Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 356

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 356

10 minuten leestijd

AD VALVAS — 30 MAART 1979 De voorgestelde RWO­structuur is te uniform voor alle wetenschapsge­ bieden. De structuur voor de eerste en tweede geldstroom is veel te inge­ wikkeld en er moeten te veel nieuwe organen worden geschapen. Er ont­ staan doublures die gemakkelijk conflictsituaties kunnen opleveren. Er is volstrekt onvoldoende aandacht besteed aan de problemen met betrekking tot de nieuwe taak van de tweede geldstroomorganisatie. De Raad twijfelt er ernstig aan of met dit soort weinig soepele voorstellen wel voldoende voorwaarden zijn geschapen voor een slagvaardige organisatie. Aan de zo noodzakelijke stimulering van inter­ en multidisciplinair werk is veel te weinig aandacht besteed. De Raad twijfelt aan de wijsheid van het voor­ stel om tot 16 afdelingen te komen. De Werkgroep heeft onvoldoende oog gehad voor de noodzaak dat de universiteiten zich kunnen herkennen in de bestuurslichamen van de tweede geldstroom. Dat een eenvoudige structuur moeilijk denkbaar is, is gewoon geklets. En voor omvangrijke activiteiten van de Academische Raad en diens onderzoekcommissie is geen plaats. Een maar kleine greep uit de kriti­ sche kanttekeningen die de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid (RAWB) plaatst bij het vorig jaar maart gereed gekomen eindrapport van de Werkgroep RWO­overleg. In zijn rapport UniversitainOnder­ zoek. Advies inzake financiering en organisatie van het universitaire on­ derzoek verwijst de RAWB dat werkstuk naar de prullebak. Tegen vier wat algemenere positieve as­ pecten — waaronder de delegatie van het eigenlijke beleid per we­ tenschapsgebied naar het midden­ niveau — overwegen „in de optiek van de Raad evenwel de negatieve aspecten van het eindrapport". En, minder diplomatiek, wijsl de Raad het hele rapport maar af als hij schrijft het niet opportuun te achten op de details in te gaan om­ dat hij „een andere koers voor­ staat".

wat staatssecretaris dr G. Klein voorjaar .1975 in zijn Nota Plan­ ning .van het Hoger Onderwijs voorstelde. • De tweede geldstroom moet, zoals ook nu al eigenlijk het geval is, die­ nen om wetenschappelijk onder­ zoek van (hoge) kwaliteit te stimu­ leren Bovendien kan door middel van de tweede geldstroom de coör­ dinatie tussen onderzoekers wol­ den 'bcvorderd.^ Wel is hpt daaibij . volgens de Werkgroep nodig de omvang van de tweede geldstioom te yerdnevoudigen.

Ingewikkeld en bureaucratisch Orn dit allemaal te realiseren stelt de Werkgroep een uiterst ingewikkelde en zeker niet van bureaucratie ge­ /

Dat eenvoudige struktuur mo^

RAWB bepleit strategie van lcleine| van univeri zoek in de eerste. Die commissies, die samen een ruim gebied van we­ tenschap bestrijkei: vormen een RWO­afdeling (de werkgemeen­ schappen komen administratief bij de RWO te horen). De afdelingen voeren het beleid in de betreffende wetenschapsgebie­ den en voeren het beheer OYÊI" het door het RWO­bestuur toegewezen geld Volgens de Werkgroep zullen 16 van die afdelingen nodig zijn. De voorzitters ervan vormen het voorzittersoverleg dat het uit acht leden bestaande bestuur bijstaat. Daarnaast, schrijft de Werkgroep, moeten er ook nog zes adviesra­ den komen voor verschiljende grote groeperingen van wetenschappen. Deze raden brengen zowel aan het RWO­bestuur als aan de afdelings­ besturen adviezen uit ovei het op de betrokken gebieden te voeren wetenschapsbeleid Een ingewikkeld bouwwerk, wat de Werkgroep RWO­overleg voor­

structuur die zou moeten gaan functioneren naast de door de Werkgroep RWO­overleg geschet­ ste. Hoewel de Werkgroep in zijn plannen een ruime plaats voor de AR had ingeruimd was deze van mening dat voor hem (lees: CAVWO) er toch nog wel meer te halen zou zijn aan verantwoorde­ lijkheden èn machtsposities. Zoals hiervoor al is gezegd: de RAWB vindt de plannen van de Werkgroep RWO­overleg maar niets. En bij alle kritiek op het eindrapport van de Werkgroep krijgt ook de AR, maar vooral de CAVWO menige veeg uit de pan. „Mogelijk ziet de C AVWO hier voor zichzelf et veel een sturende functie." schrijft de Raad nog heel vriendelijk als de structuur aan de orde komt. In elk geval ziet hij voor zowel AR als CAVWO een veel geringer takenpakket dan de Werkgroep RWO­overleg in ge­ dachte had.

