Ad Valvas 1978-1979 - pagina 71
AD VALVAS — 29 SEPTEMBER 1978
Mr. J. Donner pleit in proefschrift voor belangrijkere rol van Vereniging (VU) en stichtingen (Nijmegen, Tilburg)
besturen
Bijzonder wetenschappelijk onderwijs maakt te weinig gebruik van onderwijsvrijheid Het bijzonder wetenschappelijk onderwys maakt onvoldoende gebruik van de vrijheid van onderwijs. Er zUn overigens nog mogelijkheden genoeg voor de Vrüe Universiteit, de katholieke universiteit van Nijmegen en de katholieke hogeschool van Tilburg om het eigen karakter te laten uitkomen ondanks dat de onderwijsvrijheid sinds de 100%-subsidiëring in 1970 door wettelijke maatregelen ongrondwettig is beperkt. Een belangrijke rol behoren daarbij de besturen van de Vereniging (VU) en de stichtingen (Nijmegen en Tilburg), waarvan zij uitgaan, te spelen. Deze besturen moeten de hun toekomende vrijheid om docenten te benoemen en hun bestuurlijke inrichtingsvrijheid beter gaan benutten en hun betrokkenheid bij de inrichting van het onderwijs meer laten blijken. Hoewel zij, zeker na de demokratisering van het universiteitsbestuur, te weinig instrumenten in handen hebben om het eigen karakter van universiteit of hogeschool met kracht in stand te kunnen houden, blijft er nog voldoende ruimte over om het principiële bestaansrecht niet te laten verbleken. Dat is de opvatting van mr. J. Donner, neergelegd in zijn proefschrift „De vrijheid van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs", waarop hij de afgelopen week aan de VU promoveerde. Volgens Donner, die een kleinzoon is van mr. J. Donner die van 1945 tot 1967 president-curator van de VU was, is ook de overheid erbij gebaat wanneer de VU-Vereniging en de Nijmeegse en Tilburgse stichtingen als uiteindelijk verantwoordelijke instanties krachtig worden bestuurd. Er zou alleen daarom al iets voor te zeggen zijn dat de overheid een deel van de bestuurskosten overneemt. X)aar hebben de besturen sinds de jaren '50 wel steeds naar gestreefd, maar het is er nooit van gekomen. En nu blijkt geldgebrek een vrijwel onoverkomelijke hindernis te zijn. Voor versterking van het apparaat van de besturen van verenigingen en stichtingen is volgens Donner na de invoering van de wet universitaire bestuurshervorming (WUB) alle aanleiding geweest, omdat de eenheid van bestuur kleiner werd: er kwamen voltijdse bestuurders en de besturende colleges werden bemand door leden die door anderen worden aangewezen. Zo kiest de universiteitsraad één of twee leden van het wetenschappelijk corps in het college van bestuur.
Onderwijsvrijheid aangetast Mr. Donner vindt dat sedert de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder wetenschappelijk onderwijs in 1970 verschillende wetten tot stand zijn gekomen die als een aantasting van de vrijheid van onderwijs kunnen worden beschouwd. Vooral is dat het geval met de WUB (eind 1970), die als voorwaarde van bekostiging geldt, hoewel „ieder denkbaar verband tussen de bestuurshervorming en de bekostiging van de bijzondere universiteiten en hogescholen ontbreekt". De overheid heeft haar financiële macht dan ook misbruikt en het bijzondere wetenschappelijk onderwijs oneigenlijke subsidievoorwaarden opgelegd. Donner ziet zich bij deze konklusie gesteund door een recent advies van de Onderwijsraad waarin wordt uitgesproken dat een aan het bijzonder basisonderwijs voor te schrijven demokratiseringsvoorwaarde „in strijd met de vrijheid van onderwijs" is te beschouwen. Dat de WUB de bijzondere instellingen ruimte laat om van de wet af te wijken als die met het eigen karakter in strijd komt, kan daar volgens Donner niet aan afdoen. Met name vindt hij de WUB een beperking van de vrijheid van inrichting van het bestuur. Dat laatste is naar zijn mening ook zo bij de collegegeldwet van 1974. Deze wet, rechtstreeks op de bijzondere instellingen van toepassing verklaard, verschaft iedere student een onvoorwaardelijk inschrijvingslecht bij elke openbare of bijzondere universiteit of hogeschool. Daarmee werd de bijzondere instellingen de mogelijkheid ontnomen om studenten te weren als hun houding tegenover het eigen karakter daartoe aanleiding zou geven. Tot de tweede wereldoorlog hanteerde de VU bijvoorbeeld als eis dat personeel en studenten met de grondslag van de universiteit moesten instemmen.
