Ad Valvas 1978-1979 - pagina 435
AD VALVAS — 18 MEI 1979
7
Veel te verwachten van nieuwe wetenschai minister van wetenschapsbeleid Van Trier • Met de benoeming van een nienwe minister van Wetenschapsbeleid is een eind gekomen aan een reeks van speculaties over wie de op 1 april van dit jaar overleden Marinus Pegnenbnrg in die functie zou opvolgen. Het werd nitondeigk een oude rot in het vak, iemand die al sinds 1973 het wetenschapsbeleid van de zijlijn nauwkeurig volgde: prof. dr. ir. A. A. l ï . M. van Trier, voorräUer van de Raad van advies voor het wetenschapsbeläd (RAWB). Al b ^ j n april werden vanuit CDA-kring de eerste contacten met prof. Van Trier gelegd en op 3 mei werd duidelijk dat hg het was, die Feijnenbnrg zou gaan vervangen. Er was nog slechts één hobbel: Van Trier was geen lid van een politieke partg, noch van de KVP. noch van het CDA. Het is waarschijnlijk tekenend voor Van Trier dat hij zélf — die in 1972 al eens als Commi^aris van de Koningin in Brabant was gepasseerd juist om deze reden — dat feit naar voren bracht Donderdag 3 mei heette het, dat Van Trier „vroeg of laat" lid zou worden van óf de KVP (met welke partij hij zich „geestverwant" voelt) óf rechtstreeks van het CDA. Uit het feit dat in een persbericht van de voorlichingsdienst van de minister van Wetenstdiapsbeleid, waarin nog diezelfde dag Van Triers benoeming wereldkundig werd gemaakt en waarin wordt vermeld dat Van Trier „lid van de KVP" is, concludeerde de Volkskrant op 8 mei, dat de nieuwe bewindsman kennelijk niet van „daadkracht" is gespeend. Met Van Trier heeft het kabinetVan Agt voor de nog vrij jonge portefeuille van Wetenschapsbeleid iemand binnen gehaald die terdege op de hoogte is van wat er op dit terrein speelt Fungeerde de eerste minister van Wetenschapsbeleid, de oud-directeur van een internationaal smaakstoffenconcem F. H. F. Trip, nog voornamelijk als smaakmaker voor wat wetenschapsbeleid in de Nederlandse constellatie zou kunnen gaan betekenen, en * was voor de tweede man op die post, Peijnenburg, wetenschapsbeleid nu niet meteen zijn specialisme of ambitie. Van Trier heeft het voordeel ^faad om beide ministers gedurende een zestal jaren van nabij te volgen en hen op vrijwel ieder belangrijk punt van advies te dienen. Met zijn benoeming tot minister doet zich de vrij unieke figuur voor dat hij nu in een andere rol geconfronteerd wordt met de adviezen, die hij zelf als voorzitter van de RAWB mee heeft helpen opstellen. Een aantal van de zaken, die de RAWB'heeft aangekaart, zijn nog bepaald niet in een stadium van afronding of realisering geraakt en dat wettigt de verwachting, dat de aandacht van de nieuwe bewindsman zich zeker op deze zaken zal richten. De tijd die Van Trier nog rest tot de volgende verkiezingen, zal daarom ook eerder een tijd worden van oogsten wat in een eerder stadium is gezaaid dan een periode waarin alweer nienwe plannen worden bedacht om wetenschapsbeleid in Nederland concreet gestalte te geven.
Budget Eén van die Jiot issues" waar zijn beide voorgangers zich al intensief mee bemoeid hebben — en Van Trier in een andere hoedanigheid eveneens — is de herstructurering van TNO, de door de overheid gesubsidieerde Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek. Van Trier kent die problematiek als voorzitter van de Centrale Organisatie TNO (1971 tot 1973) en later als bestuurslid daarvan zowel van binnenuit als ook van buitenaf; de RAWB heeft zich als adviesorgaan voor de minister van Wetenschapsbeleid op nogal grondige wijze met TNO bezig gehouden. Nu de herstructurering van TNO — bedoeld om deze organisatie een actievere rol te laten spelen binnen het door de overheid te voeren wetenschapsbeleid en de innoverende functie van dit instituut naar met name het midden- en kleinbedrijf toe beter uit de verf te doen komen — van alle kanten is bekeken en bestudeerd, is het aan Van Trier om de knopen door te hakken en de reorganisatieplannen op korte termijn in daden om te zetten. Een niet geringe klus overigens, maar met deze minister mag men verwachten dat er op dit stuk zaken te doen zullen zijn. Een zaak die hij zeker van zijn voorganger Peijnenburg zal overnemen en met kracht zal bevorderen is het beheren en zo mogelijk in omvang doen groeien van een eigen budget, waarmee de minister van Wetenschapsbeleid stimulerend kan inspelen op ontwikkelingen, die zonder een extra push van overheidszijde niet 'of maar zeer langzaam van de grond zullen komen.
