Ad Valvas 1978-1979 - pagina 47
AD VALVAS — 15 SEPTEMBER 1978
Sekretaris commissie
evaluatie
WUB over wat moet veranderen
bij het besturen
van
universiteit
'Demokratie te serieuze zaalc om er ^een spelletje van te maken' Als alles meezit zal de Commissie voor de Bestuurshervoimmg nog dit n a j a a r a a n de Koningin rapport uitbrengen, waarin zij h a a r oordeel over de Universitaire Bestuurshervorming (WUB) zal uitbrengen. Deze wet was h e t door de wetgever gegeven antwoord op de met name door de s t u d e n t e n oppositie a a n h e t eind van de zestiger j a r e n gestelde eis van demokratisering van h e t u n i versitair bestuur. Deze wet was het door de wetgever gegeven antwoord op de met name door de studentenoppositie aan het eind van de zestiger jaren gestelde eis van demokratisering van het universitair bestuur. Deze wet was bedoeld als experiment, omdat niet vastgesteld kon worden aan welke eisen de universitaire bestuursorganisatie moest voldoen, terwijl, gezien de aan de universiteiten l o ^ ^ l a gen demokratiseringsdrift, o.a. kulmlnerend in de bezetting van de Tilbui^se Hogeschool en het administratieve centrum van de Universiteit van Amsterdam, het Maagdenhuis, niet langer met de hervorming van het bestuur kon worden gewacht. Gezien de uiteenlopende meningen was de regermg van oordeel dat niet kon worden verwacht dat de universiteiten zelf hun bestuursvorm fonden aanpassen. Slechts op en~;ele plaatsen is dat gelukt. denk daarbij aan de Tussenlij dse Bestuursvormi (TBV) van 'Groningen en de subfaculteit Psychologie van Groningen. Vandaar dat de WUB bepaalt dat er een Commissie moet komen, die het funktioneren van de wet aan een gronde onderzoek moet onderwerpen, opdat in 1976 gestart zou kunnen worden met een definitief bestuurssysteem. Al spoedig bleek dat de aan de Commissie gegeven tijd te kort was. De werkingsduur van de wet is dan ook verlengd tot 982
door mr. Ben
Olivier
lang niet is voltooid. Voorts heeft de Commissie door het Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek (IVA) te Tilburg, een tweetal onderzoekingen laten verrichten. Het struktuuronderzoek, waarin de nadruk ligt op het beschrijven van het feitelijke verloop van het bestuursproces onder de WUB is inmiddels verschenen, binnenkort Is het kommentaar van de door de Commissie ingestelde begeleidingscommissie op dat onderzoek te verwachten. Eind september zal het IVA verslag uit-
universitaire leden. Al deze onderzoekingen zullen openbaar worden gemaakt waarna de Commissie' haar oordeel zal uitspreken. Ter vermijding van misverstanden wijs ik erop dat deze onderzoekir^en niet alleen de grondslag zullen vormen van het door de Commissie uit te spreken oordeel. Daarnaast zal een rol spelen o.m. de eigen wetenschap van de Commissie, de door derden onder de aandacht van de Commissie geplaatste problemen enz.
Doelorganisatie Als ik hieronder inga op de problematiek van de WUB, is dat uitsluitend mtjn persoonigke mening.
)nderzoek )e Commissie heeft h\] haar taak ebruik willen maken van sociaalretenschappelijk onderzoek. In de erste plaats heeft de Commissie egetaiatig een inventarisatieonlerzoek verricht. Daarbij werd naegaan de mate van invoering van Ie WUB. Deze rapporten zijn met lame aanleiding geweest de wermgsduur van de WUB te verengen, omdat bleek dat de invoemg nc^ moeizaam verliep en een erantwoorde evaluatie eigenlijk eed mogelijk is als de WUB is ngevoerd. )eze week is het vierde inventaisatierapport verschenen, waarin Ie stand van zaken per 1 februari 978 wordt weergegeven. Daaruit hjkt dat weliswaar grote vordeingen met de invoering zijn genaakt, maar dat met name op akgroepsniveau de invoering nog
Wat haalde experiment
Mr. Ben Olivier, secretaris van de commissie-Polak. brengen van het meningenonderzoek. In dit onderzoek wordt nagegaan welke opvattingen in de universitaire gemeenschap leven over zaken, die samenhangen met de huidige en de gewenste bestuursvorm. Voorts zal eind september nog verschijnen een door de Commissie verricht verkiezingsonderzoek, waarin onderzocht werden een aantal kenmerken rondom kiesrecht, opkomst, kandidaatstelhng en reglementering, alsmede een onderzoek naar het funktioneren van de zgn. buiten-
uit?
