Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 359

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 359

11 minuten leestijd

11

AD VALVAS — 30 MAART 1979

ƒ.ƒ. J.J. Beljon over de plaats

van de kunstenaar

van kunst in een afgerond gebouw of een omgeving die al klaar is.

in d> de stad:

Niet de kunstenaar pas optrommelen o als blijkt te zijn een wijk klaar is en onleefbaar onlei De taak van de beeldend kunstenaar in de stad is niet die van de oplapper van lelijk en saai gebouwde stadsdelen of gebouwen. Vanaf het allereerste begin van de ontwerpfase van een gebouw of wijk moet hg kunnen samenwerken met de architect, de toekomstige gebruiker en de technicus. Als deel van zo'n team moet hij met zijn bijdrage van artistieke vormgeving het gezamenlijke werk kunnen doordringen. Daarbij moet hij overigens geen dominerende rol spelen. De teamleden moeten elkaar leren begrijpen en samen streven naar een leefbare omgeving. Dat is kort gezegd de opvatting van de beeldhouwer J. J. Beljon, op dit moment werkzaam als directeur van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Beljon hield in de Studium Génerale-cyclus over „Wonen tussen utopie en werkelijkheid" de laatste lezing. Thema ervan was „De plaats van de beeldende kunstenaar in het stadsbeeld". Beljon is niet de beeldhouwer van sculpturen in romantische waterpartijen. Zijn opvatting van beeldhouwkunst is meer die van vormgeving en omgevingskunst. Een sculptuur moet niet de individuele zeer tijdelijke boodschap van een kunstenaar vertalen maar moet iets Ie maken hebben met de heuvels erom heen of het gebouw ernaast. Een stuk plaveisel bijvoorbeeld, dat met recht toe recht aan is maar een beetje omhoog komt en daardoor visueel en plastisch interessanter wordt. Je kunt als kunstenaar je medewerking geven aan wegenstelsels, de vormgeving van winkelcentra, nieuwe stadswijken etc. Al zo'n tien jaar wordt er nu gezegd, dat bij het ontwerpen van een gebouw of stadswijk vanaf het begin de kunstenaar wordt betrokken.

Jaap

Kamerling

de plek). Waar je je kunt thuisvoelen en stijlen kunt herkennen. Maar als je door de Bijlmer loopt of de Aiexanderpolder dan is het daar een trieste bedoening. Het is er onleefbaar. Er valt door de kunstenaar nog wel wat te verbeteren maar het blijft een kwestie van oplappen.

Geen woontorens zonder straten Veel kwaad is volgens Beljon aangericht door architecten als Le Corbusier en Nlemeyer, die vrij dictatoriaal hun wil oplegden

door dat levendig procesmatig verloop op den duur een „gezicht" een genius loei. De kunstenaar, die daaraan wil bijdragen zal dat procesmatig verloop moeten honoreren en erbij moeten aansluiten.

Vormgeving geen tweederangskunst Hoe kun je nu de omgevingsvormgeving door de kunstenaar, een traditie, die een eeuw lang heeft gesluimerd en pas de laatste jaren weer wordt opgepakt tot een ruimere toepassing brengen? Dat kan volgens Beljon alleen door mensen in dit vak op te leiden op de academies voor beeldende kunsten. Maar daar moet dan wel wat veranderen. De meeste academies zijn al behoorlijk oud en zijn nog steeds gebaseerd op het beoefenen van de klassieke beeldhouw- en schilderkunst, met hier en daar wat moderne varianten. De mensen op de academies moeten worden afgebracht van die klassieke traditie en zich meer gaan richten op vormgeving in brede zin. Maar de leiding van de meeste academies beschouwt vormgeving nog als tweederangskunst, niet als echte kunst. „Ik vind vormgeving en beeldende kunst één geheel! Je mag die niet splitsen, wat wél gedaan is. Die splitsing vervalt als je schilder- of beeldhouwkunst terug gaat brengen tot de fundamentele, de primaire dingen van het beeldende. De harde kern van-architectuur beslaat uit begrippen als hoog en laag, hard, doorzichtig, schaal en maat.

Maar diezelfde essentiële begrippen vind je ook in de danskunst en zelfs de literatuur terug. Op die manier kunnen verschillende soorten kunstenaars met elkaar in gesprek komen. Toen ik voor het eerst op een academie kwam werkte iedereen apart. Ieder hield zijn eigen schepping angstvallig bij zich. Men deelde niet in de kreativiteit van anderen, sprak nauwelijks met elkaar. Ik wil weer een sfeer onder de studenten brengen die open is. Tachtig procent van waarmee je bezig bent op een academie kun je delen met anderen." Dat blijkt uit de pedagogische experimenten die Beljon als directeur van een academie uitvoert en waarin de studenten samen bezig zijn en eikaars kreativiteit delen.

