Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 14

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 14

10 minuten leestijd

14

AD VALVAS

Aan de universiteiten en hogescholen in ons land is nog niet of nauwelijlis sprake van een helder onderzoeksbeleid. In de tot op heden nog vrij of vrijwel gesloten winkels van de vakgroepen worden de onderzoeksplannen vastgesteld en vervolgens hoogstens formeel door de (sub) fakulteitsraden goedgekeurd. En op het universitaire topniveau, waar men zich overigens slechts globaal met onderzoeksbeleid kan bezighouden, is men nog op zoek naar een goede verhouding tussen bestuurlijke bemoeienis en de aloude, maar reeds ietwat beperktere vrijheid van de onderzoekers. Er zijn echter veranderingen op til. Niet alleen landelijk, maar ook universitair wil men meer zicht op het wetenschappelijk onderzoek hebben. Dat onderzoek kost veel geld en dat geld is tegenwoordig maar beperkt voorhanden en daarom is het belangryk te weten wat daarmee gebeurt. Met name op de universiteiten en hogescholen, waar ongeveer de helft van het door de overheid (mede) gefinancierde onderzoek wordt gedaan. De dreiging van een centralistische aanpak met allerlei bureaukratische ongenoegens voor de onderzoekers wordt door steeds meer mensen als reëel ervaren. De nullijn — gelijkblijvende middelen tot 1983 — is een feit geworden. De groei, ook voor het onderzoek, is eruit. Het is nu 'verdelen van de armoe' en roeien met de riemen die Je hebt. Het ziet ernaar uit dat de komende jaren een periode van 'taakverdeling en concentratie' zullen zijn: de uni'versiteiten en hogescholen zullen tot een verdeling van onderzoekstaken moeten komen en de onderzoekers zullen niet meer vry zijn onderzoek van hun gading aan te pakken. Het lopende onderzoek zal daartoe om te beginnen afdoende moeten vvorden geïnventariseerd en beoordeeld. Op plaatsen waar slecht onderzoek wordt gedaan hangt de wetenschappers afbouw ervan boven het hoofd. Er zal een kompetitiesfeer ontstaan, waar de onderzoekers bang voor zullen zijn. Hun traditionele vrijheid staat op het spel. Ze zullen zich meer dan ooit tevoren moeten gaan verantwoorden voor wat ze doen. Ze beginnen langzamerhand in te zien dat het ernst wordt. In mei dit jaar werd in Utrecht een eerste symposium over de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek gehouden, waarop vele honderden onderzoekers — 'door angst gedreven bijeengekomen', zoals de VU-hoogleraar prof. dr. P. G. Smellk het noemde — met elkaar van gedachten wisselden.

Geen ommekeer

WUB

stemd. De vuistregel voor de tijdsverdeling 40% voor onderwijs, 40 7o voor onderzoek en 20% voor bestuur en beheer was niet langer in praktijk te brengen, zo viel in de fakulteiten te beluisteren. De studenten stonden voor de deur, het onderzoek kon wel op een lager pitje worden gezet. 'Lesboeren' werd een nieuw Nederlands woord. Ook de bestuurs- en beheerswerkzaamheden waren flink toegenomen.

Stimuleringsakties De universiteitsbesturen zagen in dat het met het onderzoek de verkeerde kant uit dreigde te gaan. Bij het merendeel van de instellingen, waaronder de VU. werden stimuleringsakties op touw gezet. De universitaire top riep 'researchpools' in het leven: een beperkt aantal van de jaarlijks door Den Haag toe te wijzen nieuwe personeelsplaatsen werd speciaal voor onderzoek gereserveerd

en

Intussen deed zich een andere ontwikkelir^ voor, die veel meer koersbepalend was. Het onderzoek kwam geleidelijk in de verdrukking. De demokratisering en de resultaten van de naoorlogse geboorteplek veroorzaakten een toeloop van dichte drommen nieuwe studenten. Omdat elke universiteit graag groeide — dan kreeg zij ook meer personeel — waren die drommen haar aanvankelijk welkom. Al gauw konden de universiteiten de studentenstroom echter met best meer verwerken. De voortekenen van de (nu echte) bezuiniging op de nationale onderwijsbegroting (inflatoire ontwikkeling) resulteerden in een in feite achterblijven van nieuw personeel en andere middelen. En daarbij was het onderwijs arbeidsintensiever geworden (werkgroepen, projectonderwijs). Bovendien slokte het nadenken over een andere opzet van het onderwijs (herstrukturering, herprogrammermg) ook de nodige tijd op. Er kwamen weliswaar studentenstops, maar al met al vergde het oiiderwijs steeds meer tijd die eigenlijk voor onderzoek was be-

