Ad Valvas 1978-1979 - pagina 341
AD VALVAS — 23 MAART 1979
/ie iten op de campus
weer
opgeslagen
mwf^'é bij andere hier dus veroorzaakt door de mensen die een medische studie als eerste voorkeur hebben opgegeven maar bij hun tweede voorkeurstudie in dit geval biologie, worden geplaatst".
Meerjarenafspraken Vervolgens worden de prognoses geconfronteerd met de zogenaamde meerjarenafspraken die de universiteiten (met uitzondering van de UvA en KUN) met de minister van onderwijs en wetenschappen hebben gemaakt. In deze meerjarenafspraken is een afstemming tussen taken en middelen geprogrammeerd: aan de geplande personele middelentoewijzing zijn geplande maximum aantallen eerstejaars studenten per studierichting verbonden. Met andere woorden: in deze meerjarenafspraken is de capaciteit van elke studierichting wat betreft het aantal studenten vastgelegd. In principe is het mogelijk wijzigingen aan te brengen in deze capaciteitsbepalingen, mits deze het financiële kader van de meerjarenafpraak niet te boven gaan De eerstejaarsaantallen uit de meerjarenafspraak zijn niet per definitie de maximale opnamecapaciteiten. Het is mogelijk om door middel van herverdeling van formatieplaatsen de capaciteit van verschillende studierichtingen te verhogen. De Academische Raad moet op 30 maart het advies formuleren dat zij aan de minister zal voorleggen met betrekking tot het instellen van plaatsingscommissies en het vaststellen van stops. Vóór die tijd behoren de verschillende universiteitsraden hun standpunten in deze zaak te bepalen en te beslissen welke directieven zij hun vertegenwoordigers in de AR meegeven. In het overleg dat de afgelopen maand tussen vertegenwoordigers van de universiteiten is gevoerd zijn verschillende knelpunten naar voren gekomen die alle zijn terug te voeren op één probleem: de overweldigende belangstelling die er dit jaar bestaat voor rechtsgeleerdheid. De discrepantie die er bestaat tussen de prognose en de meerjarenafspraakgetallen bedraagt 23%. Tot nu toe hebben zich 4707 personen aangemeld, terwijl de universiteiten er volgens de meerjarenafspraken 3835 kunnen herbergen. Een stop voor deze studie lijkt onvermijdelijk, temeer daar de minister de universiteiten heeft mede-
fakulteiten
gedeeld geen extra middelen voor de oplossing van het rechtenprobleem ter beschikking te willen stellen. Een verhoging van de landelijke opnamecapaciteit met 23% lijkt ook niet tot de mogelijkheden te behoren om verschillende redenen. De voornaamste is wel dat de universiteiten zich willen houden aan de overeengekomen opnamecapaciteit uit de meerjarenafspraken en niet willen en/of niet kunnen schuiven omdat reallocatie van personele middelen niet tot de mogelijkheden behoort. De afwijzing van de minister om mee te helpen aan een oplossing, zal er stellig mede toe hebben bijgedragen dat de universiteiten hun opnamecapaciteit als een „hard" gegeven op tafel hebben gelegd.
Dom
inosteeneffect
Wanneer de stop voor rechten zou worden afgekondigd heeft dit tot gevolg dat er ook numeri fixi moeten worden vastgesteld voor psychologie, geschiedenis, Frans en Kunstgeschiedenis. Dit ten gevolge van de „overflow". Herman Schoon: „Het dominosteeneffect zie je nu hier bij 'rechtsgeleerdheid optreden. Als rechten niet zo uit de pan zou rijzen, zouden de stops bij m.n. letterenstudies niet nodig zijn. Maar de belangstelling voor rechten gaat gepaard met een afnemende (eerste voorkeur) belangstelling voor letteren. Het is de vraag waar de mensen die zich nu voor rechten hebben aangemeld, dan terecht waren gekomen. Het is heel goed denkbaar dat in een andere situatie ook stops voor psychologie, geschiedenis, kunstgeschiedenis en frans moesten worden ingesteld. Dan echter niet ten gevolge van een overflow maar vanwege de eerst voorkeuren". De discrepantie tussen de opnamecapaciteit, zoals overeengekomen in de meerjarenafspraken en de belangstelling voor de studies frans en kunstgeschiedenis is echter niet groot: een verschil van resp. 8 en 7%. Gezien de geringe overschrijding kan zich wellicht toch nog een discussie ontspinnen over de vraag of er instellingen bereid zijn deze extra studenten op te nemen. Gezien echter de standpunten die de universiteiten hebben ingenomen tijdens het op 7 maart gevoerde overleg met de minister is dit niet waarschijnlijk.
