Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 264

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 264

10 minuten leestijd

AD VALVAS — 9 FEBRUARI 1979

Ontmoetingsbijeenkomst CCS­VU over 'Indoctrinatie in de wetenscliap'

Stijntje Meilink schrijft ons namens de C C S­VU­stuurgroep „Maandag 19 februari organiseert de Contactgroep Christelijke Stu­ diegemeenschap­VU een ontmoe­ tingsbijeenkomst rondom het the­ ma „Indoctrinatie in de weten­ schap". Een actueel onderwerp, immers wetenschap en samenleving zijn in onze tijd zozeer onderling verweven, dat geen wetenschapper zich kan onttrekken aan een kri­ tische bezinning op het doel van onderzoek in zijn tak van weten­ schap, en op de invloeden die van de samenleving daarop uitgaan. De meesten staat het ideaal voor ogen van een machtige en vriende­ lijke wetenschap, d.i. een weten­ schap die voor iedereen dwingend geldig is, die werkt in de praktijk, en die niet een politiek machtsmid­ del is in handen van onderdruk­ kers, maar een bijdrage kan leve­ ren aan het welzijn van de mens. Deze wetenschap mist haar goede uitwerking op de samenleving, als voor het doorvoeren van haar idee­ en de individuele politieke wil

het

volgende:

ontbreken. De vele meningsver­ schillen tussen de wetenschappers onderling laten bovendien duidelijk zien dat ook op theoretisch niveau onomstreden kennis een nauwelijks haalbaar ideaal is. Over en weer beschuldigt men el­ kaar van onbekritiseerde vooron­ derstellingen die langs sluipwegen in de wetenschap zijn terechtgeko­ men, en in de meeste gevallen het binnendringen van belangen van een bepaalde groep uit de samenle­ ving betekenen. Het ergste waar­ van men een wetenschapper kan beschuldigen is wel dat hij geïn­ doctrineerd wordt. Een van de grote vragen die we ons in dit verband kunnen stellen is: waarvan moet de student(e), als toekomstig wetenschapper, op zijn (haar) hoede zijn, en hoe kan, in het bijzonder aan de VU, de do­ cent hem (haar) leren zich op ver­ antwoorde wijze in dienst van de wetenschap te stellen? Tijdens de bijeenkomst, die onder

leiding staat van prof. dr. ir. H. van Riessen, hopen twee sprekers, een docent en een student, in kort bestek op deze materie in te gaan. Het zijn prof. dr. B. Goudzwaard van de economische faculteit en Peter Flikweert, 5e jaars student, filosofie. Uiteraard is er een pauze met koffie; er is dan o.m. gelegen­ heid om schriftelijk vragen bij de sprekers in te dienen. N a de pauze zal er een plenaire discussie gehou­ den worden n.a.v. deze of direct gestelde vragen. Een ieder die zich door het CCS­ VU initiatief aangesproken weet en iedereen die alleen maar nieuwsgie­ rig is naar hetgeen te berde ge­ bracht zal worden, is van harte welkom op deze ontmoetingsavond die om 19.30 uur begint in de UR­ zaal. Voor nadere inlichtingen omtrent de CCS­VU kan men terecht bij prof. ir. J. H. van Bemmel, Fac. der Geneeskunde k. F 107 (telefoon 548 3306)."

Milieuvervuiling door bedrijven Vrij algemeen is bekend dat het belangrijkste deel van de milieuvervulling, waarmee wij te kampen hebben, door de industrie wordt veroorzaakt. Met name de chemische in­ dustrie komt op dit punt nog­ al eens in het nieuws. Wat echter totnutoe steeds ontbro­ ken heeft is een redelijk kom­ pleet beeld van de totale mi­ lieuverontreiniging welke in de gehele produktieve sektor in Nederland ontstaat. Ook de overheid betreurt deze la­ cune. Een belangrijk beleids­ stuk als de Nota Selectieve Groei 1) noemt als een van de hinderpalen voor het voeren van een effektief selektieve­

'd

groei beleid het ontbreken­ van — juist dit soort — kwantita­ tieve gegevens. Onder .andere om in deze lacune te voorzien heeft het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhy­ giëne in 1974 aan een groep onderzoekers van het Instituut voor Milieuvraagstukken de opdracht verleend om een dergelijke inventarisatie van de milieuvervuiling door be­ drijven te maken. Medio 1978 is hierover een rapport gepu­ bliceerd 2). Ten behoeve van deze inven­ tarisatie is het bedrijfsleven opgedeeld in een zestigtal he­ drijfsklassen. Bij de raming van de verontreinigingsbijdra­ gen van deze bedrijfsklasscn zijn ongeveer vijftig chemi­ sche vuilsoorten onderschei­ den. Om het overzicht te be­ waren zijn deze vuilsoorten in groepen samengenomen waar­ door vier vervuilingsindikato­ ren worden verkregen, te we­ ten de luchtverontreiniging, de waterverontreiniging, de ver­ ontreiniging met zware met.n­ len en het chemisch afval. Bij het tot stand komen van deze aggregaties is door het gebruiken van gewichten re­ kening gehouden met de rela­ tieve „zwaarte" van de vervui­

