Ad Valvas 1978-1979 - pagina 33
AD VALVAS — 8 SEPTEMBER 1978
5
Tegenover
UR-leden
en pers
(incl./Ad
Valvas)
Universiteitsbestuur mag zich niet Voor VU-medewerkers in teveel met onderzoek bemoeien beginsel vrijheid van meningsuiting
Het universitaire topbestuur (UR en CvB) is reglementair aan handen en voeten gebonden, waar het gaat om wat de faculteiten wel of niet willen onderzoeken en hoe ze dat organiseren. Aan de andere kant beschikt het universiteitsbestuur over de instrumenten die het onderzoek bq de faculteiten kunnen bevorderen, waarvan de toewijzing van de formatieplaatsen één van de belangrijkste is. Hierin ligt nu een paradox. Op deze wijze beslist het universiteitsbestuur namelijk, ondanlis dat het daartoe geen bevoegdheden bezit, voor een deel welk onderzoek door wie en waar binnen de fakulteiten verricht wordt. Tot deze constatering kwam de rector magnificus van de VU prof. D. M. Schenkeveld afgelopen maandag bö de opening van het academisch jaar in zijn rede, die als titel droeg: 'de paradox van het universitaire onderzoeksbeleid'. De rector had de WUB (Wet Universitaire Bestuurshervorming) erop nageslagen om te zien welke bevoegdheden het universiteitsbestuur bezit ten aanzien van het wetenschappelijk onderzoek. Maar één artikel bleek van toepassing te ztjn, namelijk art. 27. Daarin staat dat de UB de richtlijnen en regels voor de coördinatie en organisatie van het onderwijs en de wetenschapsbeoefening vaststelt. Fakulteiten en vakgroepen komen er beter vanaf. Volgens de wet kunnen zij het onderzoeksprogramma vaststellen, goedkeuren en uitvoeren. Bovendien zyn ze gemachtigd de wetenschapsbeoefening te coördineren en organiseren. De bevoegdheden van de UR krachtens art. 27 zyn trouwens zo onduidelijk, dat de uitoefening van dat artikel hem al spoedig üi conflict brengen met de andere artikelen, aldus de konklusie van de rektor. Deze reglementaire zwakte van het universiteitsbestuur geeft evenwel een onvolledig beeld. Er bestaat ook nog zo iets als begroting, toewijzing, leerstoelenbeleid, personeelsbeleid en bouwbeleid, beheer van gebouwen, waaronder veiligheidsmaatregelen. De maatregelen op deze gebieden kimnen het onderzoek wel degelijk beïnvloeden. Het zijn de instrumenten waarover het imiversiteitsbestuur beschikt. By het gebruik ervan moet volgens de rektor steeds als uitgangspunt gelden: 'Worden ze toegepast ter bevordering van het onderzoek en zit er geen nevendoel bij waarover het universiteitsbestuur geen zeggenschap heeft'. Eén van die instrumenten, waardoor het imiversiteitsbestuur voor een deel beslist welk onderzoek door wie en waar binnen de fakulteiten wordt verricht is de toewijzing van formatieplaatsen, met name via de Beleidsruimte Onderzoek (B.R.O.) waarby het gaat om een 32-tal formatieplaatsen. De toekenning geschiedt direkt door de UR en niet door de fakulteiten. De fector stuitte hier op een paradox, die niet alleen van theoretische aard is maar ook praktische gevolgen heeft. Dat bleek nog de vorige week in de UR-vergadering, toen de raad over de verlenging van een toewijzing moest beslissen. Die tegenstelling, zo vervolgde de rektor, zou je kunnen oplossen door de BRO af te schaffen en de vrijgekomen gelden op de gebruikelijke manier bij de andere gelden onder te brengen. Maar over het geheel genomen zijn de ervaringen met de BRO positief. Zo wordt bijvoorbeeld het beleidsmatig denken op vakgroeps- en fakulteitsniveau bevorderd en wordt multi-disciplinair onderzoek gestimuleerd. Het aanvaarden van de paradox betekent voor Schenkeveld wel dat er nauwkeurig op toegezien moet worden dat het imiversiteitsbestuur niet te ver gaat in zijn optreden. Aan de VU is een goede oplossing gevonden in de ihstelling van de commissie-BRO die uit ervaren onderzoekers uit het wetenschappelijk personeel bestaat en de aanvragen beoordeelt. De rektor zou er voor zijn dat de commissie ook de beslissing over toewijzing feitelijk voor
Jan van der
Het verstrekken van informatie door individuele medewerkers van de VU (eventueel als raadslid), het vragen van informatie door individuele leden van de universiteitsraad en het (laten) publiceren van de eigen mening over universiteitszaken moeten worden beheerst door het beginsel van de vrijheid van meningsuiting en worden begrensd door de belangen en een goede wijze van funktioneren van de universiteit, haar diensten en medewerkers. Hierbq behoren de desbetreffende artikelen (59 en 60) van het personeelsreglement VU als norm te worden gehanteerd. Slechts repressief (dus achteraf) en niet anders dan per geval mag worden vastgesteld waar de grenzen liggen. Aldus één van de konldusies van de werkgroep informatie-verstrekking, die vorig jaar werd ingesteld nadat de UR een vernietigend oordeel had gegeven over een door het CvB ingevoerde nieuwe informatie-regeling, die een kanalisering van informaties vanuit de diensten aan raadsleden en de pers inhield: voortaan zouden alleen nog maar informaties kunnen worden ingewonnen via de diensthoofden.