Kentering Het saaie karakter van veel woningbouw en stadswijken wijt Beljon o.a. aan het feit, dat naar zijn mening de architect de laatste honderd jaar in zijn opleiding eigenlijk geen vormkundige scholing heeft gehad. Het element van de vormgeving is eruit geraakt. En er is zelfs een tijd geweest dat men het louter funktioneel bouwen tot dogma verhief, wat tot gezichtloosheid in de bouw leidde. Maar daarnaast zijn er natuurlijk ook andere oorzaken van die saaie bouw aan te wijzen: de bevolkingsexplosie van na de oorlog, de economische mogelijkheden in de bouw etc. Gelukkig ziet Beljon een kentering bij veel jonge architecten, die zich wel wat gaan aantrekken van vormgeving. Ruim tien jaar geleden, in 1968, schreef hij een boekje „Bouwmeesters van morgen", dat toen nogal utopisch werd gevonden. Hij heeft nu het idee, dat het niet helemaal utopie zal blijken te zijn. Hij is niet pessimistisch en tegelijk toch ook

In bouwteam samenwerken met ingenieurs en technici Die betrokkenheid op elkaar moet fe ook wel leren want in de praktijd zal je als kunstenaar ook moeten samenwerken met technici, ingenieurs, stratemakers en stadsbestuurders. Je zal altijd in teamverband moeten werken. Vóórdat een bouwproces begint moet je al met elkaar tot overeenstemming zien te komen over de vormgeving ervan. Pas dan krijgt omgevingskunst een serieuze kans. En anders blijft het bij voorlopige inwevingen

realistisch. Zeventig procent van zijn werk als beeldhouwer deed hij in het kader van de éénprocentsregeling van het Rijk. Dat was mogelijk, zegt hij. Maar je moet mee willen rekenen met de architecten en opdrachtgevers. Zelf neem ik mijn studenten mee naar bouwvergaderingen om ze te confronteren met de vernederingen, die een artiest moet ondergaan. Maar je moet geduldig zijn en als kunstenaar je legitieme inbreng leveren.

zat die iets van hem

Melle is bestolen

De beeldhouwer

Iets later dan gewoonlijk, doch uiterst opgewekt betrad Grobbink na de middagpauze het hoofdgebouw van de universiteit. Dé tocht per geleende racefiets naar de binnenstad was weliswaar niet zonder gevaren geweest maar had hem toch als tastbaar resultaat de eerste druk van Media Vita van J. C: Bloem opgeleverd; een toepasselijke titel, dacht Grobbink tevreden; zijn verzameling eerste drukken van de geliefde dichter was nu compleet. Tevens had hij de hand welen te leggen op een Chinese vertaling van Winnie-the-Pooh; dal was voor later. Het is altijd goed meer doelen in het leven te hebhen. Het middagspreekuur was weer met gering; op weg naar zi/n werkplek wierp Grobbink een vluchtige blik in de wachtkamer- nu al vol en dat om 5 voor 2' Grobbinks dei de klant was Margje Uil die ziih deed vergezellen van ene Melle. Het paar zag er ernstig geteisterd uit.

J. J. Beljon

Maar de praktijk is nog vaak heel anders. Een nieuwe wijk is gebouwd en dan plaatsen culturele ambtenaren van gemeentelijke diensten nog even een advertentie in de krant Wï.arin ze kunstenaars vragen die de wijk willen verfraaien. Toch is Beljon niet pessimistisch o\er de toekomst. Er komen steeds meer jonge architecten, die zich bewust zijn van het belang van een goede vormgeving, van „het gezicht", dat een gebouw of stadsdeel moet hebben. Er zijn zelfs architecten, die zoveel gevoel voor kleur en vorm hebben, dat de beeldend kunstenaar overbodig wordt. En het komt ook al voor, dat een gemeente (Rotterdam) de beeldend kunstenaar, die wordt gevraagd een nieuwe krachtcentrale een gezicht te geven toestemming geeft het al bestaande ontwerp over te maken en het werk van de architect in feite over te nemen. Dat overkwam Beljon zelf in Rotterdam waar hij een krachtcentrale mocht ontwerpen, die niet alleen funktioneel is en met het uiterlijk van een lelijke fabriek maar een teken in de omgeving met uitstulpingen, die expressie hebben waar toch de krachtcentrale zelf inpast. Een unieke opdracht was dat. De eerste keer dat Beljon zoiets overkwam maar zo'n opdracht krijg je niet gauw een tweede keer. Als je door een stad als Amsterdam loipt dan zijn er grote stukken zoals de grachtengordel waar de beeldend kunstenaar niet meer nodig i^. Die een gezicht hebben gekregen, een genius loei (de geest van

