Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 199

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 199

10 minuten leestijd

AD VALVAS — 15 DECEMBER 1978

Interne vertaling meerjarenafspraken

met de minister vraagt veel

inspanning

Bel voor nieuwe planningsronde gegaan: nadruk op overleg met faculteiten Een nieuwe planningsseizoen is van start gegaan. In september is de vorige ronde afgesloten met de ondertekening van de externe meerjarenafspraken 1979-1983. Deze afspraken waren het produkt van intensieve onderhandeI liugen tussen de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en het deI partement. Onder het uiteindelijke document ontbreken de handtekeningen namens de Universiteit van Amsterdam en de Katholieke Universiteit Nijmegen. Evenals de overige universiteiten en hogescholen heeft de VU de meerjarenafspraken '79-'83 wèl ondertekend, zij het niet dan nadat hierover in de universiteitsraad een felle discussie was gevoerd en het departement nog tegemoet was gekomen aan enkele door de UR genoemde wensen. Lag vorig jaar de nadruk vooral op de onderhandelingen tussen de instellingen en het departement, in deze ronde zal het accent meer komen te liggen op het overleg binnen de instellingen zelf, tussen college van bestuur/universiteitsraad en de (sub/inter)faculteiten. De instellingen hebben hun posities in de onderhandelingen van vorig : jaar eigenlijk alleen gebaseerd op globale overwegingen, zonder dat de mogelijkheden er in voldoende I mate waren om intern na te gaan wat precies de gevolgen zouden zijn van de gemaakte afspraken. Wel heeft het college van bestuur van de VU in juli een brief naar de faculteiten gestuurd, waarin een voorlopige uitwerking per faculteit werd gegeven, in termen van groei of afname van personeel, onder' zoekcapaciteit en benodigde exten! sivering van onderwijs. Deze uitweri king was voorlopig, omdat de meerjarenafspraken toen nog niet vastgesteld waren, en omdat hij gebaseerd was op de door het departement gehanteerde verhouding tussen hoeveelheid ter beschikking geI steld geld en hoeveelheid personeel; de VU hoeft niet noodzakelijk I dezelfde verhouding te gebruiken. (in deze brief werd aan de bestuI ren van de (sub/inter)faculteiten om leen eerste reactie gevraagd. Die [reacties waren overwegend positief Iwat betreft de vraag naar de prinIcipiële bereidheid van de faculteiIten om mee te werken aan interne j meerjarenafspraken; op de voorgeI spiegelde inhoud van dergelijke afI spraken werd echter met duidelijk I meer reserve gereageerd.

door Hans

Schumacher

Achteraf vindt ir. R. Zijlstra van het bureau Planning, Onderwijs en Onderzoek (dat onder het CvB ressorteert), dat de vraag om een reactie van de faculteiten op een ongelukkig moment is gesteld. „In veel faculteiten heeft men niet helemaal goed begrepen waar het eigenlijk om ging. Her en der is waar te nemen dat men nog niet geheel aan de „groeigedachte'" is ontkomen." Ook wijst ir. Zijlstra nog eens met nadruk op het tentatieve karakter van de gepresenteerde berekeningen. De voorzitter van de commissie planning van de universiteitsraad, DAK-man drs. Sijbolt Noorda, zegt ervan: „Er is duidelijk een terughoudendheid te bespeuren in het overgaan tot extensivering van het onderwijs. Als universiteitsraad hebben we gezegd: we moeten doen wat we kunnen om zoveel mogelijk studenten op te nemen, onder behoud van een redelijk onderzoeksniveau, en dat kan een zekere extensivering van het onderwijs met zich meebrengen. Het is nodig dat een behoorlijk onderzoekspeil wordt gehandhaafd, omdat we anders het gevaar lopen dat de universiteiten steeds minder gaan meetellen als

Ir. R. Zijlstra van het bureau Planning, Onderwijs en Onderzoek: „Her en der is waar te nemen dat de faculteiten nog niet geheel aan de ,groeigedachte' zijn ontkomen." (Archieffoto informatiedag raadsleden '77.) onderzoeksinstituten, en dat het onderzoek verdwijnt naar zelfstandige instellingen waarbinnen nauwelijks mogelijkheden zijn voor democratische controle. Aan de andere kant mag extensivering van het onderwijs niet betekenen dat belangrijke verworvenheden weer zouden moeten worden ingeleverd; dat werkgroepen weer vervangen zouden moeten worden door hoorcolleges, of dat de keuzemogelijkheden in het doctoraalpakket een ernstige inkrimping zouden ondergaan." Vergelijkbaarheid mag geen uniformering gaan betekenen, vindt Noorda. „Het is de taak van de faculteiten te weten wat goed onderwijs is. Zij moeten ieder voor zich de argumenten op tafel leggen, waar voor hun de grenzen lig-