Gerbrand
Feenstra
Peijnenburg was er zoals bekend in geslaagd binnen het kabinet toezeggingen en middelen los te weken voor wat hij noemde het centraal stimuleringsfonds: 5 miljoen dit jaar, 8 miljoen volgend jaar en 13 miljoen in 1981.
Bijdrage Aan het tot stand komen van dat stimuleringsfonds heeft Van Trier als RAWB-voorzitter een niet te onderschatten bijdrage geleverd. Er kwam onder zijn bewind geen Jaaradvies van de Raad tot stand of er stond wel een paragraaf in waarin de RAWB zijn onvrede uitsprak over de geringe mogelijkheden die de minister van Wetenschapsbeleid binnen de verhoudingen in het kabinet had, mogelijkheden die des te geringer waren omdat de minister geen eigen budget beheerde en voor ieder plan dat geld kostte afhankelijk was van het bereiken van overeenstemming met één van de collega's die een deoartement beheerde, dat wel geld te vergeven had. Wat de bevoegdheden van de minister van Wetenschapsbeleid betreft heeft Van Trier ook zeker bijgedragen tot de gedachtenvorming, die vorig jaar uitmondde in een formele regeling voor de concrete invulling van de coördinerende positie van deze bewindsman in het kabinet, een regeling overigens die zonder het politieke gewicht van Peijnenburg zélf wel niet zo snel tot stand gekomen zou zijn. Van Trier kan van deze afspraken in zijn nieuwe functie de vruchten plukken. En die vruchten zullen dan zeker ook liggen op het terrein van de rol en de functie van het universitaire onderzoek binnen het bredere kader van het wetenschapsbeleid. Niet alleen zijn op een aantal niet onbelangrijke terreinen (leerstoelenbeleid, zwaartepuntenbeleid, beheer en toewijzing van het nog te realiseren contingent aan universitaire assistent-onderzoekers, medezeggenschap met betrekking tot investeringen voor wetenschappelijk onderzoek, betrokkenheid bij de voorgenomen omvorming van de stichting ZWO in een Raad voor wetenschappelijk onderzoek) nauwkeuriger en gedetailleerder afspraken gemaakt over de samenwerking tussen minister van Onderwijs en wetenschappen, dr. A. Pais, en Van Triers voorganger, men mag aannemen, dat het universitaire onderzoek ook Van Triers warme belangstelling heeft.
Ter harte Meer dan zijn beide voorgangers is hij geïnvolveerd in de universitaire wereld. Van 1957 tot 1971 was hij gewoon hoogleraar in de elektrotechniek aan de Technische hogeschool Eindhoven, de laatste drie jaren tevens rector-magnificus en na 1971, toen hij voorzitter van de Centrale organisatie TNO werd en later (1973) voorzitter van de RAWB, bleef hij als buitengewoon hoogleraar aan de THE verbonden. Daarnaast was hij de laatste jaren ook Kroonlid van de Academische raad.
In zijn functie als voorzitter van de RAWB heeft hij herhaaldelijk te kennen gegeven dat het universitaire onderzoek hem ter harte gaat, zij het dat zijn uitspraken daaromtrent niet vrij waren van enige somberheid omtrent de mogelijkheden om kwantiteit en kwaliteit van het universitaire onderzoek te verbeteren. In dat verband verdient een tweetal zaken de aandacht. Van Trier heeft zich tot nu toe doen kennen als een warm voorstander van de door minister Pais gepropageerde twee-fasenstructuur voor het wetenschappelijk onderwijs in ons land. Nog voordat minister Pais zijn nota „Hoger onderwijs voor velen" publiceerde (mei 1978) verscheen het RAWB-jaaradvies 1977, waarin Van Trier de bewindsman adviseerde, teneinde de toen heersende impasse rond de herstructurering en herprogrammering van het wetenschappelijk onderwijs te doorbreken „duidelijker te kiezen voor het tweetrapsmodel, met reële garanties voor de opleidingsmogelijkheid van ^onderzoekers in een postdoctorale fase. Wellicht kan hierdoor een betere uitgangssituatie worden geschapen om meer studierichtingen tot een cur-
