Ad Valvas 1978-1979 - pagina 369
AD VALVAS — 6 APRIL 1979
Nog veel voorlopigs
in bestuurlijk
overleg over de
meerjarenafspraken
'Het begrip 'onderzoek' is nogal inflatoir' Waarover spreekt men op zondagochtend met een theoloog? Het ant woord is eenvoudig gegeven. Als de theoloog Sijbolt Noorda heet, en als men van plan is een artikel te wijden aan het onderwerp „interne meer jarenafspraken", dan lijdt het geen twijfel of er zal gemijmerd worden over generatiecoëfficiënten, over reallocatiemechanismen, onderwijslastbereke ningssystemen en dergelijke meer. Weinig stichtelijk, vindt u? Daar zult u wel gelijk in hebben. De kwestie is alleen, dat al deze toestanden tamelijk fundamenteel te maken hebben met de verdeling van de middelen aan de VU. En aangezien de handboeken beweren dat er voor stichtelijke doelen middelen nodig zijn — voor onstichtelijke trouwens eveneens — is er toch wel reden om in de materie te duiken. Nu dan, de stand van zaken. Die lijkt er florissant uit te zien. Bekij ken wij de cijfers die het college van bestuur als streefgetallen op geeft voor wat betreft de aantallen manjaren onderzoek in de verschil lende sectoren: 89,1 manjaren on derzoek in 1979 te verrichten in de alfa„cluster", tegenover 79 man jaren die opgenomen zijn in de ex terne meerjarenafspraak (EMA) met de minister; 102,9 manjaren in de bètacluster, tegenover 88 in de EMA; 127,7 manjaren in de gam macluster, tegenover 133 in de EMA; 94,7 manjaren in de cluster geneeskunde en tandheelkunde, te genover 60 in de EMA; en tenslot te nog 18,8 manjaren onderzoek door de interfacultaire instituten, waarover met de minister helemaal niets was afgesproken. Met nog zes nader te verdelen BROplaatsen komen we zo aan 439,2 manjaren onderzoek in 1979, terwijl in de EMA een getal van 360 was opgenomen. En dan nog hebben de faculteiten in het eerste bestuurlijk overleg laten blijken, dat zij over het algemeen de door het college van bestuur genoemde streefgetallen aan de lage kant vin den. Florissant dus? Toch niet helemaal zonder meer. In de eerste plaats zijn de cijfers voor 1979: te ver wachten valt dat de hoeveelheid onderzoek in de komende jaren, bij gelijkblijvende middelen en toene mende studentenaantallen, zal af nemen. Maar wat daar nog bijkomt IS, dat niet iedereen hetzelfde ver staat onder „onderzoek". „Het begrip „onderzoek" is nogal inflatoir", zo karakteriseert Sijbolt Noorda de situatie in economische termen. Het college van bestuur lijkt vrij veel te stoppen in zijn de finitie van onderzoek: niet alleen „echtproductief" onderzoek, maar ook het bijwonen van allerlei we tenschappelijke bijeenkomsten, pro motiebegeleiding (ook aan promo vendi van buiten de eigen facul teit), het bijhouden van de litera tuur, en bovendien alle administra tieve klussen die aan onderzoek vastzitten. Voor onderzoek in déze zin hanteert het CvB dan een mi nimumpercentage tijdsbesteding wetenschappelijk personeel van 25%. Daartegen is in het bestuurlijk overleg door veel faculteiten be zwaar aangetekend. Een herziening van de omschrijving van het begrip „onderzoek" zou het beeld van de onderzoekssituatie aan de VU kun nen corrigeren. Dat zou wel in overeenstemming zijn met de erva ringen die veel faculteiten hebben, maar het zou tot moeilijkheden kunnen leiden in verband met de beloftes die de VU in het kader van de externe meerjarenafspraken heeft gedaan.
