Ad Valvas 1978-1979 - pagina 336
AD VALVAS — 23 MAART 1979
4
Plannen
slecht gefundeerd,
onderwijskundig
effect ervan onzeker
en als bezuiniging
kan het ook
anders
Minister Pais zet universiteiten onnodig aan het weric De DAK-fraktie in de universiteitsraad schrijft ons: Op 20 december 1978 heeft de Tweede Kamer aan minister Pais het groene licht gegeven voor een verdere uitwerking in wetsvoorstellen van zijn nota Hoger Onderwijs voor Velen. Door aanvaarding van een motie van de CDA'ers Beinema en Lansink werd aan de minister o.m. gevraagd voortvarend verder te werken aan de in de nota voorgestelde structuur voor het wetenschappelijk onderwijs. Op zeer korte termyn heeft Pais aan deze wens voldaan. Het voorontwerp van een wet twee-fasenstructuur W.O. met de daarbij behorende memorie van toelichting werd begin vorige week gepubliceerd en ook in het vervolg van de procedure wil Pais er de vaart in houden. Hij mikt erop de wet nog voor de zomer van 1980 door het parlement aangenomen te krijgen, zodat al in het studiejaar 1980-1981 een begin kan worden gemaakt met de uitvoering van zqn plannen, ruimschoots binnen de zittingstermijn van het huidige kabinet. Zowel deze haast als de aard van de voorstellen maken het gewenst dat op zeer korte termijn de discussie rond Pais' plannen in heel de universiteit op gang komt. Met dit artikel wil de DAK-fractie in de UR daaraan een eerste bijdrage leveren.
Voorgeschiedenis Regeringscommissaris Posthumus kwam al meer dan 10 jaar geleden met ingrijpende voorstellen tot herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs. Het hoofdkenmerk daarvan was een 4-jarige cursusduur tot het doctoraal examen. Na jarenlange discussie werden deze voorstellen, met talrijke amenderingen (die o.m. de mogelijkheid openden van een 5-jarige cursusduur), verheven tot de Wet Herstructurering W.O. 1975. Op basis daarvan hebben de instellingen voorstellen tot een gewijzigde studieopzet („herprogrammering") bij de minister ingediend. In de meeste gevallen kwam men uit op een cursusduur van 5 jaren, een duidelijk compromis tussen de kwaliteitseisen van de instellingen en de tijdsvoorwaarden van de minister. Bij dat alles bleef één van de manco's van de Wet Herstructurering het ontbreken van duidelijke toezeggingen m.b.t. postdoctorale faciliteiten (lerarenopleiding, onderzoekersopleiding e.d.). Bij zijn optreden als minister sprak Pais zich uit tegen de herstructureringsvoorstellen. De hele zaak was naar zijn mening in een impasse geraakt. Hij kreeg vervolgens van de Tweede Kamer gedaan dat de invoering van de Wet Herstructurering twee jaren werd uitgesteld. Intussen zou men de herstructureringsproblematiek opnieuw bezien in het licht van een brede visie op de toekomst van het hoger onderwijs. Welnu, de nota Hoger Onderwijs voor Velen pretendeert deze bredere visie te leveren.
