Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 498

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 498

11 minuten leestijd

AD VALV4

Sinds '64 kontakten tussen beide geestverwante

instellingen.

VU en Indonesische privi bereiden meer omlijnde In augustus gaat de universiteitsraad, dan terug van zomerreces, praten over hechtere en meer omUgnde samenwerking tussen de YU en de Ideine Indonesische privé-universiteit Satya Watjana in Salatiga, een plaatsje op Midden-Java. Bestaan er al sinds 1964 losse kontakten tussen beide, nu vinden de beide ^christelijke) instellingen voor hoger onderwijs de tijd rijp voor een steviger kontakt voor de lange termijn. Inzet van de raadsdiskussie zal zijn een zgn. „Letter of Intent", een verklaring waarin beide instellingen zich daarvoor uitspreken. Dit stuk was deze week nog niet voor ons beschikbaar, omdat de voorbereidende fase nog niet geheel was afgelopen. Maar het zal behalve de samenwerkingsintentie ook bevatten de motieven en doelen

De entree van het administratiegebouw van de universiteit Satya Watjana. „Universitas Kristen Satya Watjana" ofwel de christelijke imiversiteit „Trouw aan het Woord" werd in 1971 door de vice-voorzitter van de Indonesische Academie van Wetenschappen, prof. Koentjaraningrat, als een van de weinige goede particuliere universiteiten beschouwd. Dat was 12 jaar na de oprichting in 1959. Een aardige opmerking van een deskundige, al moet worden gezegd dat er onder de vele tientallen particuliere universiteiten die er toen al bestonden nogal wat waren waar het niveau niet bepaald hoog lag. In de periode-Sukamo, die in 1965 met de opkomst van Suharto eindigde, was de belangstelling voor het hoger onderwijs enorm toegenomen, ledere zichzelf respecterende regio, religieuze of politieke groepering wilde een eigen instituut. In 1967 waren er maar liefst 231. Ruim zestig daarvan waren particuliere universiteiten. Een bordje aan de muur met daarop „universiteit" was voldoende... Nu zijn er plm. 300 instellingen voor hoger onderwijs. In 1976 werden er regels uitgevaardigd door de directeur van het hoger onderwijs om ze kwalifikaties te geven.

n

Satya Watjana is ontstaan uit een in 1956 opgerichte lerarenacademie. Om het grote (door de onderwijsgroei nu nog steeds bestaande) tekort aan leraren bij het christelijk onderwijs te helpen dekken werkten enkele Indonesische initiatiefnemers het plan daarvoor uit. Ze werden daarbij gesteund door in eerste instantie negen kerken in hun land, welk aantal zich later met ongeveer de helft zou uitbreiden. De Nederlandse gereformeerde en hervormde zending verleenden, daarom gevraagd, graag hun medewerking. Het trainingscentrum voor leraren startte met honderd studenten en elf docenten. Er waren vijf richtingen: rechten, economie, geschiedenis, pedagogie en Engels. Enkele jaren later viel het oprichtingsbesluit voor de universiteit. De lerarenacademie bleef daarnaast bestaan tot 1977, toen zij met goedvinden van het onderwijsministerie in de universiteit werd opgenomen. Begonnen werd met twee fakulteiten: rechten en economie. Het aantal studenten, dat in het begin begrijpelijk gering was, zou in de loop der jaren met het uitbreiden van het aantal fakulteiten tot het huidige van zeven eveneens groter worden: nu zijn het er ongeveer 2400. De voltijdse wetenschappelijke staf omvat 115 leden en de administratie 77. Voor het overige werken er nog 51 mensen voltijds aan de universiteit. De fakulteiten die erbij kwamen zijn: theologie, landbouwwetenschappen, biologie, elektrotechniek plus die voor leraren en opvoedkunde.