Terughoudend In de verschuivingen rond het be grip „onderzoek" valt één van de redenen te zoeken, waarom het op nemen van de groeiende studenten aantallen aan de VU zonder veel pijn mogelijk lijkt te zijn (althans, als we afgaan op het beeld zoals dat op dit moment uit de stukken naar voren komt). Sijbolt Noorda noemt er nog enkele. „In de eerste plaats is het zo, dat de toename van de studentenaantallen op de VU betrekkelijk klein is. In Nijme gen bijvoorbeeld is die toename een stuk groter, en daar liggen er dan ook heel wat meer problemen. Een ander punt dat een rol speelt is, dat in het overleg steeds wordt uitgegaan van de fictie van een werktijd van 1800 uur per jaar. In de praktijk maakt een stajüd vaak meer uren."
Hans
Schumacher
Naast de vrij algemene afwijzing van de 25%norm voor onderzoek indezinvanhetCvB, is het Sij bolt Noorda opgevallen dat veel faculteiten terughoudend zijn in het overleggen van formatieplannen. Men wil zich liever niet in detail vastleggen op de besteding van de toegewezen middelen: hoeveel tas, hoeveel staf, hoeveel tijdelijk, hoe veel vast, enzovoorts.
worden uitgerekend. Het is dan ook de bedoeling om in de toekomst niet meer het aantal ingeschreven studenten te nemen als basis voor de toewijzing (als het getal dus, waarmee de ratio vermenigvuldigd wordt), maar het aantal onderwijs vragende studenten. Dat geeft al een wat reëler beeld."
Sybolt Noorda, URlid DAK voorzitter planningscie
en
allemaal om — plaatsvindt op basis van een model van vaste voeten en ratio's. ledere (sub/inter)facul teit krijgt een bepaalde basisforma tie toegewezen (dat is de „vaste voet") plus daarboven één perso neelslid voor ieder xaantal (dat is de „ratio") ingeschreven studenten. In het feitelijk gehanteerde systeem zijn weliswaar allerlei modificaties
Noorda (DAK): 'Je hoeft niet alle beleid uit handen te geven' Het college van bestuur wil deze gegevens hebben om een meer pre ciese schatting te kunnen maken van de ontwikkeling van de perso nele kosten. Sijbolt Noorda vindt het wel terecht dat de faculteiten zich wat terughoudend opstellen: „ie hoeft niet al je beleid uit han den te geven". Ondanks het uitvoerig overleg in het kader van de interne meerja renafspraken is het nog steeds zo, dat de toewijzing van de middelen — en daar draait het uiteindelijk
Mentoren gevraagd Üe Kommissie Sociale Introduktie zoekt mentoren voor het begeleiden van eerste jaars in de introduktie week van 2024 augustus. In aanmerking komen in eerste in stantie aankomende 2e en 3e jaars, die op de hoogte zijn van de be langrijkste universitaire en fakul taire zaken, zoals: herprogramme ring, beurzen, vakbond, studiepro gramma, studentenverenigingen, ontspanningsmogelijkheden etc. en voor een leuke en vooral gezellige kennismaking met de VU willen zorgen.
hierop verwerkt, maar het uitgangs punt wordt toch gevormd door die vaste voeten en ratio's. Het punt waar het om draait is dan natuur lijk de grootte van die vaste voet en de waarde van die ratio — welnu, die zijn in essentie historisch be paald: op een gegeven moment heeft men gewoon de status quo van dat ogenblik in de cijfers ver werkt, en die zijn verder als norm gesteld. Dat met een dergelijk systeem geen recht wordt gedaan aan de ontwik kelingen zoals die in de diverse fa culteiten plaatsvinden lijkt wel een evidente zaak. Een andere vraag is echter, hoe één en ander dan ver beterd zou kunnen worden — en of dit wel überhaupt mogelijk is zonder de Chaos te introduceren. Sijbolt Noorda vindt, dat er op een aantal punten serieuze vooruitgang te bespeuren valt. „In de procedure voor de interne meerjarenafspraken is veel aandacht besteed aan de be paling van numerieke rendementen en generatiecoëfficienten. Daarmee kan, uitgaande van de eerstejaars aantallen, het aantal onderwijsvra genden in iedere fase van de studie
Ook wijst hij op de aanpassingen van vaste voeten die reeds hebben plaatsgevonden, onder meer op grond van de vaste hoeveelheid dienstverlening die sommige facul teiten verstrekken aan instanties buiten de VU.
