Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 313

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 313

13 minuten leestijd

AD VALVAS — 9 MAART 1979

Centrale interfaculteit: oud doelstellingszeer en het 'verkeerde' beeld naar buiten Op de centrale interfaculteit van de VU (CIF) blijft het steken dat leden van de faculteitsraden geen enkele verklaring over hun houding tegenover de christelijke doelstelling van de universiteit behoeven te ondertekenen. Voor personeelsleden en studenten die raadslid worden geldt slechts dat van hen wordt verwacht dat zij naar hun vermogen in de geest van de doelstelling besturen. En dat is de centrale interfaculteit nog steeds een doorn in het oog. Publiekelijk verklaarde de faculteit een jaar geleden, nadat de storm over de toelatingsvoorwaarden voor besturen, raden en commissies in de loop van 1977 was geluwd, dat de VU „op een zeer wezenlijk onderdeel van het besturen van de universiteit haar binding aan de doelstelling is kwijtgeraakt". Onder protest paste de raad van de centrale interfaculteit 20 februari vorig jaar haar faculteitsreglement aan en schrapte de bepaling dat van kandidaat-raadsleden een schriftelijke verklaring werd geëist dat zij met de doelstelling instemmen. De centrale interfaculteit had het onderspit gedolven tegenover de rest van de universiteit (universiteitsraad) en de Vereniging, waarvan zij uitgaat. Na een lange strijd die op 24 oktober 1972 al was begonnen. Toen diende de CIF haar faculteitsreglement bij de universiteitsraad ter goedkeuring in, daartoe evenals de andere faculteiten verplicht krachtens het VU-reglement (WUB voor de VU). Daarin was o.a. opgenomen een artikel dat leden van de faculteitsraad een instemmingsverklaring moesten ondertekenen. En daarmee was het twistpunt geschapen. De universiteitsraad keurde het CIF-reglement in 1973 goed, maar

Drs. H. G. Geertsema maakte een uitzondering voor het ene artikel. De CIF-raad had dit, tegemoetkomend, inmiddels gewijzigd, waardoor van faculteitsraadsleden geea instemming- maar een bereidverklaring werd verlangd (de bereidheid om naar vermogen in de geest van de doelstelling te besturen). De zaak bleef slepen en de CIF hield vol. Medio januari vorig jaar — de UR had inmiddels een punt achter de zaak gezet en de wens van de CIF niet gehonoreerd — wees het bestuur van de Vereniging de CIFbestuurderen er nogmaals in een brief op dat haar opvatting geen rechtsgrond vindt in de VU-regelen. En het Verenigingsbestuur waarschuwde het CIF-bestuur ervoor dat, wanneer een kandidaatlid voor de CIF-raad niet als zodanig zou worden geaccepteerd, zo iemand daartegen terecht protest kan aantekenen. Met tegenzin ging de CIF-raad toen akkoord en paste zijn reglement aan. Hierover en over het verdere reilen en zeilen binnen de centrale interfaculteit praatte Gert van Vulpen met prof. dr. H. van Riessen en de wetenschappelijke medewerkers mevr. drs. A. Th. BrüggemannKruijff en drs. H. G. Geertsema. Prof. Van Riessen: Kijk op andere faculteiten wordt het effect van de doelstelling niet zo gezien, alhoev.'el zeer velen het met ons eens zijn. Wij hebben echter een groot voordeel: een kleine faculteit, waar je een goede christelijke geest kunt vasthouden. Wij staan als filosofen ook veel dichter bij de problemen van de doelstelling. Die kwestie van 1977 over de bereidverklaring vond ik een wonderlijke zaak. De andere faculteiten zijn gezwicht voor een feitelijke druk en wij hebben altijd gezegd, je hebt maar voor één ding te zwichten en dat is voor de doelstelling. In de brief van februari 1978 schreven de CIF-bestuurderen dus dat