J.B. Vos ling van elk der individuele vuilsoorten. Terwille van de onderlinge vergelijkbaarheid van de diverse bedrijfsklasscn is de vervuiling berekend per gulden produktiewaarde. Met behulp van deze zogeheten primaire emissie­koéfficien­ ten zouden we nu een rang­ orde van de bedrijfsklasscn naar de omvang van him ver­ vuiling kunnen maken. Het is echter interessanter om bij het maken van een derge­ lijke rangordening niet alleen te kijken naar de vervuiling als gevolg van het produktie­ proces in een bepaalde he­ drijfsklasse alleen, maar ook naar de vervuiling die ont­ staat bij het produceren van grondstoffen en halffabrika­ ten die in deze bedrijfsklasse bij het produktieproces war­ den gebruikt. Met andere woorden, welke is de totale verontreiniging die aan het door die bedrijfsklasse gele­ verde eindprodukt vastzit.

Wanneer we op basis van de­ ze zogenoemde gekumuleerde emissie­koëfficiënten de be­ drijfsklasscn onderling op hun vervuiling vergelijken (waar­ bij we zoveel mogelijk met al­ le vier vervuilingsindikatoren rekening houden) dan blijken de volgende industrieën „vuil" te zijn: de chemische industrie (w.o. de kunstmestproduktie), een deel van de voedingsmid­ delenindustrie, de papierindus­ trie en de metaalindustrie (w.o. de hoogovens). „Schoon" zijn vooral de dienstverlenen­ de bedrijven (banken, verzeke­ ringen, P.T.T. e.d.).

it Met het hij de inventarisatie verkregen materiaal zijn lal van analyses te maken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om, naar analogie van de handels­ balans, een vervuilingsbalans op te stellen. Nederland heeft een „open" ekonomie. Veel in Nederland gebruikte Produk­ ten worden uit import verkre­ gen, terwijl een belangrijk

deel van de binnenlandse pro­ duktie wordt geëxporteerd. Export houdt in dat in Ne­ derland vervuiling ontstaat bij het maken van Produkten die in het buitenland worden ge­ bruikt. We zouden hierbij van „vuilimport" kunnen spreken. Omgekeerd betekent import van Produkten dat in het bui­ tenland vervuiling wordt ver­ oorzaakt ten behoeve van ons binnenlands gebruik („vuilex­ port"). We kunnen nu per vuilsoort de „ingehaalde" en „uitgaande" hoeveelheden vervuiling in balansvorm sa­ menvatten, waarbij het saldo van deze balans uitwijst of Nederland de, gunstige, posi­ tie van „vuilexporteur" in­ neemt, danwei de ongunstige, positie van „vuilimporteui". Het opstellen van vervuilings­ balansen voor een dertigtal vuilsoorten leidt tot de kon­ klusie dat Nederland overwe­ gend vervuiling importeert, ofwel: buitenlandse handels­ partners wentelen, per saldo, een deel van hun vervuiling op Nederland af. Deze situa­ tie moet temeer ongunstig worden genoemd wanneer we bedenken dat Nederland een

van de dichtstbevolkte landen ter wereld is. Een nadere ana­ lyse laat zien dat met name de chemische industrie voor deze situatie verantwoordelijk is. Wanneer we van im­ en ex­ port van deze bedrijfsklasse abstraheren dan blijkt ons land juist „vuilexporteur" te zijn. Het konflikt tussen wat noodzakelijk wordt geacht voor de ekonomie en wat nut­ tig is voor het milieu spitst zich hier toe. Nederland heeft door verkoop van chemische Produkten aan het buitenland

Ontwikkelingshulp of kollaboratie Vervolg van pag. 3 onderdelen zien." Brasz vat de hoofddoelstelling als volgt samen: „We gaan het Department leren hoe je beleidsondersteunend onder­ zoek en advies kunt opstellen op een methodisch verantwoorde ma­ nier." Het totale projekt duurt in de op­ zet 3 i jaar. Eerst wordt een gede­ tailleerde beschrijving gegeven van

