Ad Valvas 1979-1980 - pagina 279
3
AD VALVAS — 15 FEBRUARI 1980
Dr W.E. van Amerongen evalueerde experimentele opleiding in proefschrift: kvt's behandelen even goedak schoohandartsen
Beroep kindertandverzorgende aan wettelijke erkenning toe 'De jeugdtandverzorging is nog steeds een geweldig stuk braakliggend terrein. Zou je die op de juiste wijze willen aanpakken, dan heb je ongeveer het hele tandartsenbestand van Nederland nodig.' Dat dat natuurlijk niet gaat, beseft tandarts W.E. van Amerongen, die deze opmerking maakt, heel goed. Maar door bijvoorbeeld invoering van het nieuwe beroep van kindertandverzorgende als hulp van de schooltandarts zouden we tenminste een stap in de goede richting gaan, vindt hij. - Vorige week vrijdag 8 februari promoveerde hij aan de VU op een proefschrift waarin hij de resultaten van een experimentele opleiding voor dat beroep van twee kort daarvoor afgestudeerde mondhygiënisten, die vervolgens twee jaar onder een wakend oog de praktijk mgingen, beschreef en evalueerde. Konklusie: klndertandverzorgenden kunnen zeker zo goed als de universitair geschoolde tandartsen de jeugd behandelen en zij zullen, doordat zij speciaal voor dit beperkte pakket tijdrovende routinetaken zoals trekken, boren en vullen ztjn opgeleid, de weerzin van de meeste (ruimer opgeleide) tