Ad Valvas 1978-1979 - pagina 12
12
AD VALVAS — 1 SEPTEMBER 1978
Werkgroep
RWO-overleg
komt na vier jaar int
De lange lijdensweg naar een overzichtelijke Het universitair onderzoek, dat uit de zogeheten eerste geldstroom wordt bekostigd, moet beter herkenbaar en beoordeelbaar worden, tussen eerste en tweede geldstroom moet een duidelijke coördinatie tot stand komen en de onderzoekers zelf moeten hiervoor in hoge mate verantwoordelijk zijn. Dat zijn de uitgangspunten, die de werkgroep RWO-overleg koos voor de nieuwe vormgeving, die zfl voorstelt voor de financierings- en beoordelingsstruktuur van het universitair onderzoek in ons land. De werkgroep vindt dat er gekozen moet worden voor een meervoudige financiering en advisering, waarbij zowel de Academische Raad als de Raad voor het Wetenschappelijk Onderwijs (die ZWO moet gaan vervangen) een belangrijke rol spelen. Deze gedachten zijn terug te vinden in het eindrapport van de werkgroep, die drie jaar geleden door de toenmalige staatssecretaris Klein werd ingesteld en als voornaamste taak kreeg de ideeën over een andere organisatievorm van ZWO uit de nota Wetenschapsbeleid van oudminister Trip nader uit te werken.
door Jaap
Kamerling
Na bijna vier jaar is de werkgroep nu met voorstellen; gekomen, waarvan de basisgedachten ontleend zijn aan zowel de Nota Wetenschapsbeleid als aan de Nota Planning uit 1975 van Klein. Ook in dit rapport, net als in de nota van Klein, een splitsing van de eerste geldstroom in drie deelstromen naast de tweede en derde geldstroom. De eerste deelstroom (IA) heeft als funktie het wetenschappelijk onderzoek, gerelateerd aan het wetenschappelijk onderwijs, te financieren. De omvang ervan wordt bepaald in relatie met de noodzakelijke onderwijscapaciteit, op basis van een per faculteit of per studierichting te ontwikkelen model. In dit verband wordt wel gesproken van zogenaamd onderwij sgebonden onderzoek, in tegenstelling tot bv. meer fundamenteel grensverleggend onderzoek of toegepast onderzoek. Deelstroom IB moet het de tmiversiteiten mogelijk maken met behulp van een e^en beleidsruimte zelf accenten te leggen in het onderzoek en een eigen onderzoeksbeleid te voeren. Het gaat hier om geld, dat rechtstreeks van de minister naar de universiteit gaat, die zelf over de besteding van deze 'vrije' beleidsruimte mag beslissen (denk bij de VU aan de bestaande beleidsruimte onderzoek voor doelstellingsgericht en multidisciplinair onderzoek). Advisering over toewijzing uit deze beleidsruimte speelt zich binnen de universiteit af. De verantwoording door de universiteit over de besteding van dit geld vindt achteraf plaats. Dit al door een aantal instellingen in gang gezette IB-beleid wordt gezien als één van de eerste aanzetten tot konkretisering van het onderzoek, dat om andere redenen dan iQuter uit oogpunt van handhaving van het wetenschappelijk karakter van de universiteit wordt verricht. Deelstroom IC kan ook in dit licht bezien worden en is bedoeld om in het kader van een landelijk universitair wetenschaps- en onderzoeksbeleid een taakverdeling tussen de universiteiten te bewerkstelligen. Dat wetenschapsbeleid wordt door de gezamenlijke Instellingen in het kader van de Academische Raad ontworpen en in overleg met de minister afgestemd op het' nationale wetenschapsbeleid. De plannen voor onderzoek uit deze deelstroom moeten vooraf op tafel liggen. De funktie van de huidige tweede geldstroom laat de werkgroep onaangetast. Deze geldstroom dient om onderzoek van kwaliteit te stimuleren en om landelijke coördinatie tussen onderzoeken te bevorderen. Zij vloeit via de beleidsvoerende en beherende nieuwe RWO naar de onderzoekers en is aanmerkelijk kleiner dan de eerste geldstroom. Omvat de eerste stroom 1 ä 2 miljard, de tweede geldstroom niet meer dan een honderd miljoen per jaar. Daarbij moet wel bedacht worden dat alle salarissen uit de eerste geldstroom worden betaald (dus ook voor het tweede geldstroomonderzoek) terwijl de tweede geldstroom louter uit onderzoekskosten bestaat. De
Net op het moment, dat het zo zoetjes aan steeds meer vergrijzende corps van onderzoekers aan onze vaderlandse instellingen voor hoger onderwijs de koffer al zo ongeveer had gepakt om het betrekkelijk kalme ritme van het onderzoekersbestaan te onderbreken voor een ruime vakantie-periode werd een tot een minimum, teruggebrachte academische bevolking weer eens vergast op een rapport over een nieuwe struktuur voor ons universitair onderzoek: het eindrapport van de 'werkgroep KWO-overleg' (RWO staat voor de nog niet bestaande Raad voor het Wetenschappelijk Onderzoek). Een paar maanden tevoren had de RAWB (Raad van Advies voor Wetenschapsbeleid) in een pessimistisch jaaradvies nog geklaagd over het eindeloze gediskussieer over de vraag hoe en binnen welke strukturen het onderzoek zich het beste zou kunnen ontplooien. 'Er zijn weinig wezenlijk nieuwe bijdragen geleverd tot de meningsvorming' zo klaagde de RAWB. Het meest recente voorstel (van het RWO-overleg) is ook niet bepaald wezenlijk nieuw en Tnen kan zeker niet zeggen, dat hier nu eens de heldere en overzichtelijke struktuur wordt aangeboden waar ondertekend Nederland al zoveel jaren op zit te wachten. In onderstaand artikel gaan we in op de voorstellen van de werkgroep RWO en voorzien deze al analyserend van enig kommentaar.