Pais' voorstellen overwegingen
en
Kort samengevat komen de voorstellen erop neer dat de opleiding tot wetenschapper in twee stukken wordt geknipt, nl. • een eerste fase, die uitloopt op het doctoraal examen, een 4-jarige cursusduur kent, en in het eerste jaar een selectieve, oriënterende en verwijzende propaedeuse bevat; • een tweede, post-doctorale fase, die beperkt toegankelijk is en een cursusduur van 1 jaar heeft (alleen medici mogen na hun doctoraal 2 jaar doorstuderen). Voor beide fasen geldt een beperkte inschrijvingstermijn. In de eerste fase is een uitloop van 2 jaar mogelijk, in de tweede één van 3 maanden. De eerste fase zal anders dan in de huidige situatie in de breedte gevarieerde programma's van verschillend niveau moeten bevatten (uitlopend op zgn. dossierdiploma's). In de tweede fase is ruimte voor beroepsopleidingen (voor medici, technici, leraren) en zgn. onderzoeksopleidingen, waarin doctorandi zich basisvaardigheden kunnen verwerven voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Pais fundeert een en ander hoofdzakelijk met de volgende argumenten: 1. De oude operatie herprogrammering zit „muurvast". Aanpassing van de huidige structuur van het wetenschappelijk onderwijs blijft echter vereist. Alleen zo kan men elke student die dat wil toegang verschaffen tot de universiteit (met uitzondering overigens van de medische richtingen, waar een numerus fixus gehandhaafd blijft). Al-
leen zo kan men tegelijkertijd voorkomen dat het wetenschappelijk onderzoek in de knel komt. Men moet er immers van uitgaan dat groeiende aantallen studenten opgevangen zullen moeten worden zonder dat meer financiële middelen beschikbaar kunnen worden gesteld. 2. Te veel studenten vallen tijdens hun studie af, anders gezegd, het rendement van het wetenschappelijk onderwijs is onaanvaardbaar laag. Dit roept de vraag op of het W.O. wel voldoende aansluit bij de verwachtingen, belangstelling en capaciteiten van de studenten. 3. De integratie van W.O. en H.B.O. in één stelsel moet worden bevorderd. Dat kan o.m. door zowel W.O. als H.B.O. gevarieerde curricula te laten aanbieden. 4. Vooral in de angelsaksische landen heeft men de ervaring opgedaan dat een grote mate van differentiatie in de programmastructuur van de opleidingen samengaat met een hoog studierendement, terwijl de indruk bestaat dat daar een relatief groot aantal studenten aan tertiair onderwijs deelneemt. Voor de angelsaksische onderwijstraditie is verder kenmerkend dat er twee opleidingsfasen onderscheiden worden, waarvan de tweede selectief toegankelijk is. 5. Alles bijeen genomen biedt een modellering van het nederlandse W.O naar het angelsaksische systeem de beste mogelijkheden om de problemen van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan te pakken. Daarbij schept de voorgestelde structuur de voorwaarden voor een gerichte toewijzing van financiële middelen (per fase, per taakgebied), zodat zowel toedeling als besteding beter beheerst kunnen worden.
Kommentaar DAK
van het
In de eerste plaats merken we op dat de voorstellen van Pais de hele operatie herprogrammering overbodig willen maken. De cursusduur van de doctorale programma's zal over de hele linie 4 jaren bedragen, terwijl slechts een minderheid van de studenten (ongeveer 40%) de kans zal krijgen door te stromen naar de tweede fase. Je zou kunnen zeggen, dat via een omweg Pais probeert alsnog de plannen van Posthumus uit 1968 te realiseren. Een tweede opmerking betreft de grote rol van het angelsaksische model van hoger onderwijs. Interessant is in dit verband de artikelenserie die Geert Rooijakkers deze maand publiceert in het tijdschrift Overzicht (een uitgave van de NUFFIC) onder de titel „Het amerikaanse onderwijs is vooral anders". Hij stelt o.m. dat het studierendement in de USA vooral hoog is, omdat de kwaliteit van de onderwijsinstellingen en de kwaliteit van de studenten op elkaar zijn afgestemd. Via het marktmechanisme vraag en aanbod komen studenten en instellingen van overeenkomstig niveau bij elkaar, een situatie, die ingrijpend verschilt van de nederlandse, met haar wettelijk vastgelegde uniforme toegangseisen en eindtermen. Een vergelijking tussen de amerikaanse cursusduur en de nederlandse kan niet zonder meer worden gemaakt. Voor een 4-jarige cursusduur kan men op basis van het amerikaanse
stelsel slechts pleiten wanneer men het niveau van het doctoraal examen omlaag haalt naar dat van de Bachelor's Degree. Tot de Master's Degree hanteert men in de USA vrijwel steeds een cursusduur van 6 jaren. Wil men de nederlandse doctorandi dat niveau laten blijven houden, dan zal men zich tegen Pais moeten verzetten. Ook wanneer men de tweede fase meerekent, komt in de voorgestelde structuur de nederlandse student niet aan het eindniveau van de amerikaanse graduate schools toe. Een binnenlandse vergelijking leidt eveneens tot interessante conclusies. Het merendeel van de H.B.Oopleidingen kent een 4-jarige cursusduur, terwijl ze bovendien zeer gevarieerde programma's bieden, met duidelijke perspectieven voor student en maatschappij, alles zoals Pais het wenst in het wetenschappelijk onderwijs van de toekomst. Hoe staat het met het rendement van het H.B.O.? Bereikt dat de hoogten die Pais aan genoemde factoren verbindt? Pais bespreekt de vraag niet. Wij hebben de indruk, afgaande op gegevens over de uitstroom van het volledige dagonderwijs (zie de Uitlegkrant, uitgave van het ministerie van O. en W., van 22 februari j.l.), dat het
met het rendement van het H.B.O. niet zo veel beter is gesteld dan met dat van het W.O.