Elasticiteit Toch vindt de voorzitter van de URplanningscommissie dat de elasticiteit van het toewijzingssys teem in de loop van de komende jaren groter moet worden. „Het systeem moet aan de werkelijkheid worden aangepast — niet anders om." Misschien, vindt hij, is het nodig om te komen tot een gedif ferentieerde beschrijving van on derzoek, gezien het feit dat er gro te verschillen tussen de faculteiten bestaan op het punt van de organi satie van het onderzoek. Een ander punt dat hij wel eens in overweging genomen zou willen zien, is in hoeverre het onderwijs programma als een „hard" gegeven kan worden opgevat. „Min of meer gelijksoortige richtingen als b.v. ge schiedenis en filosofie vertonen een zo uiteenlopende studieopzet, dat de „aard van het vak" daar geen verklaring voor kan bieden. In het verleden zijn de studieprogramma's gewoon aangepast aan de studen tenaantallen — meer studenten, dan goedkopere programma's. De gevolgen daarvan zijn nu duidelijk weerneenibaar." De grote doelstellingen van de ex terne meerjarenafspraken zijn: het voorkómen van studentenstops, en het handhaven van het onderzoeks peil. Gezien het grote aantal aan vragen voor stops is Sijbolt niet op timistisch over het eerste punt. Wat betreft het onderzoekspeil lijkt er een zekere inflatie in termen bezig te zijn, die de situatie wel wat rose bijkleurt. In elk geval is duidelijk dat de betekenis van de externe meerjarenafspraken niet alleen af hangt van een simpele daad als de ondertekening ervan.
VU SO over Pais' voorstellen struktuur WO:
tweefasen
'Voorontwerp mag nooit wet worden' Hein Klemann schrijft ons namens de VUSO het volgende:
Voorafgaande aan de Introduktie week wordt een (verplichte) mento rentraining gegeven, op 16 en 17 augustus, waarin je wordt voorbe reid op het mentor zijn. Als je zin hebt geef je dan zo snel mogelijk op bij: de kontaktpersoon van jouw fakulteit (waar je die kunt bereiken staat op ons affiche dat op je fakulteit hangt). Inlichtingen: VCVU, Kombinatie gebouw Uilenstede 108, telefoon 548 4524. Kommissie Sociale Introduktie
in de regel voldoen stellingen niet aan de definitie zoals die geformuleerd Is In „van dale groot woordenboek der ne derlandse taal"; ook deze niet. ( g v d wal, V u adam)
„Na tien jaar herprogrammering zijn we nog niets verder. Het vooront werp van wet dat nu op tafel ligt, lijkt ook geen oplossing te bieden en de VUSO ziet hierin dan ook geen aanleiding zijn standpunt t.a.v. de plannen van Pais te wijzigen, wel om dit nog wat aan te scherpen. Wij blijven van mening dat de vgfjarige programma's moeten worden uitgevoerd. Een kleine verbetering lijkt de verlenging van de inschrijvingsduur t.o.v. de nota Hoger Onderwijs voor Velen, van vijf naar zes jaar. Dit is echter slechts schijn, de uitzonderingsbepaling voor bijzondere omstandigheden is namelijk geschrapt en vervangen door een artikel over overmacht, iets wat betekent dat allerlei nevenfunkties voor studenten problematisch gaan worden. Hierdoor zullen allerlei verenigin gen in moeilijkheden komen, en ook het demokratisch funktioneren van de universiteit, allerlei raads funkties kosten nogal wat tijd, wordt er door bedreigd. Ook wordt het wetenschappelijk ni veau van de opleidingen nog ver der bedreigd. De opleidingen in de tweede fase worden namelijk ver deeld over de diverse instellingen. Het is dus helemaal niet zeker dat elke studierichting aan elke univer siteit een opleiding tot onderzoe ker krijgt. Een bepaalde fakulteit zonder zo'n opleiding zal vanzelf sprekend, een zeker wetenschappe lijk niveau verliezen.