Waarom en dan
eerst splitsen coördineren?
De nagestreefde coördinatie tussen eerste en tweede geldstroom in de voorstellen van de werkgroep doet nogal moeizaam aan. Waarom gddstromen eerst splitsen ea vervolgens coördineren, wat dan moet plaatsvinden tussen beleidsen beheersinstanties, die een verschillende struktuur bezitten. En waarom die stromen (deelstroom IC en tweede geldstroom) scheiden, als ze zoveel op elkaar lijken. De organisatie van de geldstromen, zoals voorgesteld, ziet er trouwens nog ingewikkelder uit dan ze nu al is. De universiteiten en de Academische Raad dragen de verantwoordelijkheid voor het eerste geldstroomonderzoek. De werkgroep ziet de RWO als verantwoordelijk voor het tweede geldstroomonderzoek maar daarnaast samen met de instellingen en de AR ook -voor de onderlinge afstemming van het eerste en tweede geldstroomonderzoek. Het komt er nu op neer, dat de beoordeling en financiering van onderzoek, waarvoor een landelijke coördinatie is vereist (onderzoek uit deelstroom IA en de tweede stroom) in handen is g e l ^ d van heel verschillende instanties met een heel verschillende struktuiu": Academische Raad en Raad voor het Wetenschappelijk Onderzoek. Om toch nog enige coördinatie te krijgen mag RWO wel een oogje in het zeil houden op deelstroom IC maar de Academische Raad houdt samen met departement van Onderwijs dit onderzoek volledig onder controle.
raden buigen zich dan over de vraag of je in aanmerking komt voor subsidie. Om nu de financieringsstruktuur van het wat meer beoordeelde, geselecteerde en landelijk enigszins gecoördineerde onderzoek, niet al te veel te 'dubbelen' stelt de werkgroep wel voor in beide strukturen (AR en RWO) dezelfde werkgemeenschapskommissies te laten funktioneren. En dat is wellicht een aardige aanzet om uiteindelijk tot een overzichtelijker, meer geïntegreerde struktuur te komen. De werkgemeenschappen vormen namelijk de landel^k georganiseerde basis van het onderzoek. Ze worden gevormd vanuit de vakgroepen van alie faculteiten in het land, die hun corifeeën afvaardigen in de werkgemeenschappen. Zodra je een nivo hc^er komt — het facultair nivo. dat in de Academische Raad correspondeert met de sectie en in de RWO met de afdeling — zie je de struktuur al uiteenwaaieren: de sectie en de afdeling. En weer een nivo hoger kom je dan terecht bü de Raden, waaronder secties en afdelingen ressorteren: de Academische Raad en de Raad voor het Wetenschappelijk Onderzoek. Uit de nota blijkt niet dat het de bedoeling van de werkgroep is om vanuit de kreatie van de werkgemeenschappen uiteindelijk te komen tot een geïnt^reerde struktuur maar in aanleg lijkt dat wel mogelijk.