susduur van vier jaar of vier en een half jaar terug te brengen". De geschiedenis leert dat Pais althans in dit opzicht goed naar zijn toekomstige collega op de belendende ministerszetel heeft geluisterd. Een tweede punt dat Van Trier al langer zorgen baart is de geringe of vaak zelfs ontbrekende mobiliteit van het wetenschappelijk personeel aan de "Nederlandse universiteiten en hogescholen. Rond de presentatie van het RAWB-advies over de bevordering van de mobiliteit van wetenschappelijke onderzoekers heeft de nieuwe minister al duidelijk laten blijken, dat snel moet worden ingegrepen om de toenemende vergrijzing van het wetenschappelijke corps een halt toe te roepen. In zijn positie als bewindsman zal hij nu kunnen bevorderen dat een interdepartementale werkgroep, die zich over deze problematiek beraadt, snel tot eindconclusies komt. Iets anders ligt dat met de problematiek, die op een andere wijze aan het wetenschappelijk corps raakt. Sinds 1972 zit Van Trier de Stuurgroep structuur wetenschappelijk corps voor, een stuurgroep die zich al lange tijd bezint op de mogelijkheid om tot een betere en duidelijkere structurering van de personeelsopbouw aan universiteiten en hogescholen te komen. Juist dezer dagen had Van Trier het plan opgevat enige tijd vrij te maken om zich aan het schrijven van het eindrapport van deze in de wandeling geheten Stuurgroep-Van Trier te zetten. Zijn benoeming tot minister doorkruist het plan. Of zonder zijn leiding de stuurgroep nu snel het langverwachte eindrapport zal kunnen produceren staat nog te bezien. Wat minister Pais betreft liggen de zaken duidelijk: op aandrang van de Kamer en de universiteiten heeft hij in het najaar van '78 toegezegd de stuur-
groep tot spoed te zullen manen. Van Trier es. kregen te horen dat nog dit jaar vóór de zomervakantie hun aanbevelingen op het departement verwacht werden. De vergaderfrequentie steeg, maar daarmee ook het aantal controversen, die voor een belangrijk deel terug te voeren zijn op een stevige discussie binnen de stuurgroep over twee verschillende uitgangspunten aangaande de toekomstige opbouw van het wetenschappelijk corps: het carrièrebeginsel en het formatiebeginsel. Een meningsverschil waarbij Van Trier zich voorstander betoonde van een nadruk op het scheppen van carrièrelijnen tegenover de meer ambtelijke nadruk op het formatiebeginsel en de daaraan gekoppelde pyramidale opbouw van het wetenschappelijk corps. Van Trier krijgt spoedig de kans om te bewijzen wat hij waard is. Nu al valt hij met zijn neus in de boter wat betreft de voorbereidingen voor de Rijksbegroting 1980 en het Wetenschapsbudget, dat als eerste onderdeel daarvan aan het parlement zal worden gepresenteerd. En collega Pais loopt al langer met het idee rond nog voor de zomer met een beleidsnota over het universitaire onderzoek te komen, waarin de ideeën, die in het kader van het zogenaamde RWO-overleg over compartimentering van de geldstromen voor het universitaire onderzoek zijn ontwikkeld, nader worden uitgewerkt en toegespitst. Overeenkomstig de werkafspraken met Pais zal de minister van wetenschapsbeleid in de opstelling van die nota een say hebben en Van Trier zal er ook zeker het nodige over weten te zeggen. De benoeming van Van Trier tot minister van wetenschapsbeleid — een man die als geen ander het totale terrein kent, van binnenuit en van buitenaf — wordt hier en daar gezien als een testcase voor wat wetenschapsbeleid in Nederland kan worden. Maakt Van Trier er niets van, dan kan een wezenlijk beleid op dit punt voorlopig wel worden vergeten. Aan hem de taak om binnen te halen wat de afgelopen zes jaar is gezaaid en vaak moeizaam van de grond getild. (Folia Civitatis; Mare; GUPD)
Nog veel problemen rond crèche Vervolg van pag. 3 damse woningbestand onttrokken wat de transaktie vergemakkelijkte. Voor de financiële kant van de zaak is er bij de UvA ook een oplossing gevonden. Bij de VU, waar alle niet-subsidiabele uitgaven naar de Vereniging worden doorgeschoven, die daar dan voor moet opdraaien gaat dat soort dingen altijd moeilijker.