aan grote groepen stadsbewoners. In de hele wereld werden botweg hun bouwconcepten geïmiteerd. Het uitgangspunt bij Le Corbusier was een stad zonder straten. Een stad moest in zijn visie bestaan uit torens en giganten waartussen geen straten waren. Ertussenin moest landbouw komen. Grote blokken met daartussen de spruitjes en de boerekool. De woontorens kwamen er maar de spruitjes bleven uit. Wel kwamen er veel blik, olievlekken en steriele kinderspeelplaatsen. Lc Corbusiers plannen gingen deels terug op de ideeën van de 16e eeuwsc monnik Campanella en zijn Civitas Solis. Daarin waren geen straten want die gaven maar aanleiding tot het vestigen van kroegen en bordelen en het uitstallen van waren, die de begeerte konden opwekken. Dat denkbeeld ging weer terug op de kerkvader Augustinus en zijn De Civitate Dei. Geen straten vond Augustinus want die walen het toonbeeld van het kwade. De calvinist Le Corbusier dacht ook een beetje zo, meent Beljon. Het is natuurlijk zo, vindt hij, dat juist de straat de. stad maakt. Van een straalloos concept kun je nooit verwachten, dat het menselijk leven en aangenaam leven mogelijk maakt. Ook niet met mooie overschilderingen van flats zoals in La Defense, een moderne Parijse stadswijk. Bij de stadsvernieuwing zal dus ook een Beljon willen uitgaan var. de bestaande stratenpatronen. De bebouwde omgeving ontwikkelt zich in een voortdurend proces en krijgt

Melle had reeds enige tijd zijn tandenborstel in het bekertje van Margje staan; nu achtten zij de tijd gekomen wat andere persoonlijke bezittingen bij haar te stallen. Dat voorkwam maar onnodig heen en weer rijden. Zo gebeurde het dat hij zijn voor de overige vakantie aangeschaft autootje vollaadde met zijn grammofoonplaten, prima geluidsinstallatie, geliefde boeken en studiehoeken; er was nog plaats over voor een map met girobetaalkaarten en andere documenten, de Aspidistra elatior die nog van zijn grootmoeder was geweest en de kooi met parkieten. Toen Margje en hij met deze kostbare lading op weg waren naar Margje's halve woning, hadden zij even aangelegd bij Maarten Uil; de jonge dokter was hard aan het werk, zijn Maaike zat huiselijk te breien maar een pilsje kon er wel van af. Toen Melle en Margje een uurtje later weer buiten stonden, was de auto verdwenen. In mijn tijd verhuisde je met een bakfiets met een fles jenever erin, voor onderweg, merkte Grohbink op. Was de auto op slot? Dat was hij, en de papieren zaten erin, evenals Melle's rijbewijs en paspoort en bßtaalpas. Grobbink werd er stil van: zoveel blind -vertrouwen! Je hebt toch wel aangifte gedaan, probeerde hij voorichtig. Dat hadden ze meteen gedaan en vanmorgen hadden ze ook de postgiro en de verzekering opgebeld. De verzekering betaalde in dit geval niet uit, althans niet de inhoud van de au-

verwachtte?

Geschoold opteerde Grobbink voor het laatste: eerst het actuele probleem oplossen, dan de boodschap (als bestuursambtenaar had hij genoeg zendelingen aan het werk gezien). Maak maar eens een lijstje van de schade, sprak hij met herwonnen geduld, en kom dan maar terug, dan kunnen we hekijken of je een lening uit het noodfonds studentendecanen kimt krijgen, de terughetalingsregeling hespreken we dan ook wel. Maar ik heb nu al geen geld meer, zei Melle. Dan kim je nu een paar honderd lenen, maar voor een korte termijn, dan weet ik zeker dat ik nog dat overzicht van de schade onderogen krijg; en neem dan ook maar het

l^^.^'>f'^'^'^^^>'.^^%^^^.O^K^^K^^i^,^^^,^^K^^^^^^.^^^^yi^^V,^^t.^^

to en de postgiro deed ook niets; Melle moest maar afwachten of zijn 14 betaalkaarten geïnd zouden worden door de onverlaat. Hij had dus nu geen geld meer, maar wel een heleboel kosten en mogelijk straks een heleboel schuld. Wist Grobbink geen oplossing? Voor dit soort situaties had Grobbink altijd een aantal Uitdrukkingen uit zijn koloniaal verleden paraat die niet geschikt zijn voor de drukpers. Wat moest hij nu doen? Het rund wijzen op de verregaande stommiteit om een volle auto, notabene nog met levende have, midden in de nacht in Amsterdam op de openbare weg te parkeren? Of moest hij zich realiseren dat hier een medemens-in-nood voor hem

afschrift van je aangifte bij de politie mee. Melle haalde opgelucht adem en Grobbink had geen zin meer in preken. Hij wendde zich tot Margje met de vraag hoe het met haar studie ging. Dat ging goed, wist zij te melden, binnenkort kreeg ze een assistentschap zodat vader Uil geen toelage meer hoefde te geven. Bovendien zou haar broer Mees binnenkort afstuderen, dus dal was dan 2 kinderen minder ten laste van vader Uil. Maar Mees wilde misschien wel promoveren, dus hij zou binnenkort langskomen, in verband met zijn militaire dienst. Grobbink begon zacht te kreunen; promotieuitstel was niet zijn lievelingsonderwerp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 359

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's