Tweede fase nu nog maar een jaar Een van de kenmerken van de twee fasen-structuur is de selectie voor de tweede fase. Het zij nog eens herhaald: voor velen (60% van de studenten) eindigt het hoger onderwijs met de eerste fase. Wie de voorgeschreven vakkenpakketten hebben bestudeerd, zullen in de tweede fase mogen doorstromen naar de postdoctorale beroepsopleidingen. Voor het volgen van de postdoctorale onderzoeksopleiding zal men zich echter moeten kwalificeren met hoge cijfers in de eerste fase. Volgens de overigens niet bijster duidelijke rekenvoorbeelden van het HOW-dossier komt globaal genomen ongeveer 15% van de studenten voor een dergelijke vervolgopleiding in aanmerking. De status en inhoud van deze onderzoeksopleiding blijft ook in de memorie van toelichting vaag. Een eindexamen kent ze niet, slechts een aantekening op de doctoraal bul. Hoewel de HOW-nota nog sprak van een 2-jarige studie, is deze nu beperkt gebleven tot 1 jaar. Kennelijk zat Pais met het probleem dat deze onderzoeksopleiding niet al te serieus en interessant moest worden, wilde hij nog kunnen vermijden dat de maatschappelijke status van gewone doctorandi en hen die de onderzoeksopleiding hebben gevolgd nogal uiteenlopend zou *v orden — met alle gevolgen van dien.
Wat de inhoud van de onderzoeksopleiding betreft geeft de memorie van toelichting op p. 27 een globale karakteristiek: „Het doctoraal examen levert afgestudeerden op, die in staat moeten zijn om resultaten van onderzoek, zoals bijvoorbeeld neergelegd in vaktijdschriften, kritisch te waarderen en eventueel te verwerken in de beroepsuitoefening, terwijl in de tweede fase de basisvaardigheden worden ontwikkeld om te komen tot de productie van dergelijke resultaten." Deze formulering zegt meer over de inhoud van het onderwijs in de eerste fase dan over de onderzoeksopleiding. Wij leiden eruit af dat er voor scriptieonderzoek geen plaats meer zal zijn in de doctoraal opleiding nieuwe stijl. Kennismaking met wetenschappelijk onderzoek zal niet verder strekken dan het verrichten van practicumproeven en het optreden als proefpersoon. De 1-jarige vervolgopleiding zal een selecte groep dan de kans geven alsnog een scriptieonderzoek te verrichten. Voor veel meer lijkt ook daar geen ruimte.
Financiële konsekwenties De presentatie van de financiële consequenties van de twee fasen-
structuur blijft ook in de memorie van toelichting nogal ondoorzichtig, en dat terwijl hier één van de hoofdargumenten voor de hele operatie moet worden gevonden. Tijdens de bespreking van de HOW-nota in de onderwijscommissie van de Tweede Kamer ging Pais uit van de volgende benadering: 1 cursusjaar minder dan de 5 van de herprogrartimering levert een besparing op van 20%. Stelt men vervolgens dat 40% van de studenten kan doorstromen naar de tweede fase, dan bedraagt het voordeel per saldo 12%. Niet nader aangegeven factoren leiden dan tot een uiteindelijke besparing van 6 ä 7% (het cijfer dat op p. 46 van de memorie van toelichting voorkomt). Indrukwekkend is dit resultaat allerminst, te meer niet wanneer men bedenkt dat geheel buiten beschouwing blijft welke de meer-kosten zijn van de voorgestelde programmatische differentiatie van de eerste fase. Verder moet men zich realiseren dat de voorgestelde twee fasen-structuur als zodanig slechts voor één derde bijdraagt aan de berekende bezuiniging op wetenschappelijk personeel en geen effect heeft op besparingen op nietwetenschappelijk personeel (aldus één van de conclusies van ir. Van der Drift in ESB van 28 februari j.l.). Tekenend voor de presentatie van de voorstellen van Pais is verder dat nergens ernstig wordt overwogen of de nodige besparingen op het wetenschappelijk onderwijs en de gewenste garanties voor het wetenschappelijk onderzoek niet via de reeds aanwezige planningsstructuur
op basis van een invoering van de herprogrammeringscompromissen kunnen worden gerealiseerd. Pais toont zich tevreden met het met de instellingen overeengekomen stelsel van meerjarenafspraken, maar laat het er niet op aan komen via deze weg de toekomst van het wetenschappelijk onderwgs veilig te stellen. Tegen doorvoering van de herprogrammeringsvoorstellen pleit volgens hem dat op die manier voor tal van jaren de structuur van de opleidingen vastgelegd zou worden (HOW-nota, p. 13), terwijl hij van zijn eigen plannen luchtig opmerkt dat daarmee natuurlijk niet voor eens en voor al de gewenste structuur is gegeven (HOW-nota, p 10).
