Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 119

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 119

13 minuten leestijd

AD VALVAS — 27 OKTOBER 1978

Positief effekt op participatie

VU in tweede en derde

geldstroom

Beleidsruimte onderzoelc stimuleert onderzoek op de VU zowel kwalitatief als kwantitatief Met het instellen van de beleidsruimte onderzoek op de VU in 1974 blgkt een goede aanzet te zijn gegeven tot het zowel kwantitatief als kwalitatief stimuleren van het onderzoek op deze universiteit. Ook is er nu al sprake van een positief effect van de beleidsruimte op een grotere participatie van de VU in de tweede en derde geldstroom (die aanvullend werken op de veel ruimere eerste geldstroom die rechtstreeks naar de universiteiten stroomt en waarvan de grootte bepaald wordt door vooral de aantallen studenten). Tot deze conclusie komt de kommissie beleidsruimte onderzoek in een evaluatie van het funktioneren van de beleidsruimte op de faculteiten. Een derde konklusie is, dat de beleidsruimte een stimulerend effect heeft op de ontwikkeling en formulering van facultair onderzoekbeleid. Van de beleidsruimte is verder een stimulerende werking uitgegaan op het interdisciplinair en interfacultair onderzoek en ook werd de diskussie over onderzoek, dat van bijzonder belang is gezien de doelstelling van de VU gestimuleerd. In augustus 1974 maakte de VU een aarzelend begin met deze beleidsruimte voor het onderzoek op universitair niveau. In september stelde de universiteitsraad de beleidsruimte in en reserveerde er 10 formatieplaatsen voor. In de afgelopen vier jaar groeide de beleidsruimte uit tot 36 formatieplaatsen, waarmee een jaarlijkse toewijzing van tien plaatsen mogelijk werd. In deze periode heeft de kommissie beleidsruimte onderzoek (voortaan afgekort tot BRO) vier maal een voorstel voor het toewijzen van onderzoeksprojekten opgesteld en daarvoor de benodigde procedures ontwikkeld. Aan het eind van dit kalenderjaar zullen de eerste projekten, die uit de BRO zijn ondersteund, worden afgerond. Mede op verzoek van UR-leden heeft de kommissie het funktioneren van de BRO nu geëvalueerd. In het evaluatierapport worden ook enkele voorstellen gedaan tot wijziging van de criteria bij de verdeling van de beschikbare plaatsen en van de totnogtoe gevolgde procedures. De kommissie hoopt, dat de resultaten van deze procedures nog van invloed kunnen zijn op de toewijzingsronde 1979, die in het najaar van 1978 van start gaat. Iets over de voorgeschiedenis van de beleidsruimte onderzoek. In een nota uit april 1974 noemt het CvB een aantal overwegingen om tot instelling van de BRO over te gaan. Het konstateert, dat de VU een betrekkelijk jonge universiteit is, die het jarenlang met zeer beperkte middelen heeft moeten doen. De VU is de afgelopen 25 jaar bijzonder snel gegroeid zowel in aantal faculteiten als in aantallen studenten (in 1960: 3116 studenten, in 1970: 8041 en in 1978: 12.567). In 1970 werd de rijksbijdrage aan de VU honderd procent.

Achterstand Vergeleken met de andere nederlandse universiteiten, zo schrijft het CvB in 1974, heeft de VU een achterstand in het aantal haar toegewezen formatieplaatsen. Deze achterstand wordt totnutoe (1974) als gevolg van de relatieve bezuiniging op het WO door de overheid gecontinueerd. In het algemeen heeft de bezuiniging het effect, dat het aantal studenten veel sneller toeneemt dan het aantal formatieplaatsen; de personeel-studentenratio is overal slechter geworden dan zi) vóór 1970 was. Het accrès m de overheidsuitgaven voor het WO gaat wat de personeelskosten betreft niet veel verder dan de invloed van de inflatie op die kosten. En wat de kosten van apparatuur betreft, waarop de inflatie ook een sterke invloed heeft, blijven de toewijzingen achter bij de vervangingskosten. De verandering in het onderwijs, zo vervolgt het CvB en de op handen zijnde herstrukturering van het onderwijs betekenen vooralsnog een verzwakking van de onderwijs taken. Wie goed leest, voelt al waar het naar toe gaat: op deze manier moet het onderzoek haast wel onder druk komen te staan. Het CvB zegt het wat voorzichtiger: Onderwijs, bestuur en beheer kunnen minder gemakkelijk uitgesteld worden dan onderzoek, zodat het onderzoekprogramma eerder aan het onderwijs-, bestuurs- en beheersprogram-

