Ad Valvas 1978-1979 - pagina 155
7
AD VALVAS — 17 NOVEMBER 1978
Felle kritiek
van verpleegkundigen
VU-ziekenhuis
op
medici:
Patiënt de dupe van carrière-streven artsen „We hebben steeds vanaf het begin van onze opleiding tot verpleegkundige het wellicht naïeve idee gehad dat in een ziekenhuis de zieke centraal staat. Als ziek mens... We zien nu dat dit een waanidee was. Want wat nemen we waar in onze omgeving? Patiënten die angstig zgn voor de artsenvisite; dat ze niet aan het woord komen, dat er absoluut niet naar hen geluisterd wordt. Verpleegkundigen, die slechts onderling hun grieven kunnen spuien, die afgebekt worden als ze dat tegenover de artsen doen. Als we eens uit onze slof schoten (welk voorrecht slechts artsen toebedeeld is) konden we te horen krijgen: „Je weet wat er met zusters met een grote mond gebeurt, hè. We hoeven maar een klacht in te dienen, en weg zuster." Oh, academisch geschoolden. Wij zijn niet sentimenteel, niet overgevoelig maar wij hebben nog wel gevoel. Wg zijn nog niet verblind door macht, carrière en angst. Wij vragen ons af of wij de enigen zijn die zich wel eens afvragen hoe gezond de gezondheidszorg is. Van echte zorg is evenwel geen sprake meer. De gezondheidszorg is ziek, zwaar ziek." Dit zijn enkele opmerkelijke passages uit een ingezonden brief van een vijftiental verpleegkundigen van wie de meeste werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest op de interne kliniek van het VU- ziekenhuis. De brief is inmiddels gepubliceerd in het maandblad „Op de hoogte", het orgaan van het ziekenhuis en vormt een uitgebreide aanklacht tegen „een niet te beschrijven hiërarchie in het ziekenhuis" en „is geboren uit onlustgevoelens, die dagelijks opgeroepen worden in onze werksfeer". Als hoofdschuldigen wijzen de verpleegkundigen onomwonden de artsen aan die slechts denken aan hun carrière en met name aan het schrijven van proefschriften. Over de beweegreden van hun schrijven spreken we met drie van de ondertekenaars. Het zijn Hesther Wellema en Anke van der Haar, beide acht jaar aan de VU verbonden waarvan vier jaar als gediplomeerd verpleegkundige en Carien Schiks, die al bijna twintig jaar in de verpleging zit en sinds twee en half jaar aan de VU werkzaam is. Hesther heeft de bewuste brief opgesteld en voorgelegd aan een vijftiental verpleegkundigen die op dat moment werkzaam waren op één van de interne afdelingen. Naar haar zeggen waren deze onmiddellijk bereid om te ondertekenen. Tot de ondertekenaars behoren zowel gediplomeerde als leerling-verpleegkundigen en een enkele medische student die als verpleeghulp in het ziekenhuis had gewerkt. Verscheidene van de ondertekenaars, zo vertelt Hesther,' hebben door het hele ziekenhuis gecirculeerd en troffen op de verschillende afdelingen continu dezelfde klacht onder de collega-verpleegkundigen aan. Voor haar staat vast dat de in de brief verwoorde onlustgevoelens bij verreweg het grootste deel van de verpleegkundigen in het VU-ziekenhuis leven.
