Ad Valvas 1978-1979 - pagina 265
AD VALVAS — 9 FEBRUARI 1979
Wethouder Jan Schaefer en werkelijkheid':
5
in eerste lezing Studium
Génerale-cyclus
'Wonen
tussen
utopie
Wordt de pil nu wat verguld?
Geen botte bulldozer-technieken en liever woningverbetering dan sloop en nieuwbouw „Wie over Amsterdam praat, spreekt over een woon- en verblijfplaats. Wie echter denkt daarmee een waarheid als een koe uit te spreken heeft het mis. De stad als woonplaats is tientallen jaren lang door beleidsmakers, stedebouwers, wereldverbeteraars en architecten dood verklaard. De grote stad was voor velen een ongewenst bijprodukt van de industriële revolutie. Nog maar vlak achter ons ligt de tijd, dat de stad als woonplaats voor de grote massa van de bevolking werd verworpen; dat hoge dichtheden, menging van wonen en werken en een stedelijk ordeningsprincipe van straten, pleinen en gesloten bouwblokken als misdaden tegen de mensheid werden gezien. Wie herinnert zich niet het beleid van city-vorming, kaalslag van oude 'wijken, gigantische verkeersdoorbraken en overloop? Dit beleid is uitzichtloos gebleken voor het oplossen van huisvestingsnood en stadsvernieuwing. De resultaten ervan hebben ons letterlijk en figuurlijk verder van huis gebracht." Dat zei Jan Schaefer de amsterdamse wethouder van volkshuisvesting en stadsvernieuwing eind vorige maand in de eerste lezing in het kader van het Studium Generale „Wonen tussen utopie en werkelijkheid". De wethouder vatte ih deze lezing een soort credo samen van zijn visie op het stadsvernieuwingsbeleid. Een helder betoog af en toe onderbroken door kreten als „hondelul". Na de lezing werd ingehaakt op het betoog van de onverstoorbare wethouder, wiens ontruimingsbeleid tgo. krakers in een voorafgaande bijeenkomst was gekraakt. Het nog maar net door het huidige college van B en W afgezworen beleid was enerzijds het beleid van overloop (naar Purmerend, Almere etc), reisafstanden, steeds maar weer verkeersvoorzieningen en aantasting van het open landschap en anderzijds de leegloop van de stad, de verloedering van woonbuurten en de afbraak van het voorzieningennivo in de stad. Dit beleid joeg de maatschappelijke kosten op tot een onaanvaardbaar hoog peil. Als je naar de stedelijke voorzieningen kijkt wordt dat overduidelijk. Terwijl in de stad steeds minder mensen overblijven om daarvan gebruik te maken, groeit de vraag ernaar in de overloopgemeenten enorm. In Amsterdam staan scholen, wijkgebouwen etc. leeg, in de groeigemeenten zijn ze hard nodig. In Amsterdam moet er steeds meer geld op worden toegelegd. Een vorm van verspilling, die het gevolg is van het nu verlaten overloopbeleid. Het is nog maar zeer kort, betoogde Schaefer, dat het stedelijk beleid wordt ingegeven door de kenmerken van de stad zelf, haar ruimtelijke struktuur, haar gebruikers en bewoners. Groningen en Rotterdam gingen ons voor in het kiezen voor de stad als zinvolle woon- en verblijfplaats, in een positieve keuze voor stedelijk wonen. Na een lange periode van veel botsingen tussen bevolking en gemeentebestuur, dat zónder die bevolking diens belangen behartigde, kwam ook eindelijk in Amsterdam een omslag in het beleid. Dit nieuwe beleid werd vastgelegd in het program-accoord van het nieuwe college van B en W. Niet langer wordt de stad beschouwd als een historisch gegroeid kwaad maar als een waardevolle en onvervangbare samenklontering van menselijke aktiviteiten, waarvan het wonen naast het werken de spil vormt. Voorop staat nu als doelstelling bij
Jaap
Kamerling
stadsvernieuwing het handhaven en waar nodig versterken van het stedelijk karakter van Amsterdam. Waarbij wordt uitgegaan van een verscheidenheid van woningen, voorzieningen en funkties, funktievermenging (wonen én "werken), kleinschaligheid en hoge bebouwingsdichtheden.