Begin '79 WU B-symposium Wat heeft de Wet Universitaire Bestuurshervorming, in de wandeling WUB, uitgehaald en hoe werkt ze. Dat zal blyken op de studiebijeenkomst die 25 en 26 januari in het Evert Kupersoord in Amersfoort wordt gehouden. De commissie evaluatie WUB van de Academische Raad organiseert het symposium. Van elke universiteit en hogeschool zullen 6 en 7 personen die bestuurlijke ervaring ^hebben, aan de studiebijeenkomst deelnemen. Die gelegenheid krijgen ook de leden van de commissie bestuurshervorming (commissie-Polak), mensen van het Instituur voor Arbeidsvraagstukken, leden van de kamercommissie voor onderwijs en wetenschappen, en ambtenaren van het ministerie. Getracht wordt de voornaamste discussiepunten te inventariseren die bij het beoordelen van de WUB en de toepassing ervan, aan de orde zullen moeten komen. Daarbij wordt in elk geval het eindrapport betrokken, dat de commissie voor de bestuurshervorming maakt.
die voorts nog lang niet uitgekristalliseerd is. \ Bij de diskussie over de bestuursvorm van de universiteit moeten we in de eerste plaats bedenken dat de universiteit een doelorganisatie is, met als taak het geven van onderwijs, de beoefening van de wetenschap, waarbij ook aandacht geschonken moet worden aan de bevordering van het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Bi) de bestuursorganisatie 'moet ervoor worden zorg gedragen dat die taken goed kunnen worden vervuld en dat het niveau van onderwijs en wetenschapsbeoefening tenminste wordt gehandhaafd. Terecht is dan ook het hooghouden van het niveau van onderwijs en onderzoek als een der waarden van de WUB genoemd. Wij moeten verder voor ogen houden dat de universiteit een instelling is ten dienste van de samenleving, die ook door de samenleving in stand wordt gehouden en gefinancierd. Uiteindelijk zal die sarnenlevmg, bij ons belichaamd in regering en parlement het laatste woord moeten hebben. Een volstrekt autonome universiteit is niet denkbaar. Dit betekent echter niet dat zoals weleens in 1969 door een toenmalige rector magnificus is gezegd dat de universiteit niet een demokratische bestuursvorm zou kunnen hebben, maar wel dat voorzover zeggenschap toekomt aan de universitaire .gemeenschap,, deze-.beperkt
wordt door de uiteindelijke zeggenschap van de maatschappij. Kan nu aan ieder lid van de universitaire gemeenschap evenveel zeggenschap toekomen? In de WUB is dit ontkend; de universitaire gemeenschap wordt opgedeeld in drie geledingen, studenten, niet-wetenschappelijk personeel en het wetenschappelijk personeel, omdat tussen deze geledingen funktionele verschillen bestaan, die in de bestuursorganisatie tot uitdrukking moeten komen. Mijns inziens is dit ook juist. Een universiteitsbestuur louter bestaande uit leden van het wetenschappelijk personeel, zou mijns inziens niet als representant van de universitaire gemeenschap kunnen worden gezien. Wij moeten erkennen dat iedere geleding eigen belangen heeft, die ook in het bestuur naar voren gebracht moeten kunnen worden. Of de daarby door de WUB gegeven uitwerking de juiste is, is echter vers twee. Kan nu aan iedere geleding evenveel zeggenschap worden gegeven? De WUB heeft daarop een genuanceerd antwoord gegeven. In de universiteitsraad is dat wel het geval, in de faculteitsraad behoort' echter het wetenschappelijk personeel tenminste de helft van de zetels in te nemen, m de vakgroep moet dat zelfs de meerderheid zijn van het in vaste dienst benoemde personeel. Deze differentiatie wordt verdedigd met het argument dat het in deze oi^anen niet over dezelfde problematiek gaat. Daar waar met name het onderzoek in het geding is, behoort het wetenschappelijk personeel een doorslaggevende stem te hebben. Inderdaad is het hooghouden van het niveau van onderwijs en onderzoek een belangrijke waarde. Mijns imziens zal daarvoor met name zorg gedragen moeten worden door degenen, die met de uitvoering van de universitaire taken zijn belast, te weten de hoogleraren, de lectoren en het wetenschappelijk personeel in vaste dienst. De wetenschappelijke medewerkers in tijdelijke dienst, aangesteld op proef met het uitzicht op vaste aanstelling, moeten juist nog bewijzen dat zij gekwalificeerd zijn om in het wetenschappelijk corps blijvend te worden opgenomen. Het hoc^houden van het niveau van onderwijs en onderzoek zal dan ook in de eerste plaats gewaarborgd moeten zijn door een goed benoemings- en personeelsbeleid. Daaraan heeft het mijns inziens nog wel eens ontbroken. Toen de studentenaantallen in de zestiger jaren geweldig toenamen, is