Van zo'n grootscheepse aanpak is in het eindrapport van de Werk­ groep naar de mening van de Raad sprake: „het rapport wekt de indruk geheel los geschreven te zijn van de bestaande situatie en geeft niet aan op welke wijze de ontwikkeling van het heden naai het gepresenteerde toekomstmodel zou moeten verlopen". Iets wat vol­ gens de Raad „kenmerkend is vooi het reeds bij herhaling gehekelde denken in grote structuren in plaats van in termen van geleidelijke groei en transformatie".

Eind '73: begin We schrijven december 1973 als de toenmalige minister van weten­ schapsbeleid F. H. Trip het va­ derland verblijdt met de Nota We­ tenschapsbeleid In deze nota stip­ pelt de minister enkele grote lijnen uit met betrekking tot onder andere het universitaire onderzoek. De po­ sitie daarvan wil hij bijvoorbeeld verstevigen door het tweede geld­ stroomonderzoek te vei sterken (aan de universiteiten en hogescho­ len verricht onderzoek waarvoor het geld van de minister van onder­ wijs via organisaties als ZWO bij de onderzoeker terecht komt) Trip maakt de al eerder geopperde ge­ dachte de verschillende tweede geldstroomorganisaties onder te brengen in één Raad voor het We­ tenschappelijk Onderzoek (RWO) tot een van de uitgangspunten van zijn beleid In de praklijk zou dat neerkomen op het omvorrricn van de Nederlandse organisatie voor Zuiver­Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO). Deze vormt met zijn ge­ lieerde stichtingen immers hel al­ lergrootste deel van de tweede geldstroomfinanciers. De Werkgroep RWO­overleg, in september "75 in het leven geroe­ pen, kreeg tot taak „de voorstellen die zijn gedaan in de Nota Weten­ schapsbeleid (met betrekking lol de vorming van RWO, red.) verder uil te werken en op hun uitvoerbaar­ heid te toetsen".

Strategie­keus

De Werkgroep ontwierp in de ogen van de RAWB evenwel een geheel nieuwe structuur zonder daarbij op het verleden — het werk van eer­ dere commissie — te letten of re­ kening te houden met de huidige situatie. De Raad meent dan ook dat de Werkgroep „buiten de op­ dracht is getreden". En, van dat wat hij wel had moeten doen, toetsen, „is uit het eindrapport maar weinig gebleken".

Werkgroep

RWO

Voor alle duidelijkheid is het goed even nog te kijken naar wat de Werkgroep RWO­overleg nu pre­ cies wilde met de financiering en organisatie van het universitaire on­ derzoek. Daarbij betrok de Werk­ groep ook dat onderzoek dat via de eerste geldstroom wordt gefinan­ cierd (waarbij de universiteiten rechtstreeks voor onderzoek beno­ digd geld van de minister ter ver­ dere verdeling krijgen toegewezen). De Werkgroep koos als uitgangs­ punten dat het onderzoek in de eerste geldstroom beter herkenbaar en beoordeelbaar moet worden; er een betere coördinatie moet komen tussen het eerste en tweede geld­ stroomonderzoek; de onderzoekers moeten hiervoor in hoge mate zelf verantwoordelijk zijn en dat aan­ sluiting moet worden gevonden bij bestaande organisatiestructuren. De Werkgroep verdeelt de eerste geldstroom in drie deelstromen: la, Ib en Ic, daarmee aansluitend op

spannen voet te staan met de con­ crete vormgeving van de RWO die in het eindrapport wordt voorge­ steld." De R^ad schrijft verder dat over dit bezwaar wellicht zou heen te stappen „indien men de overtuiging zou hebben dat de voorgestelde structuur tot werkelijke verbeterin­ gen zou kunnen leiden". Het is duidelijk dat de RAWB die overtuiging niet heeft. Het grootste deel van zijn advies besteedt hij dan ook aan het schetsen van een alternatief. D e Raad kiest daarbij voor een geheel andere koers. Want schrijft hij, „van de noodzaak van veranderingen zijn alle betrokkenen overtuigd, — van werkelijke vei­ anderingen kan nauwelijks worden gesproken. De Raad beschouwt dit op zichzelf al als een ­krachtig sig­ naal dat de in veel rapporten voor­ gestane aanpak van grootscheepse hervormingen in de praktijk niet hanteerbaar is".