Andere bevolkingspolitiek Duidelijk benadrukte Schaefer daarbij, dat het geplande streven naar een „evenwichtige bevolkingssamenstelling" (meer grote welvarende gezinnen naar de stad) verleden tijd is. „Tot de stedelijke samenleving (zoals die in Amsterdam) voelen bepaalde bevolkingscategorieën zich nu eenmaal meer aangetrokken dan andere. Wie bepaalt welke bevolking in Amsterdam thuis hoort en op welke gronden? Geen theoretisch geplande bevolkingssamenstelling
gebied van Amsterdam zelf. De bebouwingsdichtheden in stadsvernieuwingsgebieden en uitbreidingsgebieden moeten daarom in vergelijking met het vroegere beleid omhoog. Dat sluit aan op het handhaven van het stedelijk karakter. Schaefer noemde nog twee andere mogelijkheden om het grondgebied volledig te benutten: verdichtingsbouw in na-oorlogse wijken, het zogenaamde „inbreiden" en het zoeken naar nieuwe bouwterreinen in Amsterdam. Als mocht blijken, dat op langere termijn toch nog woningen buiten Amsterdam moeten worden gebouwd, dan kiest Schaefer voor een ander planologisch beleid. Geen overloop en geen nieuwbouw tussen Hoofddorp en Haarlem. Want zo'n nieuwe stad sluit niet aan op de bestaande struktuur van het openbaar vervoer, en wordt een auto-stad. Het is veel beter eventuele nieuwbouw zoveel mogelijk te laten aansluiten op de bestaande bebouwing en de bestaande openbare vervoerslijnen. Wanneer zou blijken, dat geluidshinder van de vliegtuigroutes van Schiphol' geen rol van betekenis zou spelen zou woningbouw tussen Amstelveen en Uithoorn in de Bovenkerkerpolder veel meer voor de hand liggen. De sneltramverbinding die tussen Amsterdam en Amstelveen wordt aangelegd kan dan op eenvoudige wijze worden doorgetrokken. Ook een bouwlokatie aan de noordkant van Weesp aan de bestaande spoorlijn ziet Schaefer als een aantrekkelijk alternatief. Dat deze alternatieven worden misprezen acht hij planologische blunders van formaat. Het laat zien, dat aan de prioriteit van het openbaar vervoer slechts lippendienst wordt bewezen. (Wat bebouwing van de Bovenkerkse polder betreft: de Amstelveense gemeenteraad heeft zich daar onlangs unaniem tegen uitgesproken zodat die mogelijkheid niet direct voor het grijpen ligt. Red.)
Overloop tijdelijk medicament dus meer, waarbij een deel van de bestaande bevolking over het hoofd viordt gezien. „Ik ga uit van de bestaande bevolking! In de eerste plaats bouwen voor Amsterdammers, die hier wonen en willen blijven wonen. Daar heb je je handen vol aan." Voorrang wil de wethouder daarbij geven aan woningbouw, die betaalbaar is voor de mensen om wie het gaat. (Over die betaalbaarheid bleek hij nogal tevreden.) Uitgangspunt is verder dat er zoveel mogelijk gebouwd wordt op het grond-
Hoge dichtheden, verdichtingsbouw en nieuwe bouwlokaties in Amsterdam of direct er tegen aan zijn, zo betoogde de wethouder, beleidsmiddelen om de overloop naar verder weg gelegen oorden tegen te gaan. Was de stad tot voor kort op sterven na dood en de overloop een tovermiddel voor een doodzieke patiënt, nu zijn de rollen omgedraaid en zien wij de overloop als een tijdelijk medicament met ongewenste bijwerkingen. De stad moet zichzelf genezen. De problemen van de stad moeten binnen de stad zelf en door len stedelijke aanpak worden opgelost en niet door de bevolking de stad uit te jagen. Hoe lang het nog duurt voordat deze benadering de overloop overbodig maakt, hangt af van het tempo en de beschikbare middelen. „Want vooralsnog zullen we de overloop nodig hebben om in deze overgangsfase Arasterdammers aan een onderdak te helpen." In samenhang daarmee vindt Schaefer een stadsgewestelijke benadering van de woningbouw nodig. Willen we alle Amsterdammers in het stadsgewest laten wonen dan is distributie in de gehele regio Amsterdam noodzakelijk.
