Ad Valvas 1978-1979 - pagina 263
AD VALVAS — 9 FEBRUARI 1979
3
Prof. Brasz: 'Goed, chief Jonathan heeft op een gegeven het tellen van de stemmen gestaakt...'
moment
Bestuurskunde-projekt in Lesotho: ontwikkelingshulp of kollaboratie? Ontwikkelingshulp of collaboratie? Dat vraag je je af als je je verdiept in het plan voor een gezamenlijk onderzoek van de VU en de universiteit van Lesotho naar de bestuurlijke organisatie van dit land. Het in nauwe samenwerking met de regering uit te voeren onderzoek zou 1 april a.s. moeten starten. Een regering onder leiding van chief Leabua Jonathan: niet gekozen door het volk, maar met behulp van Zuid-Afrika via een staatsgreep aan de macht gebleven nadat hij de verkiezingen had verloren. Het bestuurskunde-projekt is het derde in Lesotho in het kader van de samenwerking met de zgn. Boleswa-universiteiten (afkorting voor de landen Botswana, Lesotho en Swaziland). Wel moet het NUFFIC (Netherlands Universities Foundation For International Cooperation) er nog haar goedkeuring aan hechten. Deze instantie bepaalt aan de hand van een aantal kriteria voor het Nederlandse ontwikkelingsbeleid welke Projekten voor subsidie door „Ontwikkelingssamenwerking" in aanmerking komen. De instemming van het NUFFIC met het al wel door de subfakulteit en het College van Bestuur aangenomen onderzoeksplan is nog onzeker. Vorig jaar werd nl. het onderzoeksplan voor de verkennende fase, waarin de mogelijkheid voor de uitvoering van het eigenlijke projekt onderzocht zou worden, door het NUFFIC afgewezen. De VU draaide toen op voor de kosten, zodat het onderzoek toch plaats kon vinden. Over de inhoud van het projekt, maar ook over de politieke geladenheid ervan hadden wij een gesprek met de Nederlandse verantwoordelijke hoogleraar bestuurskunde Henk Brasz en studentassistent Erik Palstra. Omdat kennis van de situatie in Lesotho niet algemeen verbreid lijkt te zijn aan de VU raadpleegden wy ook andere bronnen om deze leemte wat op te vullen.
Lesotho heeft als staat een unieke ligging: het wordt geheel omsloten door Zuid-Afrika (zie kaart). Brasz: „Het volk van de Basotho is de bergen ingetrokken om zich met hand en tand tegen de landlustige Boeren te verzetten, toen die in 1834 hun Grote Trek begonnen. De Basotho is er een paar maal in geslaagd om de Boeren te verslaan, maar op een kritiek moment heeft koning Moshoeshoe zich onder bescherming gesteld van de Engelsen." Bijna honderd jaar is Lesotho on-
Prof. H. Brasz, stuurskunde
hoogleraar
be-
der de naam „Basotholand" een Britse kolonie geweest. De Britten probeerden er tegen zo weinig mogelijk kosten zoveel mogelijk opbrengsten uit te halen.
Uitbuiting Lesotho fungeert tot op de dag van vandaag als arbeidsreservoir voor Zuid-Afrika. Ongeveer 90% van de mannelijke beroepsbevolking (circa 200.000 man) is gedwongen trekarbeid te verrichten in de Zuidafrikaanse mijnen om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. De ökonomische afhankelijkheid manifesteert zich verder door een douane- en monetaire unie tussen Botswana, Lesotho, Swaziland en ZuidAfrika, wat impliceert dat er over en weer een vrij verkeer van goederen is en dat er een gemeenschappelijk buitentarief geheven wordt. In feite vormen de vier landen één ekonomisch systeem, waarbij ZuidAfrika als sterkste de dienst uitmaakt. Brasz typeert de relatie tussen Zuid-Afrika en Lesotho als een van uitbuiting, maar gelooft dat Lesotho door haar slechte ligging, klimaat en bodemgesteldheid altijd van Zuid-Afrika afhankelijk zal blijven, ongeacht welke regeringen er in beide landen aan de macht zijn. Ondanks dit sombere perspektief is
Simon
Kooistra
er in Basotholand een brede onafhankelijkheidsbeweging geweest, die zich in 1958 opspitste in twee partijen: de Basutoland Congress Party (BCP) onder leiding van Ntsu Mokhehle en de Basotho National Party (BNP) van chief Leabua Jonathan. De BCP keerde zich fel tegen Zuid-Afrika als „onderdrukkende, imperialistische macht" en heeft goede kontakten met de Zuidafrikaanse bevrijdingsbewegingen A N C en PAC. De BNP laat zich in haar partijstatuten nauwelijks uit over de verhouding met het buurland. Wel pleit ze in algemene bewoordingen voor naleving van de mensenrechten en spreekt ze zich fel uit tegen de communistische ideologie. De BCP vindt vooral aanhang onder de migranten, arbeiders, handwerklieden en werklozen. De BNP moet het hebben van de (sub)chiefs, priesters, handelaren en ambtenaren. Er worden nog enkele kleine partijen opgericht, waarvan de Marema Tlou Freedom Party (MFP) vermeldenswaard is. Deze partij steunt op de hogere chiefs, Tiandelaren en intellektuelen.
tal volgelingen voelen zich bedreigd en gaan in ballingschap. Een gematigd deel van de partij blijft in Lesotho en laat zich in het door chief Jonathan samengestelde parlement vertegenwoordigen. De laatste jaren lijkt de rust weergekeerd. Volgens Amnesty zitten er momenteel niet meer dan 5 politieke tegenstanders gevangen en vinden er geen folteringen meer plaats. In het verslag van het onderzoek naar de haalbaarheid van het projekt, de zgn. „verkenningsfase", waarin ook de vraag beantwoord moest worden of het projekt de lotsverbetering van de armen en een rechtvaardige verdeling zou bevorderen, wordt bijzonder weinig aandacht besteed aan de legitimiteit of het gebrek daaraan van de regering Jonathan. Alleen de droge feiten worden opgesomd. Braz over de staatsgreep: „Goed, chief Jonathan heeft op een gegeven moment het tellen van de stemmen gestaakt en op die manier voorkomen dat een andere partij aan de macht zou komen, maar we mogen niet onze westerse opvatting van demokratie opleggen aan een ontwikkelingsland als Lesotho. In vergelijking met andere Afrikaanse landen komt Lesotho er als meerpartijenstaat nog goed af. Zambia bijv., waar we ook een projekt gehad hebben, kent slechts één politieke partij."
Vluchtelingen Brasz en Palstra zijn overtuigd van de goede wil van chief Jonathan om een zelfstandige ontwikkeling van Lesotho te bevorderen. Hij zou afstand genomen hebben van ZuidAfrika's vroegere steun aan hem en steeds meer stelling nemen tegen de apartheidspolitiek. Dit wordt ontkend door de student niet-westerse sociologie Arnold Isaacs, die aan de Universiteit van Amsterdam zijn scriptie schrijft over de relaties tussen Zuid-Afrika en de drie Boleswa-landen: „Chief Jonathan laat zich alleen maar kritisch uit tegenover Zuid-Afrika om zich acceptabel te maken voor de binnenlandse oppositie en de landen van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Intussen laat hij wel de Zuidafrikaanse veiligheidspolitie rustig binnen om politieke vluchtelingen te arresteren." De bestuurskundigen van de VU zijn optimistisch over de mogelijk-
„overlopers", die gezwicht waren voor de avances van chief Jonathan. De meeste vertegenwoordigers van de partij, die in 1970 de verkiezingen won, zijn naar zijn zeggen na de onlusten in 1974 gevangen gezet of naar het buitenland gevlucht. Socioloog Arie van der Wiel, van 1974 tot 1978 werkzaam op het mini'-'<,rie van landbouw in de hoofdstad Maseru, durft het gelijk van de BCP-vertegenwoordiger niet te bevestigen of te ontkennen. Wel wijst hij op het feit dat waarschijnlijk veel aanhangers van de BCP ais trekarbeider in Zuid-Afrika werken, waardoor hun stem in Lesotho niet of nauwelijks gehoord wordt. Dit gaat des te meer op omdat het volgens hem vrijwel onmogelijk is om een overheidsbaan te krijgen voor iemand die niet op zijn minst sympathiseert met de BNP. Desondanks meent van der Wiel dat het — althans indirekt — wel mogelijk is voor de oppositie om invloed op het regeringsbeleid uit te oefenen: „Chief Jonathan moet steeds meer concessies doen om zich te kunnen handhaven. Ook in het openbaar neemt een Basotho geen blad voor de mond als hij kritiek heeft op de regering."
Decentralisatie Welke verbeteringen kan het bestuurskunde-projekt bewerkstelligen? Brasz: „Het merkwaardige van Lesotho is dat er wel een staat is
met een koning en een ministerpresident, maar dat er verder geen bestuursstruktuur is, behalve wat wij hier noemen de „rijksadministratie". Je hebt wel het traditionele systeem van de chiefs, maar er is geen „local government", zelfs de hoofdstad Maseru heeft geen gemeenteraad al wordt daar nu aan gewerkt. Het is dus een land dat in grote nood zit en het enige wat »ij daaraan proberen te doen is in overleg met de betrokkenen geleidelijk aan een consensus te bevorderen zpdat de machtsconcentratie in Maseru zal worden verminderd en er een decentralisatie zal plaatsvinden van bestuurlijke aard waardoor
orde. Palstra is echter van mening dat het vooral gaat om de functies die uitgeoefend moeten worden, vooizieningen die vooral gericht zijn op de lotsverbetering van de armen in Lesotho. Het gaat erom daar een adekwate struktuur voor te vinden. In het onderzoeksplan worden negen beleidsterreinen onderscheiden, die prioriteit zouden moeten krijgen in de ontwikkeling van Lesotho. Op het lijstje staan o.a.: een toename van de agrarische produktie, een verbetering van de marktpositie voor verschillende Produkten, kredietverlening, wegenaanleg, verbetering van de vruchtbaarheid van de grond, watervoorziening, gezondheidszorg en onderwijs. De scicktie is gemaakt op basis van het tweede vijfjarenplan van Lesotho (1975/76-1979/ 80). Dit omdat de onderzoekers hun voorstellen willen afstemmen op de behoeften van de overheid.