Aanleiding De direkte aanleiding voor het schrijven van het ingezonden stuk !ag voor Hesther in een televisieuitzending over misstanden in een Dordts ziekenhuis. „Iemand had namelijk in dat ziekenhuis een zwartboek geschreven en werd ver\olgens prompt ontslagen maar hij is verder gegaan en heeft de media ingeschakeld. In dat ziekenhuis wordt nu een grootscheeps onderzoek ingesteld. Aan de VU is het misschien iets minder zwart-wit maar ook hier heersen misstanden." Carien vult Hesther aan: „Eindelijk durven mensen van de kant van de verpleging hun nek uit te steken. Dat is nog niet eerder zo gebeurd. Het is naïnelijk zo dat als verpleegkundigen hun mond open doen ze vaak worden ontslagen. We hebben een te zwakke positie. Je bent te weinig geschoold en je kunt te weinig mondeling verwoorden van wat je voelt." Carien zegt dat ze aan den lijve ondervonden heeft wat er gebeurt <ils je als verpleegkundige klachten uit. Ze voelt zich weggepromoveerd. ,.Ik was te lastig en ben toen van de interne kliniek overgeplaatst naar heelkunde." / e ziet vooral een moeilijkheid in de zwakke organisatiegraad en de gebrekkige solidariteit van de verpleegkundigen. „De verpleging niaakt geen vuist. Maar wat wil je ook van mensen die een verschrikkelijk zwaar beroep hebben. Het eist ontzettend veel van je. Je hebt 'n piespaalfunktie tussen de artsen en de patiënten in. Daarbij komt nog
door Bart
Muysson
dat de leerlingen een beroep op je doen als gediplomeerde. Aan de werkelijke patiëntenzorg kom je bij wijze van spreken niet toe. De verpleegkundigen zijn na hun werk bekaf en komen er niet toe om in een organisatie te klimmen. Je kunt nauwelijks iets organiseren. Er is altijd continudienst en er zijn altijd mensen die niet mee kunnen doen. Staking is helemaal niet mogelijk. Zelfs een stiptheidsaktie krijg je er niet door. Het is een hele makkelijke groep, de verpleegkundigen. Die laten zich nooit horen." Hesther: „We hebben bovendien niemand op wie we terug kunnen vallen. We hebben nog geen verpleegkundig directrice. (Per 1 januari 1979 zal de vakature na een
om het zelf te vertellen. Dat is de machteloze positie waarin je staat. Je zwerft overal tussen, je krijgt van ieder een trap." Carien vertelt van een behandeling van een patiënt op een afdeling van de interne kliniek. „Die man was psychisch gedecompenseerd (in de war). Hij heeft onderzoek op onderzoek gehad, soms drie op een dag. Ik heb het op een lijst bijgehouden. Op de zevende dag is de patiënt overleden. De waarnemend hoofdverpleegkundige heeft toen met de artsen gesproken. Die reageerden van: U wilt toch niet beweren dat wij die patiënt dood gemaakt hebben. Dat wil ik nou inderdaad wel beweren. Die patiënt is inderdaad doodgemaakt." Hester: „Je moet soms orders uitvoeren van artsen die ze van de gang uit brullen met alleen de achternaam van de patiënt en de diagnose zonder dat ze de patiënt gezien hebben." De verpleegkundigen leggen er de nadruk op dat uiteindelijk door de houding van de artsen de patiënt het kind van de rekening is. Hesther geeft een beschrijving van een artsenvisite. „De artsen komen dagelijks langs met een kar met de statussen van de patiënten. Ze komen minstens met zijn zessen. Ze kijken de patiënten amper aan en spreken hen ook helemaal niet toe. Een enkele keer vragen ze soms pro forma wel eens hoe het gaat maar ze luisteren nauwelijks naar het antwoord. Ze praten alleen maar
stage voor medische studenten door. Op het ogenblik zijn er wel enkele studenten die in de vakantie zes weken als verpleeghulp werken maar dat is nog vrijwillig." Hesther: „Eén van de ondertekenaars van de brief is een student medicijnen, die zes weken als verpleeghulp op onze afdeling heeft gewerkt. Hij heeft tegen mij gezegd dat hij voor die tijd de brief nooit zou hebben ondertekend omdat hij toen geen idee had van deze toestanden. Zo'n verpleegstage kweekt onder de aanstaande arts veel meer begrip voor de positie van de verpleegkundigen." Een andere grief van de verpleegsters is het verschil in benadering die de artsen ten toon spreiden wanneer het gaat om broeders of zusters. Hesther: „Wij hebben broeders op de afdeling, van wie de meeste eerstejaars en enkele derdejaars zijn. Als een arts een afdeling opkomt smijt hij zijn orders op een heel andere manier naar ons dan naar de broeders. Die jongens worden veel meer au serieux genomen. Soms pik ik er zelfs een broeder uit als ik aan een arts een boodschap wil overbrengen omdat hij veel eerder gehoord wordt." Anke: „Als verpleegster mag je de stoet volmaken van het gevolg van artsen met hun co-assistenten, dat de patiënten op de zaal bezoekt. Als je dan buiten de zaai aanmerkingen maakt hoe er met de patienten omgesprongen wordt, krijg je geen verbale reaktie of een diskussie. Nee, je krijgt dan een arm om je schouder en een aai over je bol met de opmerking: ach meid. Iaat maar, ik zal het niet meer doen. Er wordt dan wat gelachen. Je bent immers als vrouw toch maar sentimenteel. Zo worden die zaken afgedaan." Ook over de houding van de assistent-artsen zijn de verpleegkundigen niet te spreken. Hesther: „De angst voor hun superieuren speelt daarbij een grote rol. Ze zijn ontzettend afhankelijk van de beoordeling van de hoogleraren, die kunnen beslissen of ze al of niet mogen blijven om zich te kunnen specialiseren. Ook fysiotherapeuten en laboranten kampen met soortgelijke moeilijkheden in de hiërarchie."