ma aangepast zal worden dan omgekeerd. Het CvB konstateert vervolgens, dat, hoewel het aantal promoties op de VU ongeveer overeenkomt met dat aan andere universiteiten, er een duidelijke achterstand is in de ondersteuning vanuit de tweede geldstroom: in 1972 had de VU 9,46 procent van het totale aantal studenten in ons land maar slechts 4,8 procent van het totale aantal ZWO-medewerkers aan de universiteiten en hogescholen. In de doelomschrijving, die het CvB de beleidsruimte meegeeft staat o.a. het bevorderen van goed, c.q. veelbelovend onderzoek en het vergroten van het aandeel van de VU in de zogeheten tweede geldstroom, die vooral uit de geldkraan van het ZWO (Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek) vloeit. De extra toewijzing moet vooral een „versnelde opbouwfunktie'' hebben en moet inspelen op het eigen onderzoeksbeleid van vakgroepen £n faculteiten, waarop het geen korrektie mag zijn. In zijn doelomschrijving vraagt het CvB speciale aandacht voor het interdisciplinair en interfacultaire onderzoek. Wel wijst het daarbij op de handicaps bij invoering hiervan, gezien de aard van de universitaire organisatie vooral als dit onderzoek niet samenhangt met de onderwijsprogramma's. Bij toewijzing uit de beleidsruimte kan, zo vindt het college, ook de specifieke doelstelling van de universiteit (vergelijk 'de maatschappelijke relevantie') een rol spelen. Na een positief advies van het college van decanen over het voorstel de beleidsruimte in te stellen besliste de universiteitsraad een kommissie BRO in te stellen in augustus 1974 en reserveerde hij 10 formatieplaatsen voor dit doel.

Vijf

de betreffende onderzoeksprogramma's verbeterd worden. Het behoefte-kriterium houdt in, dat toewijzing niet plaats vindt aan projekten die ook op een andere wijze dan door toewijzing uit de BRO zijn te realiseren en/of worden voorgesteld door een vakgroep die reeds ruime steun geniet uit een tweede of derde geldstroom (de laatste geldstroom vloeit voort uit opdrachten vanuit het bedrijfsleven en allerlei instellingen). Ook dit kriterium ontmoet weinig weerstand. Wel wordt voorgesteld het woord steun te vervangen door personele steun. De kommissie BRO heeft meermalen onderzoekers gewezen op andere mogelijkheden om hun projekt te realiseren. Dit heeft in een aantal gevallen niet of niet direct tot een bevredigende oplossing geleid maar soms ook positief gewerkt. De beperkte middelen eisen een voortzetting van deze beleidsüjn, meent de kommissie. Wanneer een vakgroep reeds ruime steun geniet uit de 2e of 3e geldstroom kwam zij niet in aanmerking voor toewijzing uit de BRO voor de lopende onderzoeksprojekten. De kommissie meent, dat waar nieuwe projekten gestart worden steun mogelijk moet zijn al blijft de vraag of deze niet met eigen middelen kan worden uitgevoerd. Steun kan overwogen worden wanneer men binnen een vakgroep bv. een nieuwe onderzoekslijn wil gaan ontwikkelen. De kommissie ziet het kwaliteitskriterium als uitermate belangrijk omdat uit de kwaliteit van de aanvraag moet blijken of het vertrouwen gewettigd is, dat de betrokken vakgroep (onderzoekers) onderzoek van een goed wetenschappelijk nivo tot stand kunnen brengen. De kommissie hanteerde dit Kriterium steeds met de grootst mogelijke zorg. Zij acht dat een eerste vereiste en meent, dat het onverkort gehandhaafd moet worden. Hanteren van dit kriterium vergt grote deskundigheid en hiervoor wordt zonodig advies ingeroepen