Welzijnsvast
Een artist van de Amsterdamse groep „Dogtroep" geeft een demonstratie van wat je allemaal met het hoofdgebouw kan doen. Deze ludieke aktie speelde zich af in het kader van het Studium Generale „Wonen tussen utopie en werkelijkheid". Zo zie je het betonnen ftame van dit schijnbaar fantasieloze interieur weer eens in een ander perspektief. Een uitnodiging tot meer experimenten. Misschien aardig voor de gedragswetenschappen op onze universiteit.
pensioen
Wat de financiering van het nieuwe stedelijke beleid betreft vindt hij, dat niet alleen de Amsterdammers hiervoor moeten opdraaien. Amsterdam is immers een nationaal bezit. Voer de stadsvernieuwing kan extra geld worden vrijgemaakt door verschuiving in prioriteiten bijvoorbeeld in het planologisch beleid (afremmen overloop, wegenaanleg en ruimtegebruik). Maar dat levert niet genoeg op. Je kunt ook niet straffeloos de overheidsgaven blijven opvoeren.
Schaefer: uitjagen".
„Geen mensen
de
stad
Daarom een pleidooi van Schaefer om de publieke armoede van de stad te bestrijden door het indammen van de particuliere welvaart. Dat kun je doen door het zogeheten uitgestelde inkomen, het geld, dat terecht komt bij banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen voor een deel te investeren in de stadsvernieuwing. Dat levert misschien een lagere pensioenuitkering op maar het beleggen van deze gelden is een investering in de toekomst, die een welzijnsvast pensioen oplevert. Terugkerend van dit financiële uitstapje nam- Schaefer weer de draad van zijn stedebouwkundig credo op. Geen tuinsteden meer met lage woondichtheden en open blok-verkaveling, waar de leegheid domineert en de wind vrij spel heeft. Wc moeten ons richten op de voor Amsterdam kenmerkende verkaveling van openbare straten en pleinen en gesloten bouwblokken met stille binnenterreinen. Dat betekent niet het klakkeloos nabouwen van in vroeger tijden ontworpen wijken en ook niet het goedpraten van de speculatie- en revolutiebouw van de 19e eeuwse wijken. Wel moeten we inspiratie putten uit het stedelijk ordeningsprincipe in plaats van het anti-stedelijk denken en ons verdiepen in de funkties en betekenis van de bestaande stad: De cityfunkties moeten we concentreren in de oude binnenstad en rond de toekomstige ringspoorbaan. In de rest van de stad moet het wonen de centrale plaats innemen. Amsterdam wordt gekenmerkt door een veelsoortigheid van economische activiteiten. Het behoud daarvan is belangrijk ook voor de kwaliteit van de stad als woon- en verblijfplaats. Daarom is een evenwichtige ruimtetoedeling voor de werkfunktic essentieel en een menging met andere funkties (zoals het wonen). Ook in de woonbuurten moet die menging van funkties blijven en daarom pleitte Schaefer ook voor een betere subsidieregeling van het Rijk voor het in stand houden van het midden- en kleinbedrijf in de buurten. Binnen de stad ziet hij als nieuwe bouwlokatie voor woningen en bedrijven het Oostelijk havengebied.