Wanneer je als onderzoeker voor subsidie een gooi doet naar die deelstroom moet je een onderzoeksplan indienen bij de minister, die dit voor advies overlegt aan de Academische Raad. Daarna worden ingeschakeld: de des-
Een belemmering vormt wellicht, dat in deelstroom IC de minister het laatste woord heeft en in de tweede geldstroom de ministeriële invloed wat meer is ingedamd. Het RWO-bestuur wordt weliswaar benoemd door de minister, die zelf als waarnemer de vergaderingen van het bestuur kan bezoeken, maar de minister heeft hier zijn macht toch wat gedelegeerd: binnen bepaalde grenzen heeft de RWO zelf een ruime mate van vrijheid bij de besteding van de rijksbijdrage. In de nota Wetenschapsbeleid, waarin minister Trip voor het
betreffende werl^emeenschap (vooraanstaande onderzoekers uit het hele land per vakgebied) de sektie van de AR met zijn eventuele wetenschapscommissie en de CAVWO (AR-Commissie Algemene Vraagstukken Wetenschappelijk Onderzoek). Bovendien vraagt de minister nog advies aan de RWO met het oog op de onderlinge afstemming tussen uit de deelstroom IC en de tweede geldstroom gefinancierd onderzoek. Het RWO-bestuur moet zich dan weer laten adviseren door de RWO-afdeling en werkgemeenschapscommissies. Klop je aan voor financiering uit de tweede geldstroom, dan moet je je onderzoeksplan indienen bij de werkgemeenschapscommissie. RWO-organen als afdelingsbestuur, beleidsadvieskommissie, /het RWO-best.uw en zijn .advies-
eerst het idee voor de RWO laniceerde besliste het departement over de subsidiëring, na advisering door de RWO en werd uitbetaald via het buro van de RWO. In een eventueel geïntegreerde struktuur zou de ministeriële invloed opnieuw bekeken kunnen worden. De secties van de AR zouden him onderzoekstaak kunnen overhevelen naar de afdelingen van de RWO en de AR zelf zou zich vooral kunnen bezighouden met het onderwijs en dat deel van het onderzoek, dat primair in dienst staat van het onderwijs. De CAVWO (de kommissie van de AR, die zich met onderzoek bezig houdt) zou er daarbij op kunnen toezien, dat het onderwijs op de universiteiten voldoende gevoed wordt door onderzoek. Jan Moen pleit in het Chemisch y(feekbladi) ook voor rpinder bemoeienis, van,
Moeizaam
de AR en zijn secties met het meer vrije (dus minder onderwijsgebonden) onderzoek. Ook ziet hü weinig in een splitsing van de eerste geldstroom in drie deelstromen. De derde vindt hij teveel lijken op de tweede geldstroom. De RWO-struktuur zou naar zijn mening ook wel wat simpeler kunnen. Gezegd moet worden, dat de werkgroep het door minister Trip aanvankelijk geschetste ontwerp van de RWO al wat heeft vereenvoudigd maar zelf vraagt de werkgroep zich toch met zorg af of de 'complexe struktuur, die voor de RWO wordt gekozen wel past bij de karakteristieken, die deze organisatie zou moeten hebben.'
Indrukwekkend Trip had een wel zeer indrukwekkende organisatie opgezet in ziJn nota Wetenschapsbeleid: een centrale raad met vertegenwoordigers van een aantal depe^rtementen, door O en W aangewezen deskimd^en, vertegenwoordigers van de AR en de voorzitters van de afdelingen; daaronder vijf afdelingen, elke met een raad, die door de minister wordt benoemd op voordracht van de AR, de centrale raad en de werkgemeenschappen. Elke afdeling kon weer onderafdelingen hebben (zoals er faculteiten zijn) en elke afdeling heeft werkgemeenschappen. Het departement ontvangt de adviezen maar beslist alles zelf. Uitbetaald wordt via het RWO-buro. , In de nota van de RWO-werkgroep worden de vier besturende lagen (centrale raad, afdeling, onderafdeling en werkgemeenschap) vervangen door twee besturende lagen (RWO-bestuur en afdelingsbestuur) met elk een of twee adviserende lagen (afdelingsvoorzittersoverleg naar het RWO-bestuur toe, de werkgemeenschappen en beleidsadvieskommissies naar de afdelingsbesturen toe. Er wordt gekozen voor één topbestuur (RWO-bestuur in plaats van de centrale raad en zijn dagelijks bestuur) en ministeriele waarnemers
sturende invloed van ZWO (straks RWO) is dus groter dan het niet zo indrukwekkend lijkende bedrag doet vermoeden. Minister Pais heeft trouwens onlangs gezegd, dat de omvorming van ZWO in RWO een uitbreiding van de middelen voor de tweede geldstroom noodzakelijk maakt. Over de derde geldstroom laat de werkgroep zich niet uit. Dit is onderzoek, dat in directe opdracht van overheid, bedrijfsleven en allerlei maatschappelijke instellingen (zoaJs vakbonden) plaatsvindt. Het wprdt meestal contractresearch genoemd en heeft een nogal toegepast karakter. Als we nu deze nieuwe indeling in geldstromen bekijken, dan komt daarin zeker een streven naar meer beoordeling van het onderzoek tot uitdrukking. De opsplitsing van de eerste geldstroom doelt daar duidelijk op. De deelstromen IB en IC maken beide beoordeling noodzakelijk. WU een universiteit eigen accenten leggen bij zijn onderzoek en een eigen onderzoeksbeleid voeren dan zal er bevoordeling mtoeten iriaatsvinden (kiiik bv. naar de beleidsruimte onderzoek aan de VU) en deelstroom IC financiert 'onderzoek, dat afgestemd moet zgn op een nationaal onderzoeksbeleid.
in plaats van vertegenwoordigers in het RWO-bestuur. Verder worden er nog enkele adviesraden voor grote gebieden van wetenschap voorgesteld en een voorzittersoverleg (vanuit de afdelingen). Toch nog behoorlijk ingewikkeld als je al die organen moet passeren (zie boven) bij een subsidieaanvraag.
Trips 'maximale demokratie' Minister Trip vond destijds, dat in zijn opzet de demokratisering maximaal werd gediend. De werkgemeenschappen waren vertegenwoordigd in de afdelingen, die weer hun vertegenwoordiging hebben in de centrale raad en via de ruime vertegenwoordiging in afdelingen > en centrale raad van • de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's