Adj. directeur AZVU benoemd zonder inspraak

kriteria

Een maand later stelde de raad ook een aantal kriteria vast voor de toewijzing van formatieplaatsen uit de beleidsruimte. Deze werden het volgende jaar weer bijgesteld en in januari 1976 in gewijzigde vorm vastgesteld. Over deze (vijf) kriteria is nu aan de fakulteiten een oordeel gevraagd. De kriteria kunnen kortweg aangeduid worden met: kontinuïteit (1), behoefte (2), kwaliteit (3), karakter (4) en termijn (5). De kritiek van de fakulteiten blijkt vooral het vierde kriterium (karakter) te betreffen (voorkeur voor die projekten, die van bijzonder belang zijn gezien de doelstelling van de VU en/of een multidisciplinair/interfakultair karakter vertonen). Nu eerst even de eerste drie kriteria. Het kontinuïteits-kriterium stelt, dat voor toewijzing slechts projekten in aanmerking komen, die in de beleidslijn van de (sub)fakulteit liggen, voortvloeien uit het onderzoekprogramma van een vakgroep en aansluiten op de bij de betrokken vakgroep aanwezige voorzieningen en know-how. Uit de reakties van de fakulteiten blijkt, dat dit kriterium juist gekozen is en ongewijzigd kan worden gehandhaafd. Wel zou waar mogelijk een nauwkeuriger toetsing door de fakultaire onderzoekskommissies tot een duidelijker uitspraak over de plaats van het beschreven Projekt in het totale fakulteitsbeleid kunnen leiden. Daardoor kan de inpassing van de BRO-projekten in

De Personeelsraad van het AZVU heeft in een open brief aan het AZVU-bestuur zijn verontwaardiging en grote teleurstelling geuit over het feit, dat bij de benoeming van de nieuwe adiunkt-directeur Verpleegkunde niet de reglementair vastgestelde inspraakprocedures zijn gevoled. Temeer daar het bestuur de PR-leden op 1 september had verzocht ad interim op persoonlijke titel aan te willen blijven o.a. om de voortgang van de te realiseren topstruktuur met de PR te kunnen blijven overleggen. De zwaarwichtigheid van de argumenten voor een snelle benoeming („het belang van het AZVU en de wens van de kandidaat") is de raad niet duidelijk geworden. Door de indiensttreding één maand op te schuiven (het AZVU heeft al drie jaar geen adj. directeur Verpleegkunde) had de hele inspraakprocedure normaal gevolgd kunnen worden. Het is voor de PR begrijpelijk, dat de secretaris van de PR heeft gemeend n.a.v. deze gang van zaken niet langer deel te willen uitmaken van de PR-ad interim. De overige leden hebben deze stap niet genomen omdat ze vonden, dat de achtergronden van deze zaak uitgezocht en openbaar gemaakt moesten worden. De PR vraagt zich af hoe het AZVU het nu geminimaliseerde vertrouwen kan herstellen zodat een goed overleg tussen AZVU-bestuur en PR (en nog belangrijker: de toekomstige ondernemingsraad) mogelijk zal zijn. U.K.)

van deskundigen binnen of buiten de VU. Het vertrouwelijk karakter van deze adviezen wordt steeds gewaarborgd. De kommissie zou dit kriterium eigenlijk als eerste kriterium willen zien. Bij het karakter-kriterium hebben, met inachtneming van de eerste drie kriteria die projekten de voorkeur, die a. van bijzonder belang zijn gezien de doelstelling van de VU en/of b. een multidisciplinair en/of interfacultair karakter vertonen. Dit kriterium gaf de fakulteiten veel stof tot diskussie.

Doelstelling roept diskussie op

-

Voor sommige fakulteiten (bv. godgeleerdheid) wordt wel gesteld, dat al hun onderzoek van belang is gezien de doelstelling omdat de vraagstelling van het onderzoek ófwel onmiddellijk verband houdt met de inhoud van het christelijk geloof ófwel op eenvoudige wijze kan worden verbonden aan vragen, die zich voordoen op het gebied

van de christellijke levenspraktijk. In deze gedachtengang zou het voor andere fakulteiten (vooral de bèta-fakulteiten) veel moeilijker zo niet bijna onmogelijk zijn om doelstellingsgericht onderzoek te ondernemen (denk aan bv. wiskunde). De kommissie heeft echter ernstige bedenkingen tegen deze interpretatie van 'doelstellingsgericht'. Immers van elke fakulteit, vakgroep en werkgroep van de VU mag verwacht worden, dat voor alle aktiviteiten — óók die van het wetenschappelijk onderzoek — de motivatie ten diepste gelegen is in het inhoud geven aan en bijdragen tot de verwerkelijking van de gemeenschappelijke levensopdracht, verwoord in de doelstelling. Vanuit deze optiek is de vraag naar doelstellingsgericht onderzoek binnen de VU irrelevant te noemen. Anderzijds is de kommissie zich ervan bewust 'dat binnen de christelijke gemeente van onze tijd tal van vragen bestaan t.a.v. een verantwoorde levenshouding en bevrijdend handelen in de wereld van vandaag'. Voorzover wetenschappelijk onderzoek op deze vragen een (gedeeltelijk) antwoord kan geven ligt hier voor de VU een taak. Voor dit onderzoek (dat zij doelstellingsgericht in engere zin noemt) heeft de kommissie aansluiting gezocht bij allerlei vragen, die binnen de christelijke gemeente opkomen. Een zekere subjektiviteit daarbij vindt de kommissie onvermijdelijk. Maar het mogelijke verwijt van pragmatisme snijdt geen