Notohamidjojo Motor voor de stichting van de universiteit was mr. O. Notohamidjojo, een tot het christendom bekeerde zoon van een islamitische wetsgeleerde in Salatiga. Notohamidjojo, die zijn juridische opleiding in lakarta ontving, liep destijds, toen hij verbonden was aan de lerarenopleiding in de Indonesische hoofdstad, al een hele poos rond met het idee een universiteit in zijn dorp te stichten. Dat vernemen wij van de em. hoogleraar aan de VU, prof. dr. J. Verkuyl, met wie Notohamidjojo in de jaren 1949-1956 in kontakt was gekomen en die „in veel opzichten van beslissende betekenis

Jan van der Veen Simon Kooistra voor mijn verdere leven" is geweest, zoals Notohamidjojo bij zijn onderscheiding als eredoctor van de VU in 1972 zei. De oud-VU-missioloog weet te vertellen dat Notohamidjojo een universiteit voor ogen stond die gericht zou zijn op de achtergebleven regio's, rekening zou houden met de agrarische samenleving — 80% van de Indonesische bevolking woont op het platteland — en die van christelijke signatuur zou zijn. Basis en doel van de universiteit werden bij de totstandkoming als volgt geformuleerd: „Het is de bedoeling van Satya Watjana om een gemeenschap te zijn van docenten en studenten die zich op het terrein van wetenschap en onderwijs willen wijden aan de taak Indonesische jongeren universitair te vormen en hen geschikt te maken voor leidinggevende posities in kerk, maatschappij en staat, vanuit een sterke overtuiging, gebaseerd op de Heilige Schrift als het Leidend Licht en de Pantja Sila als de staatsideologie." Notohamidjojo werd de eerste rector van de universiteit. Een jaar of zes geleden stapte hij om gezondheidsredenen op en werd opgevolgd door dr. Sutarno. Een theoloog, oud-leerling van prof. Verkuyl aan de Theologsiche Hogeschool in Jakarta en bij prof. Kuitert aan de VU gepromoveerd op het proefschrift „Het Kuyperiaanse model van een christelijke politieke organisatie", een zeer kritische analyse. Sutarno is evenals Notohamidjojo van de Islam naar het christendom overgegaan indertijd. Sinds haar ontstaan onderhield S. W. relaties met de al genoemde Nederlandse gereformeerde en hervormde zending en verder met de Interkerkelijke Coördinatie Com-

enkele tienduizenden guldens voor S.W. bestemd. Indonesische studenten werden bij hun postacademiale studie geholpen, terwijl docenten ook begeleiding kregen bij verdere studie. Vanuit de VU werd steun geboden bü het opzetten van Projekten, zoals de opbouw van het onderzoeksinstituut voor sociale wetenschappen en de centrale bibliotheek. VU-docenten doceerden in Salatiga voor korte perioden. Een betere afstemming van de hulp die S.W. vanuit ons land ontving, werd verkregen door de oprichting van een werkgroep voor Christelijk Hoger Onderwijs in Indonesië, waarin hervormde en gereformeerde zending, de ICCO en de VU om te beginnen gingen samenwerken. S.W. werd langzamerhand groter. En de kosten werden hoger. Momenteel draait de particuliere instelling op ruim twee miljoen gulden voor haar exploitatie, waarvan het grootste deel uit inkomsten uit collegegelden bestaat. Anders dan bijv. de Indonesische staatsuniversiteit Gadjah Mada in Jogjakarta, waarmee de VU een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan vorig jaar, geniet de S.W. geen steun uit de fondsen van het PUO (Programma voor Universitaire Projekten van Ontwikkelingssamenwerking, dat in 1969 in ons land van de grond kwam en is ondergebracht bij de NUFFIC, de universitaire poot van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking). Van de Indonesische overheid krijgt S.W. een zeer kleine subsidie. De collegegelden voor studenten zijn hoog. Ze vormen een bron van inkomsten die belangrijk is voor de financiering van de universiteit. Is S.W. een elite-universiteit, omdat de collegegelden alleen zijn op te brengen door welgestelde ouders? Drs. H. Bootsma, algemeen sekretaris van de hervormde zending in Oegstgeest „gespreksleider" van de werkgroep voor Christelijk Hoger Onderwijs in Indonesië, zegt daar-