periode van drie jaar vervuld worden door mevrouw J. A. van de Stadt, zo is inmiddels bekend, B.M.) We hebben op het ogenblik algemeen hoofdverpleegkundigen boven ons, die aan het hoofd staan van een verpleegkundige sektie van een kliniek. Zij zijn op verpleegkundig terrein aan niemand verantwoording schuldig en oefenen een soort vetorecht uit. Ze zouden eigenlijk één lijn moeten trekken met de verpleegkundigen, maar ze zijn doodsbang voor de artsen en trekken één lijn met hen waardoor we nooit verder met onze klachten of ideeën komen. Je vliegt er geheid uit als je je mond open doet."
Artsen
boosdoeners
De grote boosdoeners voor de verpleegkundigen zijn de artsen. Hun kritiek is niet mals. Carien: „Een ziekenhuisafdeling heet multidisciplinair te ziJn maar er is in feite maar één discipline: de artsen. Die zijn almachtig, alwetend en alom aanwezig. Het is een clan, een sekte, een gilde die elkaar de hand boven het hoofd houdt." In een academisch ziekenhuis als dat van de VU spelen carriëre-overwegingen volgens de verpleegkundigen een nog grotere rol dan in niet-academische ziekenhuizen. Ze hebben vooral kritiek op de talloze onderzoeken die op de patiënten uitgevoerd worden. Hesther: „Die onderzoeken zijn helemaal niet zozeer ten bate van de genezing maar zijn puur bedoeld voor de proefschriften van de artsen. Bij hen heerst een stemming van: „Leuk, dit kunnen we nog wel proberen. Die patiënt maakt het toch niet lang meer. Laten we het vlug doen." Dat is ontzettend grof, want wij moeten het aan de familie verkopen want de arts verdomt het
over de bedden heen in termen waarvan de patiënt niets begrijpt. Als de patiënt iets vraagt wordt daar alleen zeer denigrerend op gereageerd en als een patiënt vrij kritisch blijkt te zijn en hij vraagt wat door, dan zeggen de artsen bij de nabespreking: wat voor een IQ zou die vent hebben, die begrijpt er niets van. Wij komen daarna op de zaal en dan vind je de mensen in tranen of in woede en jij als verpleegkundige moet alles weer gaan rechtbreien." Carien: „Ik heb eens een arts gebeld voor een patiënt met opstijgende verlammingen, die er heel ernstig aan toe was. Ik zag dat die patiënt niet goed werd. De arts verklaarde me voor gek. Geef hem maar een baralgin (verzachtend middel). Die man lag werkelijk met het doodszweet in zijn handen. Die man wilde praten. De patiënt is zonder dat er gepraat werd de volgende dag overleden. Het is hemelschreiend hoe het in het ziekenhuis toegaat. Hesther: „Er gebeuren zoveel van dat soort gevallen; het gaat achter mekaar door."
, Oorzaken De oorzaken van het gedrag van die artsen zijn volgens de verpleegkundigen terug te vinden in de medische opleiding. Anke: „In de studie ontwikkelen ze niet eigenschappen zoals het omgaan met de dood en het überhaupt op een normale manier omgaan niet mensen. Pas vanaf het vijfde jaars student zijn komen ze in aanraking met patiënten. Daarvoor hebben ze er nooit enige sjoege van gekregen en in het begin staan ze met hun mond vol tanden. De laatste tijd begint het gelukkig wat te veranderen. Misschien komt er binnenkort een verplichte verpleeg-
Verloop Hesther en Anke wijzen verder op het grote verloop onder de verpleegkundigen. Ze zijn destijds met een groep van 40 mensen aan de opleiding begonnen, van wie 25 het eindexamen gehaald hebben. Nu zijn er nog tien in de verpleging werkzaam. Anke: „Men heeft het een paar jaar gedaan en op een gegeven moment knapt men af." Hesther: „Het is niet het werk op zich, waarvan men afknapt maar de mentaliteit van de artsen. Je komt aan je eigen vak niet toe omdat je steeds rekening moet houden met de h.h. artsen en achter hen aan moet rennen." Carien wijst op het grote overschot aan leerling-verpieegkundigen dat hiervan het resultaat is. „Aan de VU is het nog reëel maar bij de andere ziekenhuizen is het bar en boos. Idealiter zou je in een verpleegkundige setting met alleen gediplomeerden moeten werken. Je stuurt je kind toch ook niet naar een school met alleen kwekelingen. De verdiensten liggen ook nog veel te laag. Een hoofdverpleegkundige verdient waanzinnig weinig voor de veelheid van taken die ze verricht. Ze krijgen er bijna ook geen hond meer voor. Het is nog altijd liefdewerk oud papier. Het rijdt bovendien de vakmatigheid in de wielen als je nooit gehonoreerd wordt voor een slavenbaan."