Veen
haar rekening neemt. Het imiversiteitsbestuur zou dan achteraf de beslissing door middel van een verslag moeten controleren. De algemene kriteria voor toewijzing, waaraan de BRO-commissie zich dient te houden, moeten dan wel door het universiteitsbestuur worden vastgesteld. De rector zou graag zien, dat het universiteitsbestuur, wanneer het zou overgaan tot herziening van de kriteria, met name één daarvan schrapt of tenminste herformuleert. Dat is de bepaling, dat aanvragen de voorkeur verdienen als daarin onderzoek wordt voorgesteld 'dat van bijzonder belang is. gezien de doelstelling van de VU'. Deze bepaling stoelt naar de smaak van de rector op de bekende leuze uit Orwell's '1984': 'All animals are equal but some are more equal than others' (de leuze komt overmans niet uit '1984' maar uit een ander boek van dezelfde schrijver nl. 'Animal Farm' red.). Immers, zei hij, de VUdoelstelling geeft aan, dat 'de uni-
Rector-magnificus Schenkeveld
prof. D.
M.
versiteit zich ten doel stelt al haar arbeid... te richten op het dienen van God en Zyn wereld'. Tenslotte vraagt hij zich af of nauwkeurig vastgelegd moet worden waar, wanneer en hoe het universiteitsbestuur handelend dient op te treden inzake het onderzoeksbeleid. Naar zijn mening kan dat niet best, gegeven de op dit punt bestaande onduidelijkheid (de paradox). De taak van het universiteitsbestuur is vooral het scheppen van voorwaarden waaronder de onderzoekers hun onderzoek naar behoren kunnen verrichten. Zonder zich in een beleidsmatig keurslijf vast te leggen dient het universitaire bestuur zijn volledige aandacht op deze taak te richten.
Na de afwijzing van deze regeling door de UR trok het CvB de gewraakte regeling in en werd er besloten tot instelling van een werkgroep, die de hele materie van het verstrekken van informatie eens zou gaan bestuderen. De werkgroep werd samengesteld uit enkele CvB-leden, enkele UR-leden, de heer S. T. Cnossen (later F. P. G. Postema) en werd voorgezeten door het UR-lid B. L. de Jong. Met de konklusies, waartoe de werkgroep nu is gekomen bleek de universiteitsraad zich in zijn eerste vergadering na de vakantie te kuimen verenigen. Behalve de al genoemde konklusie konkludeert de werkgroep ook, dat de pers (inclusief Ad Valvas), gezien het algemeen erkende recht op vrije nieuwsgaring en de persvrijheid, het recht heeft tot het inwinnen van informatie en tot het publiceren van de resultaten daarvan. De media mag in het algemeen
Vervolg van pagjna 1 duidelijk kader scheppen zowel voor de taken als de middelen, waarop het beleid van wetenschappelijke instellingen zich kan oriënteren. Hij toonde zich op dit punt tevreden over de opstelling van universiteiten en hogescholen, die hij opvallend konstruktief noemde. 'Het veel gehoorde verwijt van starheid en hebzucht van de academische wereld is volstrekt gelogenstraft'.
Blik
vooruit
Dr. Van Nes kon de verleiding niet weerstaan een blik vooruit te werpen op de veranderingen die de komende jaren in vrijwel alle sectoren van het universitaire bestel zullen plaatsgrijpen. Duidelijk blijkt voor hem dat in Nederland een politieke keus met betrekking tot het hoger onderwijs zich begint af te tekenen: hoger onderwijs voor zeer velen, behoud van een onderzoekstaak op internationaal niveau, geen groei van middelen en dus bezuiniging en aanpassing van het huidige stelsel. Deze keus is de belangrijkste achtergrond van de veranderingen die voelbaar zullen worden voor alle niveau's van de universitaire organisatie, voor zowel studenten als docenten: 'Vrijheidsgraden van individuen en collectieven (vakgroepen en fakulteiten) zullen worden aangetast; keuzemogelijkheden in studie, onderwijs en onderzoek worden beperkt; jurering en selectie krijgen meer nadruk; wellicht zal de ruimte voor gedemocratiseerd zelfbestuur worden verminderd. Wie leeft bij het ideaal van ruime mogelijkheden tot ontplooiing, beweging en activiteit in studie, onderwijs en onderzoek, overeenkomstig eigen wensen, behoeften en inzichten, zal het moeilijk krijgen.' Verderop in zijn rede maande de heer Van Nes de faculteitsraden
Leden van de Studentenraad VU (SRVU) maakten van de gelegenheid gebruik om nog eens duidelijk te maken dat ze de voorstellen van Pais (nota Hoger Onderwijs voor Velen) afwijzen en de door de universiteiten ingediende herprogrammeringsvoorstellen (met vrijwel over de hele linie een vijfjarige kursusduur) willen zien ingevoerd. aan uiterlijk mei 1979 de faculteitsreglementen aan te passen aan de vorig jaargewijzigde Regeleii van de VU. BiJ het in gebreke blijven van de raden zou het bestuur van de Vereniging tot die aanpassingen moeten beslissen.
