkelijk om alles op één hoop te gooien en biJ meerderheid te laten beslissen. Een leuk voorbeeld daarvan vind je by de numeri fixi, waarby de technische hogescholen op een gegeven moment kunnen beslissen dat Utrecht meer studenten geschiedenis moet opnemen.'
Taken ICB Wat moeten de precieze taken van dat ICB gaan worden? Brenninkmeijer: 'Dat is een hele moeiiyke vraag die in de nota niet wordt uitgewerkt. Eerst twee opmerkingen, nameiyk dat er een werkgroep wordt ingesteld die de taak-
Vervolg op pagina 14
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1977
Ad Valvas | 468 Pagina's