Eveneens is bij zo'n verregaande taakverdeling tussen de instellingen ten aanzien van de tweede fase ge kombineerd met een selektieve toe lating door de fakulteit waar de tweede fase opleiding gevestigd is het gevaar niet denkbeeldig dat in stromers vanuit andere instellingen niet aan de bak komen. Behalve dat het wetenschappelijk niveau van het onderwijs bedreigd wordt, wordt ook de kwaliteit van het onderzoek bedreigd. De bedoe ling is namelijk dat een groot deel van het onderzoek gedaan gaat worden door assistentonderzoe kers, promotiemedewerkers die voor maximaal drie jaar in dienst
Eerste ronde van 'bestuurlijk overleg' voorbij De eerste ronde „bestuurlijk overleg" is voorbij. De gewone werker of studeerder aan de VU zal er misschien weinig van gemerkt hebben, het laag je bestuurders aan onze uni versiteit echter des te meer. Er moesten gecompliceerde on derwijslastberekeningen wor den uitgevoerd, compleet met doorstrooraschema's en herin schrijvingscoëfficiënten; ook de bestuurslasten moesten worden berekend, en extrapo laties gemaakt. Dit alles in het kader van de operatie „in terne meerjarenafspraken". Het doel van deze operatie is te komen tot een stelsel van afspraken, waarbij het univer siteitsbestuur aan de (sub/in ter)faculteiten voor een reeks van vier jaren een bepaalde hoeveelheid middelen toezegt, en de faculteiten van hun kant beloftes doen omtrent de aan tallen studenten die ze die vier jaren zullen opnemen en de hoeveelheid onderzoek die ze zullen doen. In het kader van de externe meerjarenafspraken heeft de universiteitsraad al dergelijke beloftes gedaan aan de minis ter, en die toezeggingen moe ten nu worden „doorvertaald" (sommigen zeggen, met een wat ander accent, „terugge koppeld") naar de situatie op de faculteiten. Over deze kwestie heeft nu dus een eerste gespreksronde plaatsgevonden tussen ener zijds het college van bestuur, en anderzijds de budgethou ders, d.w.z. de besturen van (sub/inter)faculteiten en een aantal instituten. Tussen half april en half mei zal nog een tweede bestuurlijk overleg plaatsvinden, en definitieve besluiten zullen pas daarna ge nomen worden. We maakten een tussentijdse balans op met drs. Sijbolt Noorda. Deze DAKker is voorzitter van de planningscommissie van de universiteitsraad, en als zoda nig volgt hij het hele meer jarengebeuren zowel nauwlet tend als van een zekere af stand.
zijn. Ten eerste zijn promotiemede werkers op het ogenblik altijd voor vier jaar in dienst.
Nauwelijks onderzoek
tijd voor
Ten tweede wil Pais om een ver groting van het aandeel assistent onderzoekers te kunnen financie ren het aantal onderzoekers in vas te dienst verminderen. Het perso neel in vaste dienst zal een aan zienlijke verzwaring van de onder wijstaak krijgen, zodat voor hen nog nauwelijks tijd over blijft voor onderzoek. De ervaren onderzoeker krijgt zo nauwelijks meer een kans. Absoluut onjuist lijkt ons het op niets gefundeerde idee dat na in voering van de nieuwe struktuur een lager percentage van de stu denten zal uitvallen, gedurende de studie. Dit zou moeten gebeuren door betere begeleiding, iets waar absoluut geen geld voor is. Meer kommentaar over het voorontwerp zal binnenkort verschijnen in een nota van het Interuniversitair Stu denten Overleg (ISO) een organisa tie waar ook de VUSO in partici peert."
het aantal wachtenden zoals opgegeven door antwoordapparaten van de ptt in lichtingendienst (008) behoort met één verminderd te worden; tevens dient de mededeliing „er Is nog één wachtende voor u" vervangen te worden door „u bent nu aan de beurt", (h.r. van der wal, groningen).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's