door Jan van der
Veen
Prof. mr. I. A. Diepenhorst, toen rector magnificus van de VU, schreef een paar maanden voordat de collegegeldwet het staatsblad had bereikt in een brief: „In de praktijk stellen de bijzondere instellingen zich ten aanzien van de rijksregelingen op als binden die hen rechtstreeks". Maar om ze daarmee meteen gelijk te schakelen met de openbare ging hem te ver. „Het gaat in tegen het systeem der wet en kan het begin van het einde inluiden van het privaatrechtelijk karakter van de bijzondere instellingen." De drie besturen van de bijzondere instellingen- protesteerden gezamenlijk toen de toenmalige staatssekretaris van onderwijs dr. Klein na aanneming van de collegegeldwet het achterste van zijn tong liet zien. De wet was, zei hij, welbewust rechtstreeks van toepassing verklaard op ook de bijzondere instellingen. En bovendien zou eens moeten worden nagegaan of er niet nog andere wetsbepalingen zijn die voor een dergelijke toepassing in aanmerking komen. Donner vindt het terecht dat Kleins voornemen nadien niet meer aan de orde is geweest. „Dergelijke wetsvoorschriften zijn in strijd met de Grondwet." Van vrijwillige aanvaarding door de bijzondere instellingen zou dan geen sprake zijn. Ook in strijd met de onderwijsvrijheid r)oemt Donner de wet herstrukturering wetenschappelijk onderwijs van 1975'^ die als voorwaarde voor erkenning en bekostiging geldt. De wetgever had kunnen volstaan met de wet als voorwaarde voor bekostiging te verklaren, maar deed dat niet. De wet is ook voorwaarde voor erkenning. Sinds de wet-Kuyper van l p 0 5 , waarmee de bijzondere instellingen de mogelijkheid kregen academische graden te verlenen (effectus civilis), zijn door de wetgever uitsluitend voorwaarden voor erkenning gesteld die beoogden de onderwijskwaliteit boven een bepaald minimumniveau te houden, maar de herstruktureringswet bindt die kwaliteit ook aan een bovengrens. Zo is, aldus Donner, de paradoxale situatie ontstaan dat, als het bijzonder onderwijs via een langere inschrijvingsof cursusduur de onderwijskwaliteit zou kunnen laten stijgen, de erkenning van de bijzondere universiteit of hogeschool door de overheid moet worden ingetrokken. Dat kan nooit de bedoeling van de wetgever zijn geweest en daarom moet het dan ook een vergissing van hem zijn geweest de wet ook voor de bijzondere instellingen als erkenningsvoorwaarde te bestempelen De erkenning en vooral de bekostiging van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs zijn, aldus Donner, zo door de overheid aan een steeds groter aantal voorwaarden gebonden. Voegt men daarbij dat met name de wet op het wetenschappelijk onderwijs van 1960 de openbare universiteiten en hogescholen een allengs grotere autonomie heeft bezorgd, dan kan worden gekonkludeerd dat openbaar en bijzonder wetenschappelijk onderwijs sterk naar elkaar zijn toegegroeid wat betreft hun inrichting.
Mr. ].
