Ad Valvas 1978-1979 - pagina 75
AD VALVAS — 29 SEPTEMBER 1978
Progressief
overleg frakties
7
universiteitsraden:
WO en HBO moeten snel met integratievoorstellen komen Integratie van het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs is noodzakelijk en onvermijdelijli. Het totstandkomen ervan zal echter veel voeten in de aarde hebben. Zo zullen er eerst aanzienlijke organisatorische, personele en mentale tegenstellingen moeten worden opgeheven Het eigen karakter van de beide vormen van hoger onderwijs dient daarbij gewaarborgd te blijven. Differentiatie binnen de opleidingen moet worden gestimuleerd. '' De plannen, die onderwijsminister dr. A. Pais tof nu toe op dit gebied heeft geventileerd, zijn zonder meer onvoldoende en vertonen weinig diepgang. HBO en WO moeten nu de koppen bij elkaar steken om op korte termijn met concrete voorstellen op tafel te kunnen komen. Deze konklusies kunnen worden getrokken uit de diskussie, die afge-
lopen zaterdag 16 september tijdens een eendaags kongres rond de
nota „Hoger Onderwijs voor velen" werd gehouden in de Amsterdamse Oudemanhuispoort (Universiteit van Amsterdam). Op de bijeenkomst, die was georganiseerd door het Progressief overleg van frakties in universiteits- en hogeschoolraden, werd een negatief advies uitgebracht over het ministeriele werkstuk. Financiële voordelen worden er niet van verwacht, de kursusduurbeperking levert géén rendementsverhoging op, en HBOstudenten komen er maar bekaaid van af, gezien de verwachte konkurrentiestijging van gedurende vier jaar voor de beroepspraktijk klaargestoomde universitair geschoolden. Maar boven alles: de dringende herstrukturering van het wetenschappelijk onderwijs wordt dooi het verschijnen van de nota „ver-
traagd". Aldus oordeelden forumleden, diskussieleidster mevrouw drs. A. Grewel (voorzitter van de Universiteitsraad van de Universiteit van Amsterdam) en kongresdeelnemers, allen afkomstig uit ambtelijke, politieke, vakbonds- en studentenkringen. AaUv de hand van zes stellingen werd ingegaan op kwesties als de positie en de taak van het tertiaire onderwijs, de integratie van het WO en het HBO en het recht op onderwijs. Daarnaast kwamen ook de maatschappelijke mondigheid van de studenten, de „verschoolsing" van het wetenschappelijk onderwij's en de financiële konsequenties van het departementale beleidsvoornemen ten aanzien van deze laatste onderwijsvormen aan de orde.
staatssekretaris van Onderwijs en Wetenschappen en tegenwoordig Tweede Kamerlid voor de PvdA), was het felst in zijn kritiek op de H O W - n o t a : „Dit is rechts-konservatief, wat er voorgesteld wordt. Het betekent instandhouding van de oude garde. Er is al zo vaak gesproken over nieuwe vrijgestelden, maar het oude bestand, -dat een groot deel van de totale tijd aan de universiteit bezig is met onderzoek — en ook daarbuiten — is de enige groep, die er van kan profiteren. Zij krijgen de ruimte en jongeren worden geweerd," aldus Klein, die het werkstuk een „laffe nota" en een „brokje slechte sales-promolion" noemde. (GUPD, Folio red. hekoil)
Het\ forumlid dr. G. Klein (oud-
Mijn laatste dag in de universiteitsraad In de universiteit zijn tradities snel gevestigd. Ook in de universiteitsraad is dat gebleken. Wellicht heb ik er zelf als voorzitter toe bijgedragen. In elk geval ben ik er zeker van dat de gewoonte om op de zogenaamde „wisselvergadering" van de universiteitsraad — op de eerste dinsdag in september — in toespraken terug te blikken en vooruit te zien door mijn toedoen is ontstaan. Het zij zo. Het betekent evenwel dat de nieuw optredende raadsleden op hun eerste vergadering worden geconfronteerd met een stroom van woorden waarvan de zin hun grotendeels ontgaat omdat ze de geschiedenis niet kennen en raadservaring missen. Om toch enig houvast te hebben klampen ze zich vast aan die opmerkingen die op zich zelf duidelijk zijn, en dat zijn vaak de concrete voorbeelden waarmee de verschillende sprekers hun toespraken onderbouwen. Dat geeft natuurlijk een vertekend beeld, dat eerst na verloop van tijd wordt recht gezet. Een en ander is mij gebleken uit de eerste indrukken die dr. Boeker als universiteitsraadslid op 5 september jl. heeft opgedaan, en die hij in het nummer van Ad Valvas van 15 september aan het papier toevertrouwde. Was het de andere jaren gebruikelijk dat de teksten van de toespraken woord voor woord in de notulen van die bewuste vergadering werden opgenomen, dit jaar wordt volstaan met korte uittreksels. Zonder actie van mijn kant is het daarom onmogelijk mijn toespraak nog eens in zijn geheel te overzien. Voordat ik op enkele punten in het verhaal van de heer Boeker inga, wil ik in het kort aangeven wat ik in mijn „afscheidstoespraak" heb bedoeld Ie zeggen. Want een afscheid was het. Na zes jaren voorzitterswerk meende ik een overzicht te moeten geven van mijn indrukken van de democratisering aan de VU.