JVat gebeurde

er op de

VU? Hoe verliep de ontwikkeling aan de VU? Ook hier was het universiteitsbestuur bezorgd over de omvang en kwaliteit van het onderzoek. De voorzitter van het college van bestuur, dr. K. van Nes, noemde

Nog steeds geen behandeling

in UR

Haalt nota over onderzoeksbeleid van DAK-fraktie teveel overhoop? De fraktie van het Demokratisch Akkoord (DAK) in de universiteitsraad meent dat het onderzoeksbeleid op universitair niveau moet berusten op de visie dat onderwijs en onderzoek bij elkaar horen als centraal kenmerk van een universiteit. Zo'n visie is er aan de VU niet, aldus het DAK. Omdat ondertoijs en onderzoek uit elkaar dreigen te groeien, gezien de ontwikkelingen in en om de universiteiten, vindt het DAK dat er snel zo'n samenhangende visie dient te komen. Omstreeks april dit jaar kreeg de raad een DAK-nota met daarin een voorstel hoe het allemaal beter zou kunnen. Het DAK gaat uit van één universitaire onderzoeksruimte, waarin de personeelsplaatsen van de beleidsruimte onderzoek (32) en de onderzoeitspool (40) zijn samengebracht. De plaatsen zullen door de universiteitsraad, die samen met de commissie onderwijs en onderzoek de centrale verantwoordelijkheid heeft, over drie groepen worden verdeeld: a. een onderzoeksbeleidsruimte voor de beleidsontwikkéling bij vakgroepen en (sub/inter)fakulteiten; b. idem voor probleemgeoriënteerd multidisciplinair onderzoek; en c. idem voor onderzoek dat bijzondere betekenis heeft in het kader van de christelijke doelstelling van de VU. De DAK-nota is hier en daar inmiddels wel besproken. De commissie onderwijs en onderzoek heeft zich erover gebogen. Maar een behandeling in de universiteitsraad laat nog steeds op zich wachten. Haalt de (uitvoerige) nota te veel overhoop? (J.v.d.V.)

vergeleken met de andere universiteiten en hogescholen extra in het nadeel wegens de grote achterstand in het aantal toegewezen personeelsplaatsen (die liep in de honderden). En tenslotte was er de doorgaande groei van de onderwijslast. De VU zal moeten kiezen hoe zij aan de nieuwe ontwikkelingen mee zal doen, aldus Van Nes.

Jaarlijkse

en instituten gevraagd naar hoe het onderzoek er georganiseerd was en welke onderzoeksprojekten er liepen. Er bestond te weinig Inzicht in de onderzoekssituatie op universiteitsniveau. Men wilde graag te weten zien te komen waarom er zo weinig middelen uit de tweede geldstroom (ZWO) naar de VU toevloeiden vergeleken met de andere instel-

inventarisatie

van

onderzoeksprojé

Universiteiten beginnen onderzoeksbelei

door

De wet universitaire bestuurshervurming had in 1970 ook voor het onderzoek een nieuwe periode moeten inluiden, waarin plaats was voor demokratische kontrole op wat voordien autonoom door het inzicht van oppermachtige hoogleraren werd bepaald. De samenleving was de ivoren torens van de wetenschap kritischer gaan bekijken en vroeg om verantwoording over de besteding %'an haar belastingcenten. De wet bracht die ommekeer niet. Dat was niet zo verwonderlijk, want zij was (is) niet zo duidelijk en het geld voor onderzoek bleef gewoon bij de fakulteiten binnenstromen, ook al waren er geen onderzoeksprogramma's, zoals die door de wet waren voorgeschreven. In uitzonderingsgevallen was men begonnen met op een rijtje zetten wat er aan onderzoek op de fakulteit gebeurde.

Studentenstroom bezuiniging

d oor Jan van der Veen

groep universitair onderzoek (GUO), een club die onder voorzitterschap stond van de toenmalige minister voor wetenschapsbeleid, jhr. mr. M. L. de Brauw. Daarin werd een centralistische organisatiestruktuur voor het onderzoek voorgesteld. Maar die werd over het algemeen afgewezen, met name door de Academische Raad, die een dergelijke struktuur strijdig met de WUB vond, waarin juist een demokratische opzet wordt voorgeschreven. Begin 1976 kwam de WUO met een nota uit: voor het veilig stellen en verbeteren van het imiversitaire onderzoek zijn de universiteiten zelf de eerst verantwoordelijken en verder dient men te allen tijde rekening te houden met de kwaliteit van de personen aan de basis. De WUO, die daar in zijn nota voor een struktuur voor het onderzoek vanuit ging, leverde dus weerwerk . 'Als de onderzoekers zelf geen initiatieven nemen om tot een universitair onderzoeksbeleid te komen, dan moet er in de huidige situatie mee worden gerekend, dat de overheid zelf min of meer dwingende maatregelen voorschrijft,' had prof. P. Zandbergen als lid van de WUO op een symposium van de werkgroep in Utrecht in 1975 gezegd.

