Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 15

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 15

8 minuten leestijd

AD VALVAS — 1 SEPTEMBER 1978 hebben, had het CvB gez^d. Het sprak ook van een 'experiment' en we moeten leren of we hiermee op de goede weg zijn. Van de kant van het wetenschappelijk personeel kwam tijdens de raadsvergadering het geluid dat men het op zichzelf best met zo'n onderzoeksinjektie eens was, maar er moest wél een garantie zijn dat de zaken vanaf het centrale niveau niet dirigistisch zouden worden aangepakt. Maar daarop werd van CvB-zUde geantwoord dat er wel op centraal niveau zou worden gekozen, maar niet op een centralistische wyze: de aanvragen voor toewijzing uit de beleidsruimte kwamen immers vanuit de fakulteiten zelf. In september stelde de universiteitsraad vast dat de commissie een raads- en geen bestuurscommissie zou zjjn, zoals het collie van bestuur had geopperd. De commissie diende het vertrouwen van de (sub/inter) fakulteiten te genieten. Maart 1975 verdeelde de universiteitsraad de eerste tien plaatsen. Er bleek een overweldigende belangstelling voor te bestaan: er waren 41 aanvragen (55,4 personeelsplaatsen). De raad nam het advies van de commissie beleidsruimte onderzoek over. De commissie was in het algemeen teleurgesteld over de kwaliteit van de aanvragen, maar het was ook nc@ even wennen. De beleidsruimte zelf werd zinvol geacht, onder meer omdat 'daarmee vermeden wordt dat formatieplaatsen alleen op basis van studentenaantallen worden toegewezen'. Dan zou het gevaar groot zijn dat de plaatsen toch voor onderwas werden besteed. De commissie vroeg de raad voor 1976 om tien plaatsen extra. Maar een maand later kwam er kritiek los van o.a. de leden van

[ƒ - te beginnen

15

raalonderzoek, tijdelijke vervanging van docenten, die dan hun onderzoek zouden kunnen uitvoeren, e t c ) . De creatie van een beleidsruimte onderzoek op fakulteitsniveau dus. Het college van bestuur vond vooralsnog een gelijkmatige verdeling van de poolplaatsen het beste, omdat de diskussie over zwaartepunten in het onderzoek nog niet op gang was gekomen en voor inhoudeiyke b ^ r o t e n duidelijke g^evens over onderzoek tot dusver niet op tafel waren gekomen. De bestaande beleidsruimte onderzoek zou een speciaal plaatsje binnen de onderzoekpool moeten krygen. De daaruit te verstrekken plaatsen zouden voor onderzoeksprojekten met een multi- of interdisciplinair karakter of met een nauwe relatie tot de doelstelling van de VÜ kunnen dienen, om welke reden ze door het centrale niveau zouden moeten bUJven worden to^ewezen. In uitbreiding tot meer dan de tien voorhanden plaatsen zag het college van bestuur geen heU op dat moment. De universiteitsraad ging met dit aUes akkoord, maar vond dat de beleidsruiiöte onderzoek met plm. tien plaatsen moest worden uitgebreid. De onderzoekpool zelf zou plm. 20 plaatsen kunnen krügen. Als de toewijzing van plaatsen uit Den Haag definitief was, zouden de precieze aantallen worden bepaald. In 1976 bestond de beleidsruimte onderzoek uit 20 en de onderzoekspool zelf idem uit 20 plaatsen. Een jaar later werd de eerste andermaal tien plaatsen groter en kreeg de laatste er nog eens twintig by. Maar toen was het afgelopen. Het was duidelijk geworden dat de universiteiten en hogescholen het

in 1978 - in

onderzoekscommissies, bevordert jaarlükse rapportage vanuit de fakulteiten, brengt advies uit over de beleidsruimte onderzoek, bestudeert landelijke nota's (ministerie. Academische Raad, etc.) en adviseert daarover, etcetera. De commissie bestaat uit zeven universiteitsraadsleden, twee leden van het college van bestuur en vier van het coUege van decanen. Er is een ambtelijk secretaris vanuit het bureau van de universiteit aan toegevoegd. De uiteindelijke totstandkoming van de commissie werd voorafgegaan door veel diskussie in de universiteitsraad. September 1974 werd op voorstel van de studentenfraktie van de PKV (progressieve studentenvereniging) een ad hoc-commlssie Ingesteld die een vaste commissie moest voorbereiden. Dergelijke commissies, die de universiteitsraad tot steun moeten dienen bü de besluitvorming over de steeds ingewikkelder wordende problematieken van onderwijs en onderzoek (herstrukturering, numeri fixl, de stroom van nota's, etc.), werden omstreeks die tijd ook aan andere universiteiten ingesteld. De PKV-fraktie stond een raadscommissie voor ogen, maar de ad hoe-commissie was daar tenslotte in meerderheid tegen. Het moest een universiteltscommissie worden, omdat een gezamenlijke aanpak van vraagstukken, waar zoveel instanties buiten de raad om bij betrokken ziJn, gewenst was. Zo'n brede commissie zou bovendien meer gezag hebben, oordeelde men. De PKV vond dat een aanslag op de imiversitaire demokratie. 'Een aanval op de (sub) fakulteiten,' schreef PKV-raadsUd Lucy Brand destijds. Het werd echter, zoals gezegd, een universiteitscommissie.