W
UB-experiment
Het eerste gedeelte van mijn redevoering vroeg aandacht ^voor de WUB als experiment. Zoals in het (natuurkundige) experiment de proefneming eerst geschiedt na zorgvuldige voorbereidingen, waarbij alle mogelijke consequenties goed zijn afgewogen, is het met de WUB niet geweest. In het laboratorium-experiment is sprake van het toetsen van de resultaten aan een van te voren beschikbare theorie of hypothese, en de vraag is gewettigd of experiment en theorie overeenstemmen. Ook het WUBexperiment loopt af, maar waarmee moet het resultaat worden vergeleken? Wie quantificeert de uitgangspunten van de WUB, democratisering, doelmatigheid en zelfstandigheid? En van groter belang is
of er werkelijk rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de conclusie zal moeten zijn: het experiment is mislukt. Met deze vergelijking heb ik uiteraard niet willen zeggen dat voor wat mij betreft de zaak bekeken is. Daarvoor gaat de vergelijking op vele punten mank. Maar ik proef weinig bereidheid bij deelnemers aan het democratiseringsproces de doelmatigheid in het oog te houden. Aanvaarden we eventuele beperkingen van financiële of personele aard die de voortgang van het experiment kunnen beïnvloeden? Hoewel deze vraag gesteld moet worden weerhoudt veler politieke vooringenomenheid een open benadering.
Universitaire structuur Het tweede gedeelte van mijn verhaal gaf enkele hoofdlijnen van de universitaire structuur aan die naar mijn indruk gemakkelijk worden vergeten. In de eerste plaats onderstreepte ik het primaire doel van de universiteit: onderzoek en het daarmee samenhangend onderwijs. De bestuursstructuur is geen doel in zichzelf, maar zal dienstbaar hebben te zijn aan de universitaire doelstellingen door de instrumenten te verschaffen om de creativiteit van de onderzoeker, de kennisoverdracht vanuit de docent en de nieuwsgierigheid van de studenten ruimte te geven, en de ermee in verband staande processen in goede banen te leiden. Daarmee samenhangend wees ik er in de tweede plaats op dat de universiteit een professionele organisatie is, en geen leefgemeenschap. Het is een misverstand te menen dat naast onderzoek en onderwijs ook personeelsbeleid een universitair doel is. In dit kader noemde ik het personeelsbeleid een randvoorwaarde voor het functioneren van de universitaire organisatie. Ik heb er overigens aan toegevoegd dat in zo'n complex bedrijf als de universiteit, waarbinnen enkele duizendtallen mensen samenwerken, zich vraagstukken voordoen die in een leefgemeenschap (als bijvoorbeeld een burgerlijke gemeente) zo kenmerkend zijn. Dat is echter niet doorslaggevend voor de structuur van het universitair bestuur en voor de taken die elk orgaan daarin zijn gegeven. In de derde plaats^ heb ik gewezen op de onderlinge verhouding van het college van bestuur en de universiteitsraad. Beide organen zijn complementair en kennen hun eigen bevoegdheden. Daarom is het feitelijk onjuist de universiteitsraad het „hoogste orgaan" te noemen. Want met betrekking tot het beheer (investeringen, bouw, personeel) heeft het college van bestuur
verregaande bevoegdheden. Het is overigens een gelukkige omstandigheid dat aan de VU de competentiestrijd ondanks de onduidelijke grenzen tussen beheer en beleid zich nauwelijks heeft voorgedaan; via commissoriaal overleg tussen college en raad is er een sfeer geschapen Waarin naar elkaar wordt geluisterd. Ook daarin is onze universiteit bijzondei. In de laatste plaats heb ik aandacht gevraagd voor de plaats waar over onderzoek en onderwijs wordt beslist- de (sub/inter)faculteit. Na de redevoering van de rector op 4 september in de bijeenkomst ter gelegenheid van de opening van de academisch jaar was dat nog nauwelijks nodig. Zeker is dat op het terrein van onderzoek en onderwijs de universiteitsraad geen toporgaan is.