Numerus
fixus
Bij de beoordeling van de vraag of een numerus fixus noodzakelijk is, wordt uitgegaan van de „5%-reger. Is de overschrijding van de landelijke capaciteit groter dan 5% dan is een fixus noodzakelijk. De discussie tussen de minister en de universiteiten spitste zich toe op de vraag welk fixusgetal moet worden gehanteerd, wanneer eenmaal tot een fixus is besloten: het cijfer van de opnamecapaciteit (dus 100%) of de opnamecapaciteit plus die 5%. De minister meent dat het laatste correct is. De universiteiten zien de opnamecapaciteit echter als een hard gegeven en willen hiervan niet afwijken. De universiteiten van Leiden en Utrecht willen bij de besluitvorming rond de vraag wel of geen fixus zelfs de „5%-regel" niet hanteren. Overigens blijkt uit de staat dat de studies waarvoor vorig jaar een stop werd ingesteld niet zijn volgelopen. Herman Schoon: „Dit is onder andere te wijten aan het feit dat de herexamens op de middelbare scholen tot dit jaar pas in augustus/september werden afgenomen. In een vrij laat stadium blijken dan toch een hele hoop gegadigden niet te kunnen gaan studeren, zodat de plaatsen onbezet blijven. Bovendien heeft het afkondigen van een numerus fixus voor een bepaalde studierichting tot gevolg dat veel mensen zich terugtrekken en alsnog naar een andere studie switchen". Herman Schoon verwacht echter een gunstig resultaat van het feit dat de herexamens dit jaar voor het eerst in juni worden gehouden. „Laten we eerst eens bezien welk effect deze maatregel heeft op het vollopen. Wanneer het niet helpt dan moeten we aan andere maatregelen gaan denken. Vorig jaar hebben we al aan de minister het idee van „overplaatsing" voorgesteld. Dat wil zeggen in een studie met een stop meer plaatsingsbewijzen uitreiken dan er plaatsen te vergeven zijn. De minister heeft de suggestie waarbij rekening gehouden wordt met het feit dat toch een bepaald gedeelte van de plaatsingsbewijzen ongebruikt blijft afgewezen. Ook dit jaar gaat hij er niet op in." Ook hier blijkt een verschil in interpretatie tussen de minister en de universiteiten te bestaan. De universiteiten zijn van mening dat het
'Vakdidaktiek bij scheikunde kan weer van voren af aan beginnen' De studenten Kees Metselaar, Jos Klaver, Sjaak Meulenberg en Wim Oosterbeek schrijven het volgende: „Op 13 maart j.1. eindigde voor het eerst sinds mensenheugens de raadsvergadering van de subfakulteit scheikunde in een ijzige stemming; nadat de raad met 10 stemmen voor, 3 tegen en 1 onthouding het bestuursvoorstel om de ontstane vakature van de vakdidaktikus Scherpenzeel voorlopig voor 0,2 formatieplaats (was 0,5) te bezetten, had aangenomen, kondigde de tweede vakdidaktikus Kollaard zijn ontslag per 1 augustus aan; hij noemde de hele gang van zaken onaanvaardbaar, onverantwoord en oneerlijk. Ook de aanwezige studenten waren woedend: niet alleen was het bestuur, bij monde van voorzitter Planta niet ingegaan op een groot aantal argumenten dat van studentenzijde was ingebracht, niet alleen had dezelfde hoogleraar een lijst met 160 handtekeningen die het standpunt van de studenten ondersteunde weggewuifd met de opmerking dat „men tegenwoordig overal zijn handtekening onderzette, al was het maar voor het verlagen van de kaasprijs", maar ook werd duidelijk dat het merendeel van de raadsleden de lerarenopleiding beschouwt als een aanhangsel dat toch eigenlijk niet echt nodig zou moeten zgn: wie genoeg van scheikunde weet kan dat ook wel aan anderen duidelijk maken. Na een jarenlang voorspel van wederzijds onbegrip en wantrouwen werd deze klimax bereikt. De vakdidaktiek in de scheikunde kan weer van voren af aan beginnen; de opleiding die Kollaard en Scherpenzeel in bijna 10 jaar hebben opgebouwd dreigt met hun vertrek volledig in te storten. In die 10 jaar is er heel wat vooruitgang geweest: stonden aanvankelijk de stage, de vakdidaktiek- en algemene didaktiekkolleges nog los van elkaar, de laatste jaren is er sprake van een groeiende integratie die
door de docenten en studenten als zeer zinvol wordt ervaren. De invoering van de stage-nieuwestijl betekende een belangrijke verbetering in de opleiding: in groepen van 3 lopen de studenten hun stage bij een schoolpraktikumdocent: in die opzet blijkt niet alleen de evaluatie van de lessen veel beter mogelijk dan in de oude-stijlstage, waarin de leraar en de individuele student de zaakjes nog eens doornam, ook is een veel betere aansluiting mogelijk met de werkkolleges. Ook de begeleiding van
de schoolpraktikumdocenten is sterk verbeterd. Het bestuursvoorstel zou veel van deze verbeteringen in gevaar brengen en posititve ontwikkelingen sterk hebben gestagneerd. In de loop der jaren is de houding van de subfakultaire machthebbers meeveranderd: stonden zij aanvankelijk nog tamelijk welwillend tegenover de opleiding, later werd de lerarenopleiding, die inmiddels
Kmst h fraai decor geiet Bij theater-, ballet- en operavooistellingen is het gebruik van decors om de sfeer aan te geven een normale zjaak. Bij tentoonstelling van kunstwerken is het gebruik ervan echter mtzonderlijk. De huidige expositie van de Hortus Botanicus van de VU in het Exposorium geeft een fraai voorbeeld van dat mtzonderlijk gebnük. Het Exposorium is omgetoverd in een exotische tuin. Met dit decor als achtergrond worden beelden van Ger Zijlstra en prenten en schilderijen van Jean Paul Vroom geëxposeerd. Er is hier een samenspel nagestreefd tussen kunst en natuur. De planten (en het zand) vormen een visuele en sfeervolle ondersteuning van de kunstwerken, die zelf weer een aanvulling vormen op de vegetatie.