Universitaire autonomie II

}

Bén mogelijke argumentatie ter rechtvaardiging van universitaire autonomie is dat deze een conditie is voor een voortgaande rationele discussie binnen de wetenschap. Anders gezegd, door faculteiten en vakgroepen zelfstandig te houden kunnen de voor wetenschapsbeoefening noodzakelijke twijfel en kritiek blijven funktioneren. Het gevaar van deze redenering is, dat hij kan leiden tot een visie op de wetenschap als een bedrijf in de „ivoren toren". Om die reden wil ik hier proberen om een andere argumentatie aan te geven, die dat gevaar niet heeft, en die ook leidt tot een eis voor autonomie. lür

Uit de nota Wetenschapsbeleid van ex-minister Trip (1974) haal ik het volgende citaat: ,.Ligt bij de universiteiten en hogescholen de nadruk op zui^ ver wetenschappelijk onderzoek, bij (semi-)overheidsinstituten en het bedrijfsleven overheerst de op concrete toepassingen gerichte RD" (research and development). Ik spreek verder niet van RD, maar van maatschappelijk dienstbaar onderzoek. De plannen van Trip — ze worden in grote lijnen uitgewerkt op dit moment — leiden tot twee onderzoeksorganisaties. Het ene is het universitaire en interuniversitaire onderzoekssysteem, voornamelijk gefinancierd vanuit de eerste en twee-

door Martin

Hetebrij

de geldstroom. Het andere is het sektorradenstelsel, waarin het aanbod van onderzoekers en de maatschappelijke vraag naar onderzoek elkaar ontmoeten. Financiering van dergelijk, maatschappelijk dienstbaar onderzoek geschiedt via de zgn. derde geldstroom.

Nu wordt op dit moment aan de universiteiten maatschappelijk dienstbaar onderzoek verricht. De noodzakelijke relaties tussen het universitaire onderzoekssysteem en het sektorradenstelsel zullen dit onderzoek niet doen verdwijnen. Ik wil pleiten voor maatschappelijk dienstbaar onderzoek, juist ook aan de universiteiten, vanwege de daar bestaande mogelijkheden, indien tenminste een zekere autonomie kan worden gehandhaafd. Alle onderzoek wordt gekenmerkt door de mogelijkheid tot kritiek op, en tot evaluatie van denkbeelden en manieren waarop mensen te werk gaan. Dit geldt ook voor maatschappelijk dienstbaar onderzoek. Er is veel maatschappelijk dienstbaar onderzoek dat wordt gefinancierd door opdrachtgevers vanwege het direkte belang van de vraagstelling erin voor hun beleid. De RWO-nota noemt dit „gebonden onderzoek". De kritische mogelijkheden van dergelijk

onderzoek worden uiteraard sterk beperkt door de behoefte die opdrachtgevers hebben aan die kritiek. Beleid wordt nu eenmaal ontwikkeld binnen het kader van veel vastliggende keuzen, en daarmee samenhangende belangen. De meeste doelen worden niet nagestreefd, evenals de meeste middelen niet worden gehanteerd. Onderzoek naar eventuele haalbaarheid of bruikbaarheid ervan is dan ook niet meer interessant, kan zelfs worden afgewezen. Van dergelijke beperkingen opgelegd aan maatschappelijk dienstbaar onderzoek kunnen veel voorbeelden worden gegeven. Zo leidde de voorkeur in de regering voor gastoevoer uit Algerije d.m.v. schepen tot afwijzing van onderzoek naar de mogelijkheden om vervoer via pijpleidingen te verkennen. Voor hen, die zich verzetten tegen gebruik van kernenergie en de ontwikkeling van kerncentrales is onderzoek naar opslag van kernafval in zoutlagen onaanvaardbaar.

Gebonden onderzoek is voor

gen voor de kwaliteit van het onderwijs." Dergelijke argumenten zijn soms moeilijk te leveren — de kwaliteit van het onderwijs is nu eenmaal een grootheid die niet zo gemakkelijk te meten is als luchtdruk of temperatuur. Noorda: „Op een gegeven moment kun je niet alleen maar kwantitatief redeneren, en is een statistische benadering zinloos. We zullen dan gewoon moeten zien te bekijken of een bepaald onderwijsprogramma goed gemotiveerd is. Te zorgen voor dergelijke goede motivaties moet voor elke faculteit dan ook een plaats hoog op het activiteitenlijstje hebben."