Waai^ schort het aan hij het 't onderzoek? Op grond van de inventarisatie van onderzoéksprojékten 1974 werd door dr. G. D. Thijs van het bureau planning, die haar had uitgevoerd, gekonkludeerd dat de tijd voor onderzoek over het algemeen in de afgelopen jaren niet minder was geworden. Een konklusie die door de fakulteiten niet in dank werd afgenomen. Voor de vorig jaar gehouden reken-excerdtie voor het ontwikkelingsplan van de VU voor de jaren tot 1983 werd op de fakulteiten allereerst nagegaan hoeveel tyd aan onderwijs, bestuur en beheer werd besteed. Voor het onderzoek rekende men eenvoudig wat er aan tijd overbleef. En dat bleek relatief gering te syn. Volgens die berekening was het onderzoek duidelijk in de gevarenzone. Maar vis men nu de omvang van het onderzoek eens zelfstandig had berekend, wat zou dat hébben ongeleverd? De nieuwe OTiderzoeksinventarisatie, die op het ogenblik op universiteitsniveau wordt voorbereid, zal misschien wat opheldering kunnen verschaffen. Als zou blijken dat het met de voor onderzoek beschikbare tijd en middelen mee mee zou vallen dan men had verwacht, dan souden er andere oorzaJcen voor de benarde onderzoekssituaties moeten zijn. De kwaliteit van het onderzoek, het samenwerkingsverband binnen de vakgroep, gebrek aan beleid bij vakgroep en fakidteit...?

teitscommissle onderwijs en onderzoek daarom naderhand te bekijken hoe de onderzoeksrapportage op universiteitsniveau zou kunnen worden verbeterd. De commissie kwam kortgeleden met een nota uit, waarin zij adviseert jaarlijks niet aUeen kwantitatieve (1974) maar ook kwalitatieve onderzoeksinformatie te verzamelen. En wel via rapportageformulieren die gemakkelijk zijn te splitsen in een deel voor het »miversiteitsniveau en een voor het fakulteitsniveau. Het laatste zal meer vragen bevatten dan het eerste. Hoewel voor een efficiënte ver-

voorbereiding

bouwen onder druk van de bezuinigingen het wetenschappelijk personeel in de universiteitsraad. De planniBg van het onderzoek moet op het niveau van de («ub/lnter) fakulteiten plaatsvinden en daarom was er meer voor te z^gen om een beleidsruimte biianen de fakulteiten op te zetten. Tijdens die raadsvergadering werd ook opgemerkt dat een universitaire beleidsruimte slechts zin kon hebben voor onderzoéksprojékten met een multi- of interdisciplinair karakter en Projekten die in het bijzonder van belang zijn voor de realisering van de christelijke doelstelling van de VU (een fikse beperking van de voorlopig gekozen toewijzingskriteria). Verder viel te beluisteren dat slechts tien plaatsen voor de universitaire beleidsruimte nauwelijks effekt zouden kunnen hebben, maar gezien de krappe, personeelsaanwas waarmee de VU te rekenen had, waren er ook geen argumenten om uitbreiding te adviseren (commissie planning). De raad stelde de beslissing over nog eens tien plaatsen voor de beleidsruimte onderzoek tot het najaar uit.