Gert van

Vulpen

zij de bepaling onder protest hadden geschrapt. Verder verklaarden zij publiekelijk van mening te zijn dat deze verandering niet de instemming heeft van diegenen die lid van de Vereniging voor Wetenschappelijk Onderwijs op Gereformeerde Grondslag geworden zijn, omdat zij de VU als christelijke universiteit willen steunen. Dat de „democratisering" tot dit compromis leidt (Vereniging en VU), vindt bij de centrale interfaculteit geen weerklank. Op het punt van de doelstelling behoort de VU geen enkel compromis te accepteren, liet zij iedereen die het horen wilde weten. Drs. Geertsema: Niet iedereen zou de brief zo geformuleerd hebben, maar de functie van de doelstelling dient in elk geval prioriteit te hebben boven de „democratisering", in verband met het eigen karakter van de VU. Op dat punt was er dus een duidelijk verschil van mening tussen de CIF en de besturen van Vereniging en VU. Het is echter op een gegeven moment bijgelegd doordat de centrale interfaculteit zich daarin geschikt heeft. Mevr. drs. Brüggemann-Kruijff: De centrale interfaculteit had zich aan moeten passen, maar wel met de bepaling dat over de doelstelling en de verwezenlijking ervan steeds moet worden doorgepraat. Zoiets mag niet in het archief worden gestopt, alsof het is afgedaan. Als het alleen maar om een formule gaat, hoeft het van mij niet. Het gaat om het werkelijk functioneren ervan. Van Riessen: De Vereniging en alle faculteiten zijn gezwicht onder de druk van diegenen die zich negatief ten opzichte van de doelstelling opstelden. Maar dan moet je de consequenties trekken en stoppen met deze bijzondere universiteit. Is de doelstelling echter nog steeds bepalend voor de universiteit, dan moet je zeggen dat zij die hier doceren en besturen met die doelstelling moeten instemmen. Mevr. drs. Brüggemann-Kruijff: De gehele discussie wat trouwens troebel. Het ging zeer vaak alleen maar over formules en juridische kwesties. Binnen de centrale interfaculteit is een groep die dat heel erg belangrijk vindt. Maar laten we in vredesnaam, eerbiedig gezegd, meer op de vruchten van de boom letten. Wanneer het alleen maar een juridische kwestie zou zijn, dan zou bovendien het dienen van God en zijn wereld in regels moeten worden vastgelegd. En dat is onmogelijk.

Bewakers

functie

Van Riessen: Wanneer je tegenstand krijgt binnen de universiteit, dan vecht je voor je zaak. Wij komen voor de kwestie van de doelstelling veel meer op. Anderen doen dat niet en dat geeft dan een zekere spanning. Er zijn er op deze universiteit die niets om de doelstelling geven. Die doen hun werk en beschouwen zich als mensen die op iedere andere universiteit zouden kunnen werken. Daardoor lijkt het misschien alsof de centrale interfaculteit de bewaker is van de christelijke identiteit van de VU. Wij voelen dat niet zo. Het is de taak van een ieder. Alleen daar ontbreekt het nog wel eens aan. Geertsema: Primair heeft de cen-

trale interfaculteit de verantwoordelijkheid ten opzichte van het fungeren van de doelstelling binnen de eigen faculteit. Daarnaast, net zoals iedere andere faculteit en degenen die er werken, ten opzichte van de VU in haar geheel. Het is de verantwoordelijkheid van iedereen (natuurlijk verschillend naar positie en verantwoordelijkheid die iemand binnen de universiteit heeft). Naarmate men een grotere bestuurlijke verantwoordelijkheid binnen de VU heeft is de bestuurlijke verantwoordelijkheid naar dö VU toe ook groter. Mevr. drs. Briiggeman-Kruijff: Beoefening van de wijsbegeerte is in zekere zin achteraan lopen bij wat er allemaal gebeurt aan een universiteit. Het ligt dus voor de hand dat men zich juist in de wijsbegeerte met de uitgangsposities bezighoudt. Dus ook met de doelstelling. Maar in feite ben je een gewone faculteit tussen alle andere faculteiten.

Wijsbegeerte wetsidee

der

Mevr. drs. Brüggemann-Kruijff: Toen ik hier op de faculteit kwam waren er duidelijke christelijke principes van waaruit je wetenschap bedreef. Op het ogenblik ligt het allemaal veel genuanceerder. Zelfs de hardste koppen binnen de centrale interfaculteit denken nu genuanceerder. Het traditionele beeld dat men buiten de CIF van de interfaculteit heeft, wordt ten dele veroorzaakt door geprofileerde figuren uit de centrale interfaculteit. Professor Van Riessen bijvoorbeeld is een dominerende persoonlijkheid die het gezicht van de interfaculteit mede bepaald heeft. De wijsbegeerte der wetsidee heeft tegenwoordig niet zo verschrikkelijk meer de nadruk als een soort dogmatiek. Sinds de komst van Van Peursen in 1963 al niet meer. Geertsema: Het spreekt vanzelf dat de centrale interfaculteit niemand bindt en kan binden aan een wijsgerige opvatting. Trouwens, ik heb de laatste tijd niet de indruk dat de WdW hier eenzijdig naar buiten wordt gebracht. Er is bovendien nooit een specifieke binding aan de WdW geweest. Van Riessen: Als je de belangrijkste onderwerpen uit de filosofie neemt, ken ik geen twee mensen die daar hetzelfde over denken. Bijvoorbeeld over de wet. Daar denk ik heel anders over dan Dooyeweerd, Vollenhoven of een

Mi. Drs.