Check Sijbolt Noorda ziet de nu komende

onze samenleving van groot belang, en moet worden gestimuleerd. Op de langere termijn hebben we toch ook behoefte aan maatschappelijk dienstbaar onderzoek, waarin problemen aan een meer fundamentele kritiek worden onderworpen. Alleen zo behouden we een fleksibiliteit die het mogelijk maakt om nadelige ontwikkelingen in de samenleving te korrigeren, welke door vele beleidsinstanties binnen hun beperkingen juist worden bevorderd. Ik denk dat voorbeelden voor „fundamenteel maatschappelijk dienstbaar onderzoek" zijn dat wat de „Frankfurter Schule" deed aan kritische analyse van de samenleving, wat de Club van Rome ontwikkelde in zijn wereldmodel. Het tweede voorbeeld geeft tegelijk aan dat dergelijk onderzoek niet speciaal verricht behoeft te worden aan de uni-

versiteit. Het lijkt me echter, dat continuering ervan, met handhaving van zijn fundamentele kritische karakter, vraagt om grote onafhankelijkheid. De belangen rond verdere uitwerking zijn immers zo groot. Ik denk dat universiteiten zich moeten inzetten voor dergelijk onderzoek en de daarvoor nodige autonomie moeten eisen. Ze moeten er voor pleiten, als maatschappelijk kritisch cen-

ronde van overleg met de faculteiten vooral als een check op de gemaakte externe meerjarenafspraken: in hoeverre is de VU inderdaad in staat — zoals tot nu toe is verondersteld op grond van globale overwegingen en algemene beoordelingen — om tegemoet te komen aan de gestelde taken. Ook planningsfunctionaris ir. Zijlstra ziet de komende overlegronde vooral als een kans om de beleidsoverwegingen, zoals die spelen op instellingsniveau enerzijds en op (sub/inter)faculteitsniveau anderzijds, dichter bij elkaar te brengen. Bewust is er dit jaar gekozen voor een zeer summiere uitbreiding van de procedure voor de externe meerjarenafspraken — slechts enkele technische punten zullen worden meegenomen in de bijstelling naar de meerjarenafspraak 1980-1984 —, teneinde de instellingen de gelegenheid te geven de zaken ditmaal nu eens goed intern door te spreken. De procedure die 't college van bestuur voorstelt is de volgende. Omstreeks dit moment vindt er ambtelijk-technisch overleg plaats tussen daartoe door de faculteiten aangewezen contactpersonen en ambtelijke deskundigen van het CvB. Hierin wordt gesproken over de gegevens die in het verdere overleg zullen worden gebruikt, (bv. over het onderwijsprogramma en de formatie-opbouw); ook wordt er een agenda voor het eerste bestuurlijk overleg opgesteld. Dit eerste bestuurlijk overleg (tussen het college van bestuur en de besturen van de (sub/inter)faculteiten) moet plaatsvinden tussen half februari en half maart, nadat er eerst onder meer voor de ambtenaren van het CvB de gelegenheid is geweest te recapituleren. In dit overleg komen opnieuw de gegevens aan de orde die de basis zullen vormen voor latere berekeningen, en die nu van een bestuurlijke bevestiging moeten worden voorzien. Verder moet er in deze fase een analyse worden gemaakt van de problemen die zich met de interne meerjarenafspraken voordoen, gekoppeld aan „actie-afspraken". Dan volgt er opnieuw een maand van recapitulatie, waarvan ook de faculteiten gebruik kunnen maken om de gang van zaken in de raden door te spreken. Tussen half april

Vervolg op pagina 12

trum te kunnen funktioneren. Termen als Vrije Universiteit en Kritische Universiteit krijgen dan de juiste betekenis.

Het lijkt me ten laatste, dat gebruik van argumenten ter rechtvaardiging van universitaire autonomie ook moet uitlopen op kritiek op de universiteit zelf. In hoevere is er op dit moment sprake van rationele discussies over onderzoek. Spelen macht en status, op positie gebaseerde deskundigheid niet een veel te grote rol? Wordt op dit moment fundamenteel kritisch maatschappelijk dienstbaar onderzoek aan de universiteit wel ten uitvoer gebracht? Wat op dit moment de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid aan onderzoek doet, bij bv. zijn toekomstverkenningen, was dat niet iets geweest voor universitair onderzoek? Mijn betoog brengt me tot een vervelende konklusie. Het zou wel eens zo kunnen zijn, dat de best mogelijke argumentatie voor universitaire autonomie er vooral toe leidt, dat wordt aangegeven waar het fout ging bij die universiteit. En dat zou wel eens argumenten kunnen leveren om aan die universiteit zijn autonomie te onthouden '"' Maar welke onafhankelijke instantie zou de wetenschappelijke taken van de universiteit op de lange duur kunnen overnemen? (Dit was het tweede en laatste artikel over „Universitaire autonomie". Het eerste stond in het nummer van 8 december j.L).

nMl.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's

Ad Valvas 1978-1979 - pagina 199

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978

Ad Valvas | 504 Pagina's