Nieuwe stap: onderzoekspool Begin december 1975 werd het startschot gdost voor een nienwe ontwikkdinff. De berichten uit Den Haag waren gunstig. De VÜ zon, zo werd verwacht, een flink stok van de achterstand in personeelsplaatsen kannen inhalen. Er zaten over de honderd plaatsen in het vat. Het college van bestonr vond dat een kans bg uitstek om met een deel ervan meer steun te geven aan het onderzoek. Met de interne opinie over de beleidsruimte onderzoek in het achterhoofd, kwam het met het voorstel een onderzoekspool te vormen van op den duur 150 plaatsen (10% van de verwachte totale wetenschappelijke formatie). De plaatsen zouden voor telkens vier jaar worden toegewezen aan de fakulteiten op basis van hun personeelsformatie onder voorwaarde dat ze grotendeels voor onderzoek zouden worden bestemd (bijv. promotieplaatsen, voor post-dokto-

tot 1983 moesten doen met het personeel dat ze in huis hadden en daarbij zelfs nog zo'n geschatte tien procent meer studenten zouden moeten opvangen. Intern herverdelen van plaatsen was noodzaak geworden om de pijn van niet meer groeien zoveel mt^elijk te verdelen. Dit jaar werd er een begin mee gemaakt. Toch schoot er, oordeelde de universiteitsraad voor de beleidsruimte onderzoek pog een tweetal plaatsen over uit de herverdeling (twaalf plaatsen die van vijf rijke naar vijf arme fakulteiten verhuizen).

Evaluatie Dit najaar zal de commissie beleidsruimte onderzoek de universiteitsraad een uitvoerige evaluatie presenteren. Daartoe werd een serie vragen aan de fakulteiten voorgelegd. Wat heeft deze beleidsruimte betekend voor de vorming van een universitair onderzoeksbeleid? Binnen niet al te lange tijd zal men waarschijnlijk ook wel eens willen weten hoe de onderzoekspool zelf gedraaid heeft. De eerste twintig plaatsen komen in 1980 vrij. Zijn ze inderdaad hoofdzakelijk aan onderzoek besteed of misschien merendeels eenvoudig aan de formatie toegevoegd? De fakultaire onderzoekscommissies funktioneren over het algemeen, vriendelijk gezegd, maar matig (zie elders in dit nummer). Is dat een aanwijzing voor een antwoord? Commissie onderwijs en onderzoek

Moet nog worden vermeld dat in januari 1976 ook een commissie onderwijs en onderzoek door de universiteitsraad werd ingesteld. De commissie, die als universitaire commissie door het leven zou gaan, kreeg als taak gevraagd en ongevraagd adviezen over belangrijke kwesties van onderwijs en onderzoek uit te brengen aan de raad, het college van bestuur en het coHege van decanen. De commissie dient verder als knooppunt voor de fakultaire onderwijs- en

Beter

inventariseren

Zoals gezegd is er een nieuwe inventarisatie op tü. Het resultaat van de 'momentopname' van 1974 was aanleiding voor nogal wat kritiek vanuit de fakulteiten, het college van decanen en de universiteitsraad. Het kwam erop neer dat er geen onderzoeksbeleid op kon worden gebouwd. Het college van bestuur vroeg de universi-

werking van de gegevens standaardisatie nodig zal zijn — de commissie heeft een formulier ontworpen —, adviseert zij dat de fakulteiten vooraIsB<^ hun eigen systeem kunnen blijven hanteren. Daar moet dan echter wel de informatie uit roUen die zij voor het universiteitsniveau gewenst vindt. Gteleidelijk zal men zich dan kunnen aanpassen aan de voorgestelde nieuwe rapportage-opzet. Het

college van decanen heeft zich deze week ook gebogen over de materie, maar daarover is nc^ niets bekend. Het zou allemaal wat eenvoudiger voor de VU geweest zijn, als er inmiddels één landelijk inventarisatiesysteem voor lopend onderzoek tot stand ware gekomen. Voor de onderzoekers zou dat prettig zijn geweest, want zij zouden slechts eenmaal per jaar hoeven te inventariseren. Voor overige inventarisatievragen zouden se dan kunnen volstaan met daar heen te verwijzen. Maar zover is het nog (lang?) niet. In 1976 stelde de minister voor wetenschapsbeleid de Coördinatiegroep informatiesystemen Lopend Onderzoek (CILO) in, die onder meer tot taak kreeg standaardisatievoorsteUen te doen en overigens te beginnen met de landelijke inventarisatie van door de overheid gefinancierd onderzoek. Tenslotte moet er een databank komen waarin aUes centraal by elkaar te vmden is. Eind 1977 verscheen een eerste interimrapport van de CHX). Een soort terreinverkenning en een eerste aanzet. Daarin werd gekonkludeerd dat de universiteiten een achterstand hebben in het projektmatig besctirijven van hun onderzoek. Maar de C^TLO toonde zich erover voldaan dat op bijna alle instellingen pogingen worden ge-

l ervolg op pagina

28

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 15

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's