Vervolg op pe^ina 8

Stahlie (CvB): 'Op zich ongelukkige zien als signaal'

maatregel

Universiteitsraad ziet geen reden voor colportage-verbod Pharetra Met ruime meerderheid heeft de universiteitsraad dinsdag het colportageverbod, dat het CvB op 4 oktober het studentenblad Pharetra oplegde van de hand gewezen. De raad aanvaardde met 19 stemmen vóór, 13 tegen en 3 blanco, een motie van DAK en PKV en sprak daarmee uit basis noch reden aanwezig te achten voor het ventverbod. Tevens sprak de raad in de motie uit dat het niet op zijn weg ligt zijn oordeel uit te spreken over de kwaliteit van publikaties in Pharetra. In de overweging voor hun motie verwezen de indieners naar het bevestigend antwoord, dat destijds het CvB gaf op de vraag vanuit de raad of het college niet ook van mening was, dat binnen een open gemeenschap als de VU zoveel mogelijk de gelegenheid dient te worden gegeven tot het uitdragen van ideeën en gedachten. Daarbij werd toen gedoeld op leden van de universitaire gemeenschap en Pharetra is een blad van een aanmerkelijk deel van die gemeenschap. Ook vonden de indieners, dat het artikel uit het bestuursreglement, op grond waarvan het college het verbod oplegde, niet bedoelt aanwijzingen te geven tav. de colportage van publikaties van (groepen) leden van de universitaire gemeenschap. Het CvB had zich tot de auteurs zelf kunnen wenden of tot het universitair tuchtcollege. CvB-secretaris Hoogenkamp vond dat het CvB op grond van dat artikel de bevoegdheid tot intrekken wel had. Prof. Stahlie, die namens het CvB en zichzelf sprak, vond de „strafmaatregel" van het CvB op zich ongelukkig maar kon er achter staan als je hem zag als signaal voor het overschrijden van grenzen. Hij vond, dat er in de bewuste publikatie in Pharetra zelfs sprake was van wreedheid en dat het betrokken personeelslid in een geïsoleerde positie was gebracht.

'Zwaktebod' Margreet Onrust, die als hoofdredactrice van Pharetra het spreekrecht kreeg, stelde daartegen in, dat het blad alleen lelijk doet tegen personen, als er sprake is van zakelijke misstanden en problemen, die daar onlosmakelijk mee zijn verbonden. Zij vond het verder een zwaktebod om voor het intrekken van de faciliteiten als argumentatie artikelen van drie jaar geleden op te voeren, die kennelijk voor het verlenen ervan (ee;n jaar later) geen beletsel vormden. Op het artikel (uit 1975) over Pers en Voorlichting was nooit enige reactie of klacht gekomen en aan de heer Van Andel was excuses aangeboden ivm. een artikel over hem.

Over het enige wat overbleef (de Kandie over Knoop in het laatste augustusnummer) was nooit vernomen waar in dit stukje leugen en laster te vinden is Volgens haai was het de zakelijke kritiek van het blad op de manier, waarop een lector op de VU benoemd kan wolden, die de woede van het CvB had uitgelokt. De Kandie over Knoop werd aangegrepen om daarvan de aandacht af te leiden Stahlie ging het er om, dat „kwetsende aitikelen niet op de VU thuishoren" Maai Linschoten (VySO) meende, dat juist het opblazen van de zaak door het CvB een kwetsende uitwerking had en dat juist daardoor de betrokkene in een geïsoleerde positie wordt gebracht. Reedijk (PKV) merkte nog op, dat termen als wreedheid en isolatie Pharetra in een kwaad daglicht stellen terwijl dat noch de bedoeling noch hel effect van de publikaties is Hij sprak van een zwak betoog. Bij gebrek aan argumentatie probeert het CvB door kwalificaties, die we niet van haar gewend zijn, stemming te maken. (J.K.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 119

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's