speende organisatiesiructuur voor. De basis daarvoor wordt gevormd door landelijke werkgemeenschap­ pen, bestaande uit onderzoekers op een bepaald gebied van wetenschap. Het door de werkgemeenschap be­ streken onderzoek hoeft niet nood­ zakelijkerwijs op één vakgebied te zijn gericht. De werkgemeenschap­ pen krijgen dan in die visie taken zowel binnen de eerste als binnen de tweede geldstroom. Elke werkgemeenschap krijgt een werkgemeenschapscommmissie, sa­ mengesteld uit gekwalificeerde lei­ ders van onderzoekgroepen. De commissies adviseren ten aanzien van de verdeling van het geld in de tweede geldstroom en het onder­

stelde. En dan was de Werkgroep nog niet eens toegekomen aan een belangrijk onderdeel van zijn op­ gedragen taak. De kritiek van zo­ wel de instellingen als de Acade­ mische Raad (AR) was niet mals: te ingewikkeld, te star, sterk bu­ reaucratiserend, nauwelijks aanslui­ tend op wat we nu hebben waren zo de hoofdpunten van die kritiek. Ook de Commissie Algemene Vraagstukken Wetenschappelijk Onderzoek van de AR (CAVWO) deelde die kritiek. In het pre­advies dat deze Commissie uitbracht als voorbereiding op het definitieve commentaar van de AR vei taalde deze die kritiek echter in de bouw van bijna nog zo"n organisatie­

Hoofdbezwaar

RAWB

Het hoofdbezwaar tegen het eind­ rapport formuleert de RAWB als volgt: „Het geeft in geen enkel opzicht aan welke de tekortkomingen van de bestaande situatie zijn en waar­ om juist de door de Werkgroep voorgestelde veranderingen zullen leiden tot de gewenste verbeterin­ gen. Het rapport bevat met andere ' woorden geen sterkte/zwakte­ana­ lyse van het huidige bestel waarop de voorstellen zouden kunnen wor­ den gefundeerd. Integendeel, voor zover er nieuwe elementen in de taak van de tweede geldstroom zijn te ontdekken, lijken deze op ge­

RAWB

Het wekt na het vorenstaande geen verwondering dat de RAWB kiest voor een strategie die allereerst be­ oogt het formuleren van een doel­ stelling op middellange termijn die richtinggevend is voor de te nemen beleidsmaatregelen. Die doelstelling moet gerealiseerd worden, aldus de RAWB, door concrete maatregelen die op korte termijn genomen kun­ nen worden en die uitgaan van de bestaande situatie. Het merendeel van de door de Raad voorgestelde maatregelen kunnen naar zijn me­ ning onder de huidige wetgeving worden doorgevoerd waardoor tijd­ rovende nieuwe wetgeving voorals­ nog overbodig is. In Universitair onderzoek inventa­ riseert de RAWB de huidige knel­ punten in de werking van eerste en tweede geldstroom op het teriem van organisatie en financiering van het universitaire onderzoek. De Raad doet dat aan de hand van de „quintessens van rapporten die eer­ dere commissies hebben afgeleverd en van de vele overige geschriften die over dit onderwerp zijn ver­ schenen". Ten aanzien van de eerste geld­ stroom noemt hij het een knelpunt dat in veel sectoren van het we­ tenschappelijk onderwijs „een on­ duidelijke en labiele verhouding tussen onderwijs en onderzoek be­ staat". Door de sterke toeneming van het onderwijs fungeert het on­ derzoek steeds meer als sluitpost Het grootste deel van het weten­ schappelijk personeel (wetenschap­ pelijk medewerkers) moet de aan­ dacht gelijkelijk over onderwijs en onderzoek verdelen ongeacht of voor beide de noodzakelijke kwa­ liteiten aanwezig zijn Dit „leidt tot een zekere automatisme en bijge­ volg tot een ondoelmatig gebruik van mankracht en tot versnippe­ ring". Fagadevorming en middel­ matig onderzoek dat in stand wordt gehouden zijn daarvan bovendien het gevolg, aldus de RAWB.

Kwaliteitscontrole Andere knelpunten in de eeiste geldstroom noemt de Raad het ont­ breken van een deugdelijke AHA­ liteitscontrole doordat — ondanks hetgeen de WUB voorschrijft — "' veel vakgroepen en (sub)faculteiten nauwelijks toetsing en kwaliteits­ controle van het onderzoek plaats­ vindt. Verder is in het afgelopen jaai

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 356

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's