Stapsgewijs Wa,t de stadsvernieuwing betreft bepleitte Schaefer een procedure waarbij de direkt betrokkenen zeggenschap krijgen. Ook moet er een duidelijke fasering zijn in het vernieuwingsproces met een stapsgewijze aanpak en moet de gemeentelijke organisatie worden aangepast aan de buurtorganisatie. Wat ^rote gevolgen zal hebben voor de beslissingsbevoegdheden en politieke verantwoordelijkheden op de verschillende nivo's. De gemeenteraad moet de randvoorwaarden vaststellen voor de aanpak maar de beslissingsvrijheid van de buurt moet zo groot mogelijk blijven. Om die vrijheid waar te kunnen maken moet de buurtorganisatie worden versterkt door ambtelijke en deskundige ondersteuning. Kort
De belijdenis, die wethouder Schaefer aan het begin van de Studium Génerale-cyclus „Wonen tussen utopie en werkelijkheid" aflegde van zijn stadsvernieuwingsgeloof en beleid klonk ongetwijfeld enthousiast en stimulerend. Het is een credo, dat lang niet gek klinkt. Blok voor blok vernieuwen samen met de bewoners, liever verbeteren dan slopen, Amsterdammers zo min mogelijk wegjagen via de overloop naar verre plaatsen, kleinschaligheid etc. We kunnen de wethouder er voortaan duidelijk op- aan spreken. Maar geschrokken ben ik toch wel eventjes van de terloopse opmerking van Schaefer, dat „het devies" voor de 19e eeuwse wijken nieuwbouw luidt (dus eerst alles slopen). Precies wat wethou'jer De Cloe uit het vorige college van B en W ook wilde. Alleen zei die het wat onhandiger (of eerlijker) door exact te etaleren hoeveel woningen er gesloopt zouden moeten worden tot het jaar 2000. Hel verschil met Schaefer lijkt te zijn, dat die de pil liever wat verguldt. Trouwens wat wil Schaefer nu eigenlijk in de 19e eeuwse wijken? Eén dag na zijn lezing was hij aanwezig op een buurtbijeenkomst in De Pijp waar de bewoners kozen voor een plan waarbij slechts 110 woningen van de 370 zouden worden gesloopt en de rest wordt gerenoveerd. Het pian van de gemeente behelsde sloop van alle 370. Precies volgens het devies van Schaefer. Maar wat zei deze in De Pijp? Dat hij persoonlijk de voorkeur gaf aan een plan, dat het midden hield tus.sen dat van de bewoners en dat van de gemeente. Een handige manoevre? Of is Schaefer inderdaad bereid om echt naar de bewoners te luisteren? (J.K.)
mnar krachtig moet de individuele bewoner beslissen over zijn woning, de straatbewoners over hun straat en de buurtbewoners over hun buurt. Er moet blok voor blok en straat voor straat zorgvuldig worden vernieuwd. De invulling van de gemeentelijke randvoorwaarden moet per buurt vastgesteld worden in overleg met de bewoners. Het bestaande stratcnpatroon dient uitgangspunt te zijn bij de vernieuwing. Dat sluit aan op de noodzaak de bebouwingsdichtheid van de oude wijken niet te verlagen. Geen botte bulldozertechnieken maar een opbouWproces waarbij behoud en herstel in het algemeen de voorkeur verdient boven sloop en nieuwbouw. Opmerkelijk genoeg echter luidt bij Schaefer het devies van nieuwbouw voor de hele 19e eeuwse gordel. Wat dat betreft verschilt hij niet van zijn voorganger De Cloe, die precies hetzelfde voor ogen stond. In deze gordel is veel particulier bezit en versnipperd eigendom en dat zal een meer genuanceerde aanpak wel belemmeren. Voor de schil rond de 19e eeuwse gordel, die vooral in de periode 1920 tot 1940 valt wil Schaefer woningverbetering. Hier is een planmatige aanpak van woningverbetering mogelijk omdat veel woningen er in bezit zijn van niet-winst beogende en door de overheid gecontroleerde instellingen. Veel wooncomplexen, die behoren tot de vermaarde Amsterdamse school kunnen zo behouden blijven. Veel nadruk legde Schaefer ook op een goede afstemming van vraag en aanbod per buurt bij de stadsvernieuwing. Als er veel grotere woningen worden gebouwd terwijl de vraag vooral kleinere betreft zit het fout. Voor een goed vernieuwingsproces moeten zoveel mogelijk be-
Vervolg op pagina 10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's