1 SEPTEMBER 1978

en in een apart potje gestopt. Vandaaruit werden deze plaatsen op basis van bepaalde kriteria voor enige jaren uitgedeeld om het onderzoek binnen de fakulteiten te bevorderen. Als de periode om was, kon de plaats weer ergens anders in de universiteit worden besteed. Het idee van de 'researchpool' was niet nieuw. Het werd al een poos toegepast door sommige fakulteiten (letteren in Utrecht, medicijnen in Rotterdam, de Wageningse fakulteit). De universiteitsbesturen zeiden er vaak bij dat ze op den duur nog meer aandacht aan het onderzoek als aparte beleidsgrootheid zouden willen geven (het uit elkaar halen van het weefsel van onderwijs en onderzoek?). Daarvoor zou nog een methode moeten worden gevonden. Spottend werd er hier en daar door onderzoekers van 'ZWO-tje spelen' gesproken. (De Nederlandse organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek verstrekt onderzoeksubsidies uit de zg. tweede geldstroom. De eerste geldstroom omvat de middelen die rechtstreeks naar de universiteiten toegaan ter verdelii^ over fakulteiten en diensten.) J. de Koning wijst er in het OTOcahier Op weg naar criteria voor onderzoeksbeleid (1976) op dat het grootste belang van dit alles was dat de diskussie over onderzoeksprioriteiten werd aangezwengeld. En verder dat dit nog slechts een begin voor de universeiten kon zijn. Of een onderzoeksvoorstel aan de gestelde kriteria voldeed was minder belangrijk dan dat het onderzoek inderdaad werd gedaan, schrijft hij. Vaak werden afgewezen voorstellen van vakgroepen naderhand toch uitgevoerd, bijvoorbeeld via de tweede geldstroom (ZWO). En dat was positief.

WUO In 1973 stelde de Academische Raad de werkgroep ad hoc universitair onderzoek (WUO) in. Niet zonder reden, want een jaar eerder was er een nota verschenen, geschreven door de gespreks-

daarvoor in het bestuursverslag over het voorbije academisch jaar in september 1974 drie faktoren. De VU was van oudsher in de eerste plaats 'onderwijs-universiteit' geweest. Verder was de VU

Inventarisatie Op }iet universitaire topniveau was er inmiddels al het een en ander gebeurd. Begin 1974 had het college van bestuur de fakulteiten

lingen. Bovendien zou het budgetrecht door de universiteitsraad beter gehanteerd kunnen worden, als er op basis van informatie meer inhoudelijk naar de situatie binnen de diverse fakulteiten zou kunnen worden gekeken. Ook voor de wetenschappelijke konmiunikatie binnen de VU en naar buiten toe was een 'onderzoeksplaatje' dienstig. Kortom, men wUde zijn verantwoordelijkheid voor het onderzoek op universiteitsniveau gestalte geven. De fakulteiten zouden er voor de vorming van hun onderzoeksbeleid ook veel aan kunnen hebben. De inventarisatie leverde 889 Projekten, dat wU zeggen min of meer afgebakende blokken onderzoek, en door haar opzet veel meer gegevens op dan haar magere voorloopster ia 1972-'73. Toen was de fakulteiten slechts gevraagd hun onderzoeksthema's te melden. In zijn begeleidende rapport (april 1975) attendeerde dr. G. D. Thfls (bureau planning), die de inventarisatie had uitgevoerd, op de noodzaak van een regelmatige, bijvoorbeeld tweejaarlijkse inventarisatie. Dan pas kunnen de ontwikkelingen op het onderzoeksterrein zichtbaar wolden. Maar het zou tot dit jaar duren voor er een nieuwe centrale inventarisatie in de startblokken werd gezet. Daarover straks meer.

Beleidsruimte

onderzoek

Augustus 1974 besloot de universiteitsraad op voorstel van het college van bestuur een zg. beleidsruimte voor het onderzoek in te stellen. Diezelfde vergadering werden er tien personeelsplaatsen voor gereserveerd. Een voorzichtige start. Doel: het bevorderen van goed en veelbelovend onderzoek dat niet van de grond komt en het vergroten van het VU-aandeel in de tweede geldstroom. Er zou naderhand gesproken worden over de samenstelling, taak, v.'erkwijze en status van een daarvoor in te stellen commissie (september/oktober dat jaar). De toewijzing uit de beleidsruimte (voor een beperkte periode en een of meer jaren) zou vooral een 'versnelde optaouwfunktie' moeten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 14

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's