Diskussie De verpleegkundigen zien de ingezonden brief (en dit interview) vooral als middel om een diskussie met de artsen op gang te brengen. „Het was de enige mogelijkheid die ons nog restte," zegt Anke. „We hebben het wel degelijk mondeling geprobeerd. We leven al jaren on-
'Kretologie en superlatieven'
We hebben zuster Wagenaar, coördinerend hoofdverpleegkundige op de interne kliniek om een reaktie gevraagd op de ingezonden brief en enkele uitspraken in het interview mrt de drie verpleeglaindigen voorgelegd. Zowel de brief als het interview hebben haar droef gestemd en ze betremt het dat het zover heeft moeten komen. Ze vindt het moeilijk een oordeel te geven over de representativiteit van de groep. Wel is het haar bekend dat onder een deel van de verpleegkundigen teleurstelling bestaat en de opvatting leeft dat de patiënt te kort komt en te weinig aandacht krijgt. Zij vrijt de teleurstelling voor een groot deel aan het onderwijskarakter van een academisch ziekenhuis waar de patiënt een minder direkte behandeling van de kant van de artsen ondervindt dan bijvoorbeeld in een streekziekenhuis. In een academisch ziekenhuis loopt de ttehandeling van de patiënt over meer schakels: coassistenten, die onderzoek doen en gesuperviseerd worden door assistent-artsen en deze weer door chefs de clinique en de hoogleraren. Sommige verpleegkundigen staan genuanceerder tegenover deze situatie dan andere. Zuster Wagenaar vindt dat het ingezonden stuk bol staat van kretologie en superlatieven. Zij meent dat de verpleegkundigen begrip moeten tonen voor het onderwijskarakter van een academisch ziekenhuis en dat de arts daarin minder toekomt aan de medemenselijke relaties. „En als er incidenten zijn is het onze taak als verpleegkundigen deze in de eerste plaats aanhangig te maken bij de chef van de eigen sector of de chef de clinique". Bij de medische staf heeft zij de arbeidsproblematiek van de verpleegkundigen aan de orde gesteld wat heeft geresulteerd in het organiseren van cursussen over het begeleiden van ernstig zieken, in eerste instantie met hoofdzusters en vervolgens met medici. Over een praatgroep zegt ze dat ze niet de persoon is om daar gestalte aan te geven. Ze geeft liever de voorkeur aan het uiten van wensen in een formele organisatiestruktuur. Praten in een informele sfeer kun je ook thuis doen. Over een- verplichte verpleegstage voor medisch studenten zegt ze dat dit juist bij de hoofdzusters op bezwaren stuit vanwege de extra tijd die ze nodig hebben bij de begeleiding van de verpleeghulpen. (BM.) der deze toestanden. Zo nu en dan hadden we evaluaties met artsen, die op onze afdeling hebben gewerkt. Het idee ontstond toen om een praatgroep op te richten waarin zowel artsen als verpleegkundigen zitting hebben. Mede door toedoen van de algemeen hoofdverpleegkundige is dat op niets uitgelopen. Ze had het idee dat er al genoeg georganiseerd werd en wees ons op een cursus met hoofdverpleegkundigen over begeleiding van ernstig zieken. Maar ons ging het primair om de samenwerking tussen artsen en verpleegkundigen ter diskussie te stellen." Hesther: „Een praatgroep zou voortreffelijk geweest zijn. Je kunt daarmee de onderlinge goodwill bevorderen. Dat is voor het werkidimaat zeer belangrijk. Al gaat het maar om de kleine dingen, bijvoorbeeld dat een arts het vanzelfeprekend vindt dat
Vervolg op pagina 10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's