Overige
opmerkingen
Er zit te veel aan Pais' plannen vast om alles in dit korte bestek te kunnen bespreken. Ieder zal bij lezing van de stukken eigen vragen hebben. Wij noteren kort nog een aantal vragen die bij ons opkwamen. Waarom is de integratie van H.B.O. en W.O. gediend met een uniforme cursusduur? Soms omdat men de bedoeling heeft in de toekomst gediplomeerde H.B.O.'ers toe te laten tot de 2e fase van het W.O.? De inschrijvingstermijn voor de eerste fase is beperkt tot 6 jaren. Het blijft onduidelijk of voor werkstudenten en dubbele richting-studenten een uitzondering mogelijk zal zijn. Eveneens vraagt men zich af hoe het moet gaan met de studenten van nu die vanaf 1980 ook aan een maximum van 6 jaren worden gebonden. Pais voorziet binnen de universiteit van de toekomst een behoorlijke ruimte voor zgn. assistent-onderzoekers. Hij bindt hun aanstelling echter aan een maximale termijn van 3 jaren. Kunnen ze binnen die periode promoveren? Pais is van oordeel dat het terug brengen van de ingediende herprogrammeringsvoorstellen tot 4-jarige programma's niet veel meer werk vraagt van de faculteiten dan jaarlijks toch al aan bijstelling en aanpassing wordt verricht (zie verslag onderwijscie Tweede Kamer, p. 407) De herprogrammeringsoperatie blijkt Pais ook op dit punt niets te hebben geleerd. Een dergelijke inkorting van studieprogramma's is zeker niet minder vergaand dan de voorgaande. Zeker wanneer men tegelijkertijd ook nog eens nieuwe programma-variaties moet ontwerpen en een hoge onderwijskundige kwaliteit moet handhaven, lijkt het optimisme van de minister weinig realistisch.
Konklusies Het geheel overziende kan men vaststellen dat Pais een aantal problemen van het wetenschappelijk onderwijs terecht signaleert. De oplossingen, die worden aangedragen zijn echter voor een groot deel slecht gefundeerd, onvolledig en onduidelijk. Het lage rendement, de geringe studie-motivatie, de onvoldoende aansluiting van veel studieprogramma's op de maatschappelijke behoefte — Pais heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze via de voorgestelde twee fasen-structuur zullen verdwijnen. Tegelijkertijd rijst het vermoeden dat zijn ingrijpen in de structuur van het W.O. in veel opzichten overbodig is. zeker zo lang niet vaststaat dat met een combinatie van invoering van de herprogrammeringsvoorstellen en planning via het stelsel van meerjarenafspraken niet eveneens de instroom van alle aspirant-studenten, en de omvang en kwaliteit van het wetenschappelyk onderzoek kunnen worden gegarandeerd. Op 2 maart j.l. heeft het breed comité tegen de HOW-nota zich aan de lezers van Ad Valvas gepresenteerd. De DAK-fractie sluit zich bij dit initiatief aan. De problemen Maarmee het wetenschappelijk onderwijs te stellen heeft, moeten niet verdoezeld worden; aan schijnoplossingen voor die problemen heeft de universiteit echter geen behoefte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's