verspelen. Daarom besloot ik mijn toespraak aldus: „Ik blijf zeggen dat het experiment dat de WUB, ook aan de VU metterdaad is, steun verdient, maar dan moeten we met elkaar wel de experimentele voorwaarden gunstig kiezen. Die voorwaarden zijn: — deskundige inzet vanuit alle geledingen; — maximale loyaliteit en collegialiteit; — sterke solidariteit en paulinische bescheidenheid; — grote doelmatigheid. Alleen indien alle deelnemers aan de bestuursactiviteiten bereid zijn deze voorwaarden te accepteren kan mijns inziens de gedemocratiseerde bestuursstructuur dienstbaar zijn aan de doelstellingen die de
Te gast
VU op goede weg met democratisering? In het derde gedeelte van mijn toespraak heb ik de vraag gesteld of wij aan de VU op de goede weg zijn met onze democratisering. Ik noemde eerst een aantal positieve punten: een goede informatiestroom die voor ieder die wil weten open is; het verdwijnen van de sfeer van geheimzinnigheid achter gesloten deuren; de inspraak die voor ieder is geregeld; de ruimte voor overleg met vertegenwoordigers van verschillende geledingen, waarbij naar elkaars argumenten kan worden geluisterd. Deze punten acht ik van zo groot belang dat het experiment van de WUB nooit meer geheel ongedaan kan en moet worden gemaakt. Niet alles loopt echter optimaal Daarom heb ik, al was het maar om de evenwichtigheid niet uit het oog te verliezen, ook schaduwzijden getekend. Hoe gemakkelijk wordt vergadertijd gebruikt; hoe licht wordt vergeten dal er sprake is van een fundamentele functionele ongelijkwaardigheid van de leden van de universitaire gemeenschap, sommigen zien de universiteitsraad als een oppositie tegenover het college van bestuur; het afwegen van elkaars argumenten laat te wensen over terwijl juist aan een academie toch het argument zwaar moet wegen; blokvorming bij stemmingen; het negeren van gemaakte afspraken; de indruk wordt gewekt dat voor een aantal mensen de universitaire democratie slechts valt toe te juichen zo lang de besluiten hun instemming hebben. Van al deze schaduwzijden heb ik gezegd dat ze gelukkig niet tegelijk optreden, zodat door een bekwaam voorzittei veel te herstellen valt. Daarom overschaduwen deze feilen de winst van de democratisering niet. Maar winst kan je
Tenslotte moet ik ovei de fractie-vorming nog een opmerking maken. Ik ben nooit lid van een „fractie" geweest. Dat betekent niet dat ik mij niet voor een groot deel kon vinden in de programma's van bijvoorbeeld het DAK. Maar dat geldt vermoedelijk voor velen. Ik geloof echter zo vast in goed overleg, dat ik geen behoefte had van te voren al de groep te vormen die vanuit een bepaalde visie op topniveau de universiteit gaat besturen. Want het doel van de universiteit staat immers vast! Het gaat er om te beoordelen of alles wat zich voordoet aan de universiteit (van ministeriele richtlijnen tot vrijheid van de enkeling zelf) bijdraagt tol verwezenlijking van dat doel.
'Te gast' is een tot nu toe onr^elmatitr verschynende rubriek waarin mensen uit de wereld van het wetenschappelijk onderwijs al dan niet op verzoek van de redactie hun meniag geven over aktuele zaken waarin zij thuis zqn. Aktuele zaken vatten wij op als feiten en ontwikkelingen die zich op het terrein van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek alsmede in de samenleving van vandaag voordoen. Deze week dr. P. Kuyper,die kortgeleden de voorzittershamer van de universiteitsraad na zes jaar „hameren" neerlegde.
universiteit kent: het doen van onderzoek ten behoeve van het geven van onderwijs."
Slachtoffer Herlezing van de bijdrage van de heer Boeker zal wellicht duidelijk maken dat ook hij slachtoffer is geworden van een (onbedoeld ook door mij veroorzaakt) eenzijdig horen. Zo acht ook ik een verantwoord personeelsbeleid een zaak van de eerste orde, maar voor mij vloeit dat niet voort uit de universitaire doelstellingen. Zou dat voor andere bedrijven dan zoveel minder gelden? Het is geen privilege van wetenschappers verantwoord om te gaan met medemensen. Integendeel, hun bedrijfsblindheid voor andere zaken dan onderzoek en onderwijs is er debet aan dat de inbreng van wetenschappers in het universitaire bestuur te kort schiet. Ik realiseer me dat ik met deze uitspraak overdrijf, want er zijn heel goede uitzonderingen op deze „regel". Maar achter de voorzitterstafel heb ik meer dan eens gedacht in de richting van de geleding van het wetenschappelijk personeel: „Toe jongens — meisjes waren er niet — doe je mond eens open..."
In dat kader past fractie-vorming veel minder dan in het politieke bedrijf van een gemeente, provincie of staat, waar immers dat doel niet vast ligt. En als er dan ruimte wordt geboden voor overleg, uitwisseling van argumenten en afweging van belangen, waarom is dan fractie-vorming nog nodig? Overigens ben ik het met Boeker eens dat fractie-vorming wat anders is dan blok-vorming. Je moet alleen wel sterk staan als je in de praktijk van de stemmingen de uniformiteit wilt doorbreken. Maar misschien breken er nu zonnige tijden aan. Met groot plezier kijk ik terug op ruim 6 jaar raadswerk. Ik heb een bescheiden bijdrage mogen leveren aan de vestiging van een nieuwe democratiserings-orde. De toekomst zal leren hoe doortimmerd het geheel is gebleken. Met steun van velen heb ik gepoogd een gebouw af te leveren waarin het goed toeven is. Ik zal af en toe nog wel eens langs lopen om rond te kijken en te luisteren, met name op de eerste dinsdag in september. Het meest heb ik van alles zelf geleerd.
Civilalh.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's