Aanpassen Brasz: „Dat past helemaal binnen onze wetenschapsopvatting, de praxeologie, die pleit voor zgn. beleidsgericht onderzoek: onderzoek dat uitmondt in praktische advie-
zen voor de overheid. En wat kan een regering doen met adviezen die niet op haar eigen prioriteiten zijn gebaseerd? Voor ons heeft dat alles met self-reliance te maken Naar ons idee bestaat er een spanningsrelatie tussen de norm van selfreliance en andere normen die door het N U F F I C gesteld worden bij samenwerkingsprojekten met buitenlandse universiteiten. Het N U F F I C wil dat we hiei vaststellen wat goed is voor een bepaald ontwikkelingsland. Dat staat echter self-reliance in de weg. Wij willen juist niet onze ideologische normen opleggen aan onze partners in het samenwerkingsprojekt, maar ons aanpassen aan de lokale behoeften."
Onderwijs onderzoek
In 1965 worden algemene verkiezingen gehouden. Zuid-Afrika steunt daarbij moreel en financieel chief Janathan. De BNP wint de verkiezingen en na de onafhankelijkheid in 1966 wordt chief Jonathan premier. In 1970 wint de BCP echter de verkiezingen. Met steun van Zuid-Afrika pleegt chief Jonathan dan een coup: hij roept de noodtoestand uit, ontbindt het parlement en blijft aan als ministerpresident.
heid van binnenlandse oppositie. Palstra: „Onze medewerker in Lesotho, Roel van der Geer, heeft in het onderzoek naar de haalbaarheid van het projekt met alle partijen gesproken en is tot de konklusie gekomen dat ze niet schromen om in het parlement en daarbuiten oppositie te voeren." Wat is echter de waarde van de ondergrondse oppositie? Een vertegenwoordiger van de BCP in ballingschap was in december jl. in NederlanI om — overigens tevergeefs — steun te vinden voor zijn party. Hy bestempelde het huidige kader van de BCP in Lesotho tot
in
'Niet onze westerse opvatting van demokratie opleggen'
Coup
In 1973 komt er een zgn. „interim parlement", waar vertegenwoordigers van de politieke partijen, de 22 belangrijkste chiefs en 11 vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties deel van uitmaken. De leden namens de politieke partijen en de organisaties worden benoemd door chief Jonathan. De BNP krijgt in strijd met de verkiezingsuitslag van 1970 de meeste zetels. De BCP protesteert heftig. Een roerige periode van onlusten breekt aan. In januari 1974 worden aanvallen uitgevoerd op een aantal politiebureaus, waarbij één politieman wordt gedood. Voor de regering is dit aanleiding voor een grootscheepse vervolging van BCPaanhangers. Volgens de „New African" worden 200 mensen gedood en 178 gearresteerd. Amnesty International stelt vast dat politieke tegenstanders soms worden gemarteld. BCP-leider Mokhehle en een aan-
Roel van der Geer, medewerker Lesotho
ter plaatse in de kernen, maar ook op het platteland door de mensen zelf beslissingen kunnen worden geTijdens het onderzoek zal regelmatig overleg plaatsvinden met de overheid over de gang van zaken, maar er zal ook met de oppositie gepraat worden en met de plaatselijke bevolking, zowel via maatschappelijke organisaties als individueel. Het probleem dat Basotho's in ballingschap of in migratiegebieden er wel eens andere ideeën over decentralisatie op na kunnen houden komt niet aan de
en
Een component van het projekt, die nog niet aan de orde is geweest, maar wel heel belangrijk is, is de onderwijssteunende taak. Deze hangt nauw samen met de researchondersteunende taak. Palstra: „De onderwijskrachten aan het Departement of Goverment and Administration van de universiteit van Lesotho kunnen dankzij het research-projekt ervaring opdoen met beleidsgericht onderzoek. Verder is het zo dat alle case-studies over de functies die van belang zijn voor ontwikkeling direkt worden gebruikt in het onderwijs van het Department. Er bestaat een tekort aan goede aktuele beschrijvingen van hoe het gaat aan overheidsinstellingen. De twee Nederlandse medewerkers, Roel van der Geer en een nog te benoemen tweede man, zullen les geven in Methoden en Technieken van beleidsondersteunend onderzoek, waarbij het research-projekt natuurlijk als uitstekend praktijkvoorbeeld kan dienen. Doordat Nederlandse medewerkers colleges geven worden stafleden aldaar gedeeltelijk ontlast zodat die zich meer met het projekt kunnen bezighouden. Je mag onderwijs en onderzoek dus niet als twee volledig gescheiden
Vervolg op pagina 4
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's