een belangrijke bron van in­ komsten, maar moet daarvoor wel „betalen" in de vorm van een extra hoeveelheid veront­ reiniging. sir Een belangrijke vraag is of het hierboven aangeduide konflikt tussen „ekonomie" en „milieu" vermijdbaar is. Met andere woorden: is selektieve groei mogelijk? Het is in prin­ cipe mogelijk met behulp van een gericht beleid de veront­ reiniging te verminderen door „vuile" bedrijfsklassen te rem­ men en „schone" bedrijfsklas­ sen te stimuleren. Maar welke gevolgen heeft dit voor ekonomische Indikatoren als inkomen en werkgelegen­ heid? Deze vraag is in het on­ derhavige onderzoek aan de orde geweest. Met behulp van een bepaalde methode is ge­ zocht naar .alternatieve scena­ rio's voor de omvang van de diverse bedrijfsklassen. Daar­ bij zijn enkele randvoorwaar­ den geformuleerd die onder­ meer inhouden dat er, reëel geachte, grenzen zijn gesteld aan de toe­ of afname van de produktieomvang van de on­ derscheiden bedrijfsklassen. Verder is als eis gesteld dat inkomen en werkgelegenheid tenminste op het zelfde peil gehandhaafd blijven. Het resulta.at van deze analyse is ondermeer een scenario waarin de vervuiling afneemt — variërend van 16 tot 24% voor de diverse vervuilingsin­ dikatoren, terwijl inkomen en werkgelegenheid met rond 10% toenemen. We onderken­ nen dat een dergelijk scenario niet eenvoudig te realiseren zal zijn. Evenwel, en dat is een van de belangrijkste kon­ klusies van dit onderzoek, de opvatting dat de zorg voor ons leefmilieu altijd ten koste gaat van onze ekonomie blijkt, zo algemeen gesteld, onjuist te zijn. 1) Ministerie van Economi­ sche Zaken, Not.a Selectieve Groei, 1976. 2) Instituut voor Milieuvraag­ stukken, Milieuverontreiniging en produktiestruktuur in Ne­ derland, deel 1 en 2, 1978. (Exemplaren zijn op het IvM verkrijgbaar. Kosten f 30,­ per deel. De hoofdzaken staan in deel 1, deel 2 bevat details. Ook is een verkorte (engelsta­ lige) versie beschikbaar.

het lokale bestuur d.m.v. veldwerk en inhoudsanalyse van dokumen­ ten. Vervolgens wordt een diagnose van de knelpunten gesteld. Dan worden alternatieven van bestuur­ lijke hervorming geformuleerd met betrekking tot de negen beleidster­ reinen en tenslotte wordt — na diskussie met de betrokkenen — het definitieve rapport opgesteld. Is het bestuurskunde­projekt in Le­ sotho nu een bijdrage aan ontwik­ kelingssamenwerking of collabora­ tie met een autoritair bewind? Die vraag staat nog steeds. Een eendui­ dig antwoord is vermoedelijk niet mogelijk, maar misschien zijn er een aantal argumenten aangevoerd om de diskussie te bevorderen. Een diskussie, die tot nu toe nauwelijks heeft plaatsgevonden. Want hoe po­ sitief het B oleswa­samenwerkings­ vcrband ook is als alternatief voor het verdrag met de blanke Zuidafri­ kaanse universiteit van Potchef­ stroom, ook dit samenwerkingsver­ band met zwarte universiteiten en zeker de individuele Projekten mo­ gen een kritische toets niet ontgaan.

Geheimzinnig Wat vinden UR­vertegenwoordi­ gers ervan? D e VUSO blijkt geen enkele moeite te hebben met Boles­ wa, terwijl de PKV althans tegen­ over samenwerking met Lesotho kritischer staat dan een paar jaar geleden. Wim Reedijk: „Bij het be­ sluit over de samenwerkingsover­ eenkomst hebben wij ons van stem­ ming onthouden, omdat wij over te weinig informatie beschikten. Wij vonden dat er ook wat geheimzin­ nig over werd gedaan, met name door de Commissie Internationale Samenwerking. Noch het Bureau Buitenland noch de projektverant­ woordelijken hebben onze toene­ mende twijfels weggenomen. Wij vragen ons af wat de kritische ge­ luiden van chief Jonathan tegen Zuid­Afrika werkelijk inhouden en wat zijn rol wordt als in Zuid­ Afrika het A N C aan de macht komt, of Lesotho dan niet een uit­ valsbasis wordt voor westerse krachten." De VUSO gelooft bij monde van Robin Linschoten dat wat betreft het bestuurskunde­projekt „de deel­ name van de VU aan praktijk ge­ richt onderzoek in Lesotho een bij­ drage kan betekenen aan de ont­ wikkeling van dit land". Hij gunt de projekt verantwoordelijken het voordeel van de eventuele twijfel of het onderzoek ook aan de ge­ hele bevolking ten goede komt. „Dat kunnen we achteraf pas be­ kijken" zegt hij. De faculteitsvereniging Mundus heeft zich nauwelijks in de proble­ matiek van het bestuurskunde­pro­ jekt verdiept „omdat we zo weinig kontakt hebben met de afdeling be­ stuurskunde".

Denk eraan: mededelingen in tweevoud inleveren

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 264

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's