Lokatie
probleem
Trouwens ook het vinden van een geschikte lokatie van de crèche gaat bij de VU veel moeilijker. Voor de VU-campus geldt op dit moment een globaal bestemmingsplan, dat overigens toch nog behoorlijk gedetailleerd is. Binnenkort wordt er een nieuw bestemmingsplan vastgesteld, zo ongeveer het meest gedetailleerde, dat de stad Amsterdam rijk is. In zijn procedures loopt de gemeente al op dat nieuwe bestemmingsplan vooruit. Een crèche past daar niet m. Er moet dus van het bestemmingsplan worden afgeweken en dat kan alleen met toestemming van de gemeente. Nu is het vervelend, dat de gemeente zelf een ruimte in Buitenveldert beschikbaar heeft voor een crèche, waar de VU zonder veel problemen gebruik van zou kunnen maken. Die lokatie ligt echter ver van de VU helemaal aan het eind van de De Boelelaan in de buurt van het Alpha-hotel. De grote afstand tot de VU maakt deze lokatie wel erg onaantrekkelijk en haast irreëel. Een ander bezwaar, zo vernemen we, is, dat dit terrein liefst 600 vierkante meter bedraagt terwijl de VU slechts 200 vierkante meter nodig heeft. Zij zou echter wel erfpacht voor 600 vierkante meter moeten betalen. Te duur en te ver dus. De werkgroep heeft zelf een drietal
terreintjes op het oog in de direkte omgeving van de VU-campus aan de overkant van de De Boelelaan. Zij heeft enige hoop, dat met de gemeente overeenstemming kan worden bereikt over één van de terreintjes. Er is ook wel eens voorzichtig geinformeerd naar de mogelijkheid een crèche op te richten in het verlengde van het onderwijs en onderzoek aan de VU en met name dan bij pedagogiek. Prof. De Wit, hoogleraar pedagogiek, zag dat echter niet zitten en ook bij de werkgroep vond men dat eigenlijk maar niks. Want zo'n koppeling aan onderwijs en onderzoek zou zeker zijn gevolgen hebben voor de opzet van de crèche, waar de werkgroep een volledige verzorging, bijna zo goed als thuis, gerealiseerd wil zien.
Motieven Over de motieven voor de crèche worden in de werkgroep wisselend de accenten gelegd op het scheppen van optimale voorwaarden voor het personeel om te werken en dit motief gecombineerd met het scheppen van optimale omstandigheden om te studeren. Het is duidelijk, dat verder natuurlijk de gelijke kansen voor mannen en vrouwen om te kunnen werken een sterk argument vormen om tot een crèche te komen. Van de 454 VU-werknemers met kinderen van O tot 6 jaar waren er slechts tien vrouw, zo bleek uit een onderzoekje van Personeelszaken. Waaruit wel op te maken valt hoe moeilijk het voor vrouwen met kinderen van deze leeftijd is om een baan te hebben. Een mooie kans voor de VU om hier eens een voortrekkersrol te spelen. Bij het AZVU wordt het bestuur nog wat gehinderd door minder goede ervaringen met een crèche aldaar enkele jaren geleden. Die crèche funktioneerde niet zo best. Maar het bestuur had er dan ook
geen echt beleidspunt van gemaakt en door gebrek aan geld kon deze crèche niet goed worden opgezet en moest voor een groot deel met vrijwilligers draaien. Geremd door die ervaringen neemt het AZVU-beStuur nog een wat afwachtende houding aan maar het doet niettemin mee.
Enthousiasme Het CvB van de VU heeft direct gekozen voor een goede voorbereiding en de door het CvB ingestelde werkgroep doet zijn werk met groot enthousiasme. Zo enthousiast zelfs, dat de aktiegroep crèche zichzelf maar op non-actief heeft gezet hoewel met name het Interfacultair Vrouwenoverleg, dat zich overigens heeft vertegenwoordigd in de werkgroep, de ontwikkelingen goed in de gaten houdt Nog even iets over de enquête waarover elke werknemer en student op de VU een brief thuis heeft gehad en de AZVU-werknemer kan lezen in AZVU-informatie. Een vragenlijstje kan opgehaald worden op het bureau van de rector magnificus, tel. 3634, kamer 2D-30 in het hoofdgebouw van de VU en bij het informatiecentrum van de VU, lel. 3711, op ID-03 van het hoofdgebouw en voor het AZVU bij de receptie van de personeelsdienst, tel. 2593, kamer W 205 AZVU. In de toelichting bij de brief staat, dat deze verspreidingswijze nogal ongebruikelijk is. Het gevaar is nu namelijk aanwezig, dat minder gebruikers dan er in werkelijkheid zijn een ingevulde vragenlijst inzenden. Wat weer tot gevolg kan hebben, dat de onderzoekers ten onrechte tot de konklusie komen, dat een kinderopvang niet haalbaar is omdat de te verwachten behoefte te klein is. Het is dus zaak, dat elke gebruiker, potentiële gebruiker en toekomstige gebruiker aan de enquête meedoet, wil die er ook komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's