A. Th. Brüggeman-Kruijff

Smit. Wel hebben we allen de wortel van de WdW, dat je bij het licht van de schrift moet filosoferen. En dat is erg plezierig. Geertsema: Het beeld dat men van de wijsbegeerte der wetsidee heeft, is vaak veel te eng. Als ik denk aan de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, waar veel mensen van de centrale interfaculteit lid van zijn, dan bemerk je dat de WdW veel breder is dan alleen maar een strak systeem. Iedereen doceert de WdW op zijn eigen manier. Van Eikema Hommes bijvoorbeeld is een zeer duidelijke leerling van Dooyeweerd. Maar er

zijn er ook die dat weer op een heel andere manier zijn. En dan zijn er ook nog die helemaal geen leerling van Dooyeweerd zijn: De Deugd en Van Peursen. Mevr. Brüggemann-Kruijff: Er zijn twee aspecten aan de WdW verbonden. Ten eerste de organisatiestruktuur die uit de WdW voortkwam en die de intentie heeft om een bepaalde greep op het praktisch gebeuren in de filosofie en binnen de universiteit te krijgen. Dit aspect krijgt nauwelijks nog de aandacht meer. Ten tweede: het levend filosoferen. Dat er in de WdW bepaalde zinnige dingen worden gezegd, waar je mee uit de voeten kan komen. Met dit aspect hebben velen nog te maken. Bovendien willen ze er ook mee te maken hebben. De WdW heeft binnen de VU vooral wat betreft het eerste aspect altijd meteen zo'n geladen betekenis, maar die is volgens mij langzamerhand wel oneigenlijk. Van Riessen: Ik twijfel er niet aan dat er andere mogelijkheden zijn van waaruit je wetenschap kan beoefenen. Er wordt heel wat buiten de kring van de WdW gefilosofeerd waarbij toch het christen-zijn te bemerken valt. Dooyeweerd heeft op een goede dag ook afstand genomen van de WdW. Hij was er niet meer zo verrukt over. Er heeft zich een bepaalde ontwikkeling bij Dooyeweerd voorgedaan waarbij de WdW steeds meer op de achtergrond kwam. Ik ken dan ook geen samenhangende wijsbegeerte die je een reformatorische wijsbegeerte zou kunnen noemen. Geertsema: Bij sommigen bestaat een heel verkeerd beeld van de „reformatorische wijsbegeerte". Men is niet op de hoogte van de openheid bij Dooyeweerd. Die is altijd bij hem aanwezig geweest en die is na hem, ook nu nog steeds aanwezig, maar met een grotere wijsgerige verscheidenheid. Dat verkeerde beeld heeft te maken met de wijze van opstelling. Het is ook een beeldvorming van mensen die het niet met de WdW eens zijn. Een beeldvorming die mede door optreden van eigen mensen is ontstaan. Van Riessen: Dooyeweerd kreeg zo'n grote aanhang omdat men zich geestelijk met hem verwant voelde. Ik herinner me een congres, waar een Amerikaan vroeg of er al werken van Dooyeweerd vertaald waren. Nog niet eens in het Nederlands was het antwoord, die man was niet te volgen... Maar men wilde er bijhoren. Ernst maken met het woord van God. En zo'n aanhang kan je geen kliek noemen. Anders zou je de kerk ook een kliek moeten noemen. Mevr. Brüggemann-Kruijff: Die geladen betekenis komt vooral door het samengaan van het vaste vertrouwen in die hogere opdracht, het christelijk filosoferen, en de consequenties die daar voor de praktijk uit voortvloeien. Als het alleen maar een spel is heeft niemand er wat aan. Je denkt wel eens: mensen denk toch wat genuanceerder, maar met nuances bouw je nu eenmaal geen „images" op.