Bouwstop
dreigt
Ch'er de bouwaktiviteiten zei Van Nes dat op grond van berichten uit Den Haag de ter beschikking komende bedragen voor nieuwbouw onder zware druk zullen komen te staan. Overigens zal in het voorjaar van 1979 het middenstuk van het gebouw van de faculteit wiskunde en natuurwetenschappen, dat bestemd is voor scheikunde, gereedkomen. Wat zijn voorstellen in het bestuursverslag van vorig jaar betreft om de salarissen van de hoogstbetaalden aan de universiteit te verlagen merkte Van Nes op dat het idee nu landelijk aan de orde is gesteld en het CvB besloten heeft de beleidsvoornemens
van de regering op dit punt af te wachten. In verband met de nota 'Slanke lijn', die nog onder het kabinetDen Uyl is verschenen en waarin gepleit wordt voor het aantal hoogleraren van 2000 tot 1400 terug te brengen, memoreerde hy het onlar^s geuite voornemen van minister Pais om het vervullen van bestaande vacatures van kroondocenten (hoc^leraren en lectoren) pas mogeiyk te maken na toestemming van het ministerie. De VU heeft hierop afwyzend gereageerd. Eerst moeten er criteria opgesteld worden voor de bepaling van het aantal noodzakeiyke kroondocenten. Bovendien zou de autonomie van de wetenschappeiyke instellingen in het gedrang komen. Tenslotte zei Van Nes over de doelstelling dat nu een klimaat ontstaan is met meer ruimte voor Initiatieven om het evangelie in het werk in te vullen nadat de discussie over verdere reglementering vorig jaar ten einde kwam.
niets in de weg worden gelegd om hun taak op het gebied van voorlichting en meningsvorming te volbrengen. De vraag of elke door de persmedia gewenste informatie kan, mag of moet worden gegeven is overigens volgens de werkgroep niet zonder meer bevestigend of ontkennend te beantwoorden. De verplichting tot geheimhouding van bepaalde zaken, het eventuele beding van vertrouweiykheld en de belangen van imiversiteit en medewerkers zullen hierby steeds de grenzen zyn. Verder konkludeert de werkgroep dat de universiteitsraad het recht heeft over alle zaken die reglementair op zyn terrein liggen, geïnformeerd te worden en dat het kollege van bestuur de plicht heeft tot het geven van die informatie. Een en ander vloeit voort uit de Regelen van de VU. Dit recht en deze plicht kunnen c.q. moeten in beginsel op ieder moment tot gelding worden gebracht. Het tydstip van informatie kan echter, in overleg met de (desbetreffende kommissie van de) UR nader worden bepaald en het is ook mogeiyk, dat informatie onder beding van vertrouweiykheld aan de raadsleden wordt verstrekt. Het uitoefenen van dit recht en deze plicht (in de relatie UR-CvB) dient doorgaans plaats te vinden in de UR en zyn kommissies. Ook is het inwiimen van informatie door individuele raadsleden mogeiyk. In zqn rapport verwijst de werkgroep naar de aankondiging van de vroegere minister van Binnenlandse Zaken, mr. W. F. de Gaay Fortman (oud-rector van de VU), bij de behandeling van zijn begroting voor 1977 vorig jaar, in de Tweede Kamer, dat er "binnenkort' een wettelijke regeling bij de Kamer zou worden ingediend over de grondrechten van de ambtenaar. Hierbij zal, zo zei de minister, de nadruk liggen op het recht van meningsuiting. Het gaat erom, aldus De Gaay Fortman, een evenwicht te vinden tussen het belang van de ambtenaar bö een vrije meningsuiting en het belang van de overheid bij een zekere terughoudendheid. Hy vindt het van 'uitnemend' belang, dat de ambtenaar zelf leert de grenzen van zyn vryheid te bepalen en in dit verband ziet hy geen andere weg om regelend op te treden dan het geven van een algemene norm die richtsnoer is voor de beoordeling van elk afzonderiyk geval. De norm, waaraan de minister denkt, is dat de ambtenaar zich dient te onthouden van uitingen en gedragingen, indien deze het goede funktioneren van het dienstonderdeel waarvan hy deel uitmaakt of de goede vervulling van zyn funktie zouden verstoren. De werkgroep vindt, dat op grond van de nu hpersende, vry algemene opvattingen over vrijheid van meningsuiting voor de medewerkers van de VU geen andere normen mogen gelden of mc^en worden ingevoerd dan boven geschetst. Zolang de wetteUjke regeImg voor ambtenaren er nog niet is, meent de werkgroep, dat in voorkomende gevallen kan worden volstaan met toepassing van de artikelen 59 en 60 van het VUpersoneelsreglement.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's