Donner
Mr. Donner meent dat er, met name gezien de ontwikkelingen sinds 1970, behoefte bestaat aan een vaste overlegprocedure tussen overheid en de bijzondere instellingen, zodat kan worden nagetrokken of en in hoeverre voorgenomen voorwaarden voor erkenning en bekostiging voor hen aanvaardbaar zijn. Bij de indiening van komende wetsontwerpen zal hun advies bekend moeten worden gemaakt. De bijzondere instellingen, die de overheid anders dan vroeger niet meer kan missen getuige de totstandkoming van de machtigingswet (studentenstops), krggen zo een te rechtvaardigen belangrijke plaats in het wetgevingsproces.
Open
universiteit
Donner is er voorts niet erg over te spreken dat de overheid bij haar plannen voor een open universiteit ervan uitgaat dat deze een monopoliepositie zal gaan innemen. Het zou beter zijn geweest als de overheid de mogelijkheid had open gehouden om bij gebleken behoefte ook open universiteiten met een bijzonder karakter tot ontwikkeling te brengen. Donner vindt het op zichzelf lofwaardig dat „de overheid kennelijk oog heeft gekregen voor de omstandigheid, dat een neutraal wetenschappelijk onderwijs — zo dat al kan bestaan — velen in de samenleving niet kan bevredigen" en
Raad Hoger Beroepsonderwijs
over de
als eis heeft gesteld dat de pluriformiteit in levensbeschouwing op de toekomstige open universiteit wordt gewaarborgd. Maar ook al zal er via de instelling van slechts één open universiteit kunnen worden voorzien in de behoeften van een zo groot mogelijk deel van de bevolking, onverlet blijft de grondwettelijke vrijheid van onderwijs.
Uitgegroeide
studie
Het proefschrift is het produkt van een uitgegroeide studie naar de geschiedenis van de geleidelijk aan volledig geworden subsidiëring van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs en de juridische gevolgen ervan. In 1973 was mr. Donner op verzoek van het bestuur van de VUVereniging aan deze studie begonnen. Het Verenigingsbestuur wilde wel eens weten hoever de wetgever kan gaan met het opleggen van voorwaarden voor erkenning en bekostiging. Die vraag was voornamelijk ingegeven door „de stroom van nieuwe wetten en wetsontwerpen aan het begin van de jaren zeventig" die alle dat soort voorwaarden bevatten. Het later mede op aansporing van het Verenigingsbestuur geschreven proefschrift geeft een beknopter historisch beeld — overigens van een langere periode, van 1815 tot heden — en is meer gericht op de bepaling van wat de rechtspositie van het bijzonder wetenschappelijk onderwijs in de huidige tijd is. Promotor was prof. mr. P. de Haan, coreferent prof. mr. J. H. Prins. Eigenlijk waren er drie promotoren, aldus mr. Donner in zijn voorwoord, want grootvader en vader Donner droegen ook een steentje bij. Het proefschrift is in handelseditie verschenen bij Tjeenk Willink en kost 49 gulden. Mr. Donner is momenteel werkzaam bij het ministerie van onderwijs en wetenschappen en belast met de problematiek van de nieuwbouw van academische ziekenhuizen. Tot slot een van de stellingen die Donner aan zijn dissertatie toevoegde: „Bijzondere onderwijsinstellingen dienen bij voorkeur uit te gaan van verenigingen, waarvan een algemene ledenvergadering juridisch en feitelijk het hoogste orgaan is, omdat deze vorm van rechtspersoonlijkheid beter dan andere vormen van rechtspersoonlijkheid waarborgt, dat de eigen aard van de bijzondere onderwijsinstellingen daadwerkelijk in brede kring weerklank vindt."