Individualisme Geertsema: Mensen van de centrale interfaculteit bezitten zekere trekken van individualisme. Maar dat is met filosofen altijd wel in enigermate het geval geweest. Eigenlijk doet zich dat bij de meeste „literatuurstudies" voor. Maar als ik bijvoorbeeld onze interfaculteit vergelijk met die van Leiden, dan hebben wij hier onderling veel meer contact. Het contact tussen docenten en docenten-studenten is altijd benadrukt. Mevr. Brüggemann-Kruijff- Dat individualisme is er zeker. Iedereen wil het op zijn eigen manier doen Zowel op onderwijs- als op onderzoeksgebied. Ook op bestuurlijk niveau zijn er aanwijzingen voor individualistische trekken. Er zijn bij-

»»"^y^ *

^

^ Prof. H. van Riessen voorbeeld geen fracties binnen de Studentengeleding die van een kiesvereniging uitgaan of anderzins politieke organisaties waarbij men zich kan aansluiten aan de centrale interfaculteit. Aan de andere kant wordt het individualisme gecompenseerd doordat het hier een kleine faculteit is. Daardoor zijn contacten veelvuldiger. Van Riessen: Er zijn hier geen individualisten, maar mensen die zitten met „grensproblemen". Problemen waar ze niet uitkomen. Wat is recht, kracht, massa, ruimte? Bij „grensproblemen" is er steeds behoefte aan discussie. Ik heb ernaar gestreefd om hier een gespreksruimte te krijgen omdat het iets unieks is van de filosofie om continu met elkaar in discussie te zijn. Dat is bij de vakwetenschappen veel minder het geval, daar spreek je veel meer van vooruitgang Doordat je er in de filosofie niet uitkomt, behoef je je er ook niet druk om te maken. Maar je moet er wel steeds mee bezig zijn. Recht, ethiek, het sociale-economische, hoe is dat met elkaar verbonden? Die confrontatie vindt plaats op maandelijkse stafcolloquia. Er heerst bij sommige faculteiten wel de opvatting: filosofie is aardig, maar: houd ons niet van ons werk af! Die geest bestaat er ook. Dit acht ik echter geen wetenschappelijke houding. De wetenschap moet door blijven vragen en dan kom je op filosofisch gebied terecht. Geertsema: Binnen de centrale interfaculteit kan je geen kloof aanwijzen tussen jong en oud. Bij verschil van mening ligt dat niet bij jong-oud maar bij de wijsgerige opvattingen. Je wordt gemakkelijk voor het dilemma geplaatst: meegaan met een trend in de cultuur, het filosofisch, maatschappelijk of wetenschappelijk denken en dan ben je bij de tijd, óf je als christen daartegenover opstellen waardoor je in een tijdloze situatie dreigt terecht te komen. Je verdedigt standpunten die eigenlijk niets meer te maken hebben met de wereld waarin je leeft. Dit vind ik echter een vals dilemma. Ook als je niet met de trend van de tijd meegaat omdat de vooronderstellingen daarvan duidelijk niet christelijk zijn blijft het wel degelijk belangrijk dat je als christen een duidelijke relatie hebt met wat er in je eigentijd aan de hand i«. Wijsgerig is dat zo wel met wat er in de wijsbegeerte als met wat er in de maatschappij aan de hand is. Mevr. Brüggemann-Kruijff: Erg veel revolutionairen zal je binnen de centrale interfaculteit niet vinden. Maar er is ook nog een andere onderscheiding dan jong-oud, namelijk; bestuurders-niet-bestuurders. Het zal echter ook in dit geval binnen de interfaculteit niet gauw op een (politieke) machtsstrijd uitlopen. Alles blijft zeer goed bespreekbaar. Uiteindelijk overheerst hier het „harmoniemodel". Van Riessen: De studenten van deze tijd verschillen met die van het begin van de centrale interfaculteit. De jonge student van nu is veel minder gemotiveerd ten aanzien van de christelijke filosofie. Seminaria die ik vroeger organiseerde, hoef ik nu niet meer te houden. Het is een heel ander klimaat waarin je werkt. Toch moet je de studenten bijbrengen dat waar ze ook filosofie gaan studeren, ze in aanraking komen met filosofieën waar ze het niet mee eens zijn. Je bent hier aan de VU aan een christelijke universiteit en daar heb je rekening mee te houden, zeg je tegen de studenten. En ook: wanneer je het daar niet mee eens bent, moet je maar ergens anders filosofie gaan studeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 313

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's