nooit de bedoeling van een wet kan zijn de capaciteit niet optimaal te benutten. Als het effect van een wet is dat er een onderbezetting ontstaat, dan moet je er iets aan doen. Zelfs als dat als consequentie heeft dat je boven een bepaald maximum plaatst", aldus Herman Schoon. Tenzg de nniveräteHen iets andos
Studierichting Lichamelijke opvoeding Biologie Farmacie Geschiedenis Fysische geografie Pedagogische en andragische wetenschappen Engels Spaans
besfanten, ziet het er naar uit dat de Academische Raad het volgende aan de minister zal adviseren: Nnmcri fixi voor: geneeskunde, tandheelknnde, diergeneeskunde, farmacie en biologie. Voorts voor rechtsgeleerdheid en (daarom) psychologie, geschiedenis, kunstgeschiedenis en bans. En tot slot voor spaans en lichamelgke opvoeding.
Aantal uitgereikte geldige plaatsingsbewijzen per 1.10.78 76 706 174 184 80 853 85 1271 34 528 20 153 22
(Ie (Ie (2e (Ie (2e (Ie {2e (Ie (2e (Ie (2e
Numerus fixus 120 934
vk) vk) vk) vk) vk) vk) vk) vk) vk) vk) vk)
293 917 97, 1581
^
618 210
februari "75 21.202 aanmeldingen december "75 19.208 eerstejaars februari '76 29.743 aanmeldingen december 16 20.464 eerstejaars februari TZ 33.508 aanmeldingen december TZ 24.861 eerstejaars
was ondergebracht in het Instituut derwijskommissie werd aangenovoor Pedagogische en Didaktische men. Een jaar later werd duidelijk Vorming van aj. leraren, steeds dat het rapport inmiddels in de meer gezien als een overdreven pmllenmand ligt de door de stuluiueus bemand buitenbeentje. De dentenfraktïe aangehaalde knelpundnik op de formatie nam toe, teti en konklusies uit het rapport scheikunde zou de komende jaren werden door bestuur en raad volzekiT niet meer groeien: elke extra komen genegeerd. Wel werd duidepersiineelsplaats voor de lerarenop- lijk dat het bestuur zo zijn eigen leiding zou ten koste gaan van het ideeën had over de opleiding. ,4iarce" chemiese onderzoek. De De volstrekt cijfermatige benadeinvoering van diverse rekenmodel- ring van de kant van de subfakullen bix>d de chemici eea. prima teit was voor Scherpenzeel mede snijdoos: cijfers spreken immers aanleiding om vorig jaar december zijn ontslag per 1 juli aan te koneen duidelijke taal. Over de kwaliteit en de inhoud van digen. In maart dient dan het bestuur een voorstel voor zijn opvolde opleiding is door de raad bijna ger in bij de raad: de 0,5 plaats die nooit gebroken. Vorig jaar maart • Scherpenzeel op de subfakultaire verscheen een evaluatierappoit van formatie drukt wordt teruggebracht de lerarenopleiding dat door de ontot 0,2; gedacht wordt aan een leraar van het VWO die 1 dag per week bq de vakdidaktiese opleiding betrokken wordt Het bestuur benadrukt het voorlopige karakter van dexs maatregel. Zijn belangrijkste argumenten zijn: • Het is niet verstandig vooruit te lopen op de te verwachten struktuurwijziging van het Instituut, die belangrijke konsekwenties zal hebben voor de plaats en organisatie van de vakdidaktiek. • Zolang nog onduidelijk is hoe een lerarenvariant er in de toekomst uit komt te zien moet de subfakulteit terughoudend zijn ten aanzien van de formatie vakdidaktiek. • G ^ e n het geringe aantal studenten dat de komende twee jaar
Vervolg op pagina 10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's