nota-Pais
Vóór invoering nieuwe WO-strul(tuur positie HBO duideiiji^er schetsen Voordat bij het wetenschappelijk onderwijs een nieuwe struktuur wordt ingevoerd, dient de positie van het hoger beroepsonderwijs duidelijker te worden geschetst. Tot deze konklusie komt de HBO-raad, het advies- en overlegorgaan voor het hoger beroepsonderwijs, in zijn kommentaar op de nota „Hoger onderwijs voor velen" van minister Pais. De raad vreest onvoldoende doordachte maatregelen, die de ontwikkeling van het HBO binnen het aangekondigde eenheidsstelsel van hoger onderwijs kunnen blokkeren. Na theoretische diskussies over de betrekkingen tussen beide onderwijsvormen, die al tien jaar duren, zou dat een bron van veel ergernis over de dan verspilde energie kunnen zijn, gelooft de raad. De HBO-raad was het vorige week vrijdag broederlijk eens met zijn bestuur, dat het kommentaar had opgesteld. Hier en daar brachten de leden wat tekstwijzigingen aan, maar de grote lijn had blijkbaar hun sympathie. Het HBO kan de minister best volgen m zijn uitgangspunt dat het -tertiair onderwijs voor zeer velen toegankelijk moet zijn. Het staat ook positief tegenover een gekombineerde ontwikkeling van HBO en WO. Alleen, laat de minister alsjeblieft wat minder vaag zijn, en speciaal over het HBO. Daaibij frappeerde het, dat de HBO-raad erg voorzichtig was in zijn formuleringen over de tweefasenstruktuur die Pais beoogt voor het WO. Kennelijk ,wil niemand daar zijn handen aan koud water branden. Overigens is het hoger beroepsonderwijs nog niet toe aan het geven van meer dan een voorlopig kommentaar. Binnen de HBO-raad wordt gewerkt aan een eigen visie
op de totale ontwikkeling van het hoger onderwijs. De raad wil deze visie in het overleg met het wetenschappelijk onderwijs en de minister brengen. De vaste kommissie voor onderwijs en wetenschappen zal van de resultaten van de werkzaamheden op de hoogte worden gehouden Als de minister hoger onderwijs voor velen wil bevorderen, moet hij nu ook de konsekwenties van deze gedachte tikken, zo stelt de HBO-raad in zijn kommentaar. Hij moet rekening houden met een grotere instroom van studenten dan nu het geval is, met name van vrouwen en van volwassenen (boven 21 jaar). Er mag een grote spreiding van belangstelling en kapaciteiten van de aankomende studenten worden verwacht en daarom moeten de onderwijskundige maatregelen vooral gericht zijn op verschil in programma's, waarbij de bestaande kaders van WO en HBO worden doorbroken. Anders
komt er van de individuele benadering, waar de bewindsman naar zegt te streven, niets terecht. De twee hoofddoelen van het onderwijsbeleid, integratie en differentiatie zoals de nota het noemt, spreken de HBO-raad wel aan. Voor het hoger onderwijs betekent dat wel dat de kapaciteit van de dagopleidingen wordt uitgebreid Hetzelfde geldt voor de zogenaamde „deeltijdse opleidingen", waarvan de open universiteit een voorbeeld is. Bij het opzetten van nieuwe deeltijdse opleidingen moet wel worden voorkomen dat goed funktionerende soortgelijke opleidingen bij het HBO in het gedrang komen. Tegen de achtergrond van een groeiend aantal studenten, is de „nullijn" voor het hele hoger onderwijs niet te handhaven, vindt de HBO-raad. Ook als de minister deze nullijn als randvoorwaarde stelt voor het WO, houden de groei van het HBO en het scheppen van nieuwe opleidingen een verhoging in van het middelenniveau voor het hoger onderwijs in zijn totaliteit De raad wijst erop dat de huisvesting een belangrijke belemmering vormt voor de uitgroei van het HBO. Wil Pais zijn uitgangspunt kunnen waarmaken, dan zijn extra middelen voor de scholenbouw noodzakelijk De feitelijke studen-
Vervolg op pagina 10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
Ad Valvas | 504 Pagina's