ook het personeelsbestand enorm uitgebreid. Pas toen de middelen opraakten begonnen we over numeri fixi te praten. De vraag of we ondanks de aanwezige financiële middelen de kwaliteit hadden de studenten op te leiden, werd nauwelijks opgeworpen. Uit het struktuuronderzoek blijkt, dat de toezichtrelaties tussen hoogleraren en het wetenschappelijk personeel in tijdelijke dienst veelal niet funktioneert. Veelal worden de werkzaamlieden niet geëvalueerd, hoewel de WUB daartoe wel de mc^elijkheid biedt. V/aarborgen kunnen verder worden gevonden in de eisen die de wet en het Academisch Statuut stelt aan de onderwijsprogramma's, terwijl natuurlijk ook de samenstelling en het funktioneren van de examencommissies van groot belang zijn. Maar daarmee kan mijns inziens niet worden volstaan. Mijns inziens zal die waarborg ook moeten worden gevonden in de samenstelling van de bestuursorganen, en ook al is het waar dat niet in alle bestuursorganen alle onderwerpen in gelijke mate aan de orde komen, gezien de onderlinge samenhang, die juist reden is geweest , pm ^e eeuwenoude scheiding tus-
De auteur van het hierbij afgedrukte artikel, mr. Ben Olivier, is ambtelijk sekretaris van de Commissie voor de Bestuurshervorming, kortweg wel aangeduid als de commissie-Polak naar de naam van haar voorzitter prof. J. Polak. De commissie werd destijds ingesteld om de Wet Universitaire Bestuurshervorming te evalueren. Mr. Olivier — afgestudeerd in Groningen en werkzaam als wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam — is zeer goed op de hoogte van de achtergronden en het funktioneren van de WUB en zijn ideeën vormen, naar men mag verwachten, een flink gewicht in de schaal bij het slotadvies dat de commissie in een van de komende maanden bal uitbrengen. Het ziet ernaar uit dat geadviseerd zal worden de invloed van studenten en wetenschappelijke medewerkers in tijdelyke dienst op het universiteitsbestuur te beperken, de universiteitsraad tot een primair adviserend en kontrolerend orgaan te degraderen, etcetera. Kortom, de demokratische mogelijkheden die het wettelijke experiment biedt zullen moeten worden teruggebracht ten gunste van een doelmatiger, slagvaardiger besturen op de universiteit. In bügaand artikel geeft mr. Olivier zijn persoonlijke mening. Hij schreef dit op verzoek van de UniversiteitsIcrant Groningen, waarvan we dit overnemen. sen enerzijds organen voor onderwijs en onderzoek en anderzijds organen voor het financieel-economisch bestuur en beheer op te heffen, zal mijns inziens in alle bestuursorganen een dusdanige samenstellir^ moeten worden gegeven, dat het wetenschappelijk personeel in vaste dienst niet kan worden 'overruled'. Daarbij wil ik wel wijzen op een mijns inziens belangrijk onderscheid tussen het feitelijke en formele besluitvormingsproces. Mijns inziens zal uitgangspunt moeten zijn dat op het punt van het onderwijs bijvoorbeeld studenten en docenten het eens moeten zien te worden, niet moet iets gedaan worden waar studenten apert tegen zijn en omgekeerd. De samenstelling van de bestuursorganen zie ik als een formele waarborg voor een verantwoord besluitvormingsproces.
Samenstelling Dat alle organen in beginsel dezelfde samenstelling behoren te hebben zou ik ook willen verdedigen met het feit dat ik de autonomie van vakgroepen en faculteiten op de helling zou willen zetten. Ook al acht ik juist dat in beginsel aan de lagere niveau's zoveel medelijk vrijheid van handelen wordt gelaten, toch meen ik /dat terwille van het -groter^ gpheel die zelfstandigheid niet een principe moet zijn op basis waarvan de universiteit wordt bestuurd. Uit het struktuurrapport komt sterk naar voren het beroep van vakgroepen c.q. faculteiten op hun autonomie, wat veelal leidt tot het uitblijven van beslissingen, dan wel tot een zeer lang besluitvormingsproces. Als we die autonomie werkelijk willen, rijst de vraag waarom nog een universiteitsraad te laten bestaan. Behalve het onderscheid tussen de geledingen is mijns inziens voorts van belang het onderscheid tussen 'blijvers' en 'wijkers'. Kernpunt van een demokratische organisatie en zeker van een, waarbij uitgangspunt is, dat de betrokkenen zelf deel hebben aan het bestuur, is dat zij die gekonfronteerd worden met de konsekwenties van de te nemen beslissingen in het bestuur participeren. Niet vanzelfsprekend is dat zij, die met met die konsekwenties worden gekonfronteerd, in het bestuur participeren. Ik meen dan ook dat in die zin de zeggenschap van de
Vervolg op pdii- 7
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's