Een paar collegegebouwen op de Satya Watjana-campus. missie Ontwikkelingssamenwerking (ICCO), de Dienste in Uebersee, de United Board for Christian Higher Education in Asia (New York), de Mission Boards in Australië en Nieuw-Zeeland en de VU. De kontakten met de VU zijn geleidelijk tot stand gekomen, In 1964 werd tijdens een bezoek van Notohamidjojo, daarvoor de basis gelegd.

Incidenteel De hulp die de VU verleende was vry incidenteel. Uit de eigen (Veremguigs)niiddelen werden jaarlijks

over: „Er studeren van de ruim 2400 studenten ongeveer 800 ä 900 op een partiële of volledige beurs. Het geld daarvoor komt uit een reservering van tien procent van de collegegelden die in een beurzenfonds wordt gestopt Verder worden van vele kanten beurzen verstrekt, vooral van de zijde van de Nederlandse zending. In de studierichtingen die geld opleveren kom je inderdaad veel studenten uit de betere milieus, handelskringen, tegen, maar ik denk dat je dat aan alle universiteiten ziet." Tijdens een bezoek aan S.W. in sep-

Dr. O. Notohamidjojo, stichter en eerste rector van de universiteit Satya Watjana. Kreeg in 1972 een ere-doctoraat van de VU. tember 1978 werden hem door de universiteit cijfers voorgelegd waaruit bleek dat van het totale aantal studenten een vrij hoog percentage uit de lagere milieus afkomstig is. Gekeken naar de afgestudeerden konstateerde Bootsma dat zo ongeveer 25 procent van de ouders tot de kleine keuterboertjes behoort. Een percentage dat vergeleken met zo'n tien jaar geleden omhoog is gegaan, aldus drs. Bootsma. Ook zegt hij dat steeds meer ouders van afgestudeerden zelf geen schoolonderwijs hebben gehad: nu ligt het percentage op 33, terwijl dat in de eerste jaren van S.W. slechts 10 was. Overigens lijkt het hem wat onwaarschijnlijk dat een derde van de ouders niet naar school ging, maar, zegt hij, je kan toch wel konkluderen dat S.W. toch vrij redelijk uit de onderlagen van de maatschappij recruteert. Ongeveer twintig procent van de studenten komt van buiten Java. Bootsma signaleert dat het grote probleem is hoe men goede studenten van buiten het eiland kan krijgen. Ervaringsfeit is dat de scores van adspirant-studenten van buiten Java bij de toelatingsexamens laag zijn. Namens de Nederlandse donorinstanties heeft hij er bij de S.W. op aangedrongen dat men ondanks dat blijft proberen goede studenten van buiten Java binnen te halen. Voor de extra kosten zou met de Nederlandse zending in elk geval te praten zijn (bijv. uitvoeriger toelatingsexamens). Een vraag die hij zich ook stelde was waar de afgestudeerden terechtkomen. Antwoord: velen gaan als leraar naar het middelbaar onderwijs; verder komt een relatief groot deel terecht in overheidsfuncties op districts- en provinciaal niveau (weinigen werken er op de ministeries in Jakarta). Volgens de leiding van S.W. — de huidige rector dr. Sutarno en vier conrectoren, overkoepeld door een „Board of Trustees" — komt dat goed overeen met een van de doelen die men zich stelt: te werken voor de gewone bevolking van Indonesië. In het kader van het bijvak ontwikkelingsproblematiek bezochten in de zomer van 1977 tien VU-studenten en twee -docenten de universiteit Satya Watjana. Een van hen was Siebe Riedstra, student politicologie en assistent bij dr. Peter Idenburg ten behoeve van het Projekt „Imparialisme-Indonesië" van de vakgroep Internationale Betrekkingen. Volgens Riedstra, die ons zijn persoonlijke visie geeft, is de positie van S.W. jiogal delicaat omdat ze als privé-universiteit afhankelijk is van externe kontakten. 2je kan haar

kritiek op de Indonesische samenleving niet politiek vertalen. Riedstra: „Wij wilden in onze gesprekken de politieke positie erbij betrekken, maar daar kon je niet openlijk over praten. Wel in de privésfeer". Uit de privégesprekken bleek dat de studenten enerzijds dichter bij de bevolking stonden dan die van de Universitas Indonesia te Jakarta (UI), met wie Riedstra ook gesproken heeft, maar anderzijds waren ze minder kritisch. Aan de UI studeren veel „army children" (kinderen van de generaals), terwijl de studenten aan de S.W. mede afkomstig zijn van de nogal verspreid over Indonesië gelegen christelijke gebieden. De S.W.-studenten zijn volgens Riedstra echter „erg genuanceerd". Hij zegt: „De zes studenten waarmee ik intensief ben opgetrokken waren bang om zich hard tegenover het regiem uit te laten". De docenten zouden zelfs wel eens klagen over de passiviteit van de studenten, bijv. ten opzichte van het studenten >rerzet, dat aan de UI veel sterker is. Blijkens wat men aan de S.W. aan sociaal-wetenschappelijk onderzoek doet mag je de docenten als kritischer aanmerken, vindt Riedstra. ,J)e filosofie is dat er meer met de basis samengewerkt moet worden. De ideeën van Schumacher („Small is beautiful") vinden er nogal bijval. De opvatting leeft dat het onderwijs meer moet aansluiten bij de situatie van de leerlingen. Maar toch wordt er op twee gedachten gehinkt. Aan de ene kant kun je spreken van een kritische instelling, aan de andere kant van een zekere loyaliteit ten opzichte van de overheid. Riedstra meent dat Indonesiërs nogal uitgaan van het harmoniemodel. Ze proberen langzamerhand van binnenuit het systeem in de door hen gewenste richting te sturen. Prof. Verkuyl beaamt dit laatste als hij zegt: „Op hun eigen manier bieden ze tegenspel, of liever gezegd spelen ze hun eigen spel. Anders dan wij met onze konfronterende mentaliteit dat zouden doen. Het is de Indonesische behoefte aan harmonieus samenleven waarbij toch wel de puntjes op de i komen te staan". Riedstra stelt dat zijn oordeel over S.W. vooral gebaseerd is op het sociaal-wetenschappelijk instituut (LPIS) van S.W., want dat kent hij het beste. ,J)aar kiest men in elk geval voor de armste lagen van de bevolking. De landhervorming wordt er bijvoorbeeld vrijelijk besproken als mogelijk middel voor een betere inkomensverdeling". Landhervorming is overigens, hoe belangrijk ook, slechts één middel om de armoede te bestrijden en zo wordt het ook door het LPIS gezien blijkens een lezing van dr. Nico L. Kana (LPIS) voor de VU-studenten. Volgens het door de studenten geschreven verslag hiervan worden in het onderzoek van het LPIS naar de rurale ontwikkeling van Indonesië behalve de grondbezitsverhoudingen ook het bevolkingsvraagstuk („family planning"), de werkloosheidsproblematiek, het leiderschap in de dessa, en de armoede in het algemeen besproken. Transmigratie, dat volgens Verkuy! veel belangrijker is dan landhervorming en waar drs. Nico Schulte Nordholt (LPIS) — samen met Kana — zich o.a. mee bezig houden, is volgens Riedstra slechts een druppel op de gloeiende plaat. Riedstra: „ Er komen meer mensen bij dan er getransmigreerd kunnen worden. Er zijn bijvoorbeeld veel migranten van de buitengewesten naar Java toe. KenneUjk zijn er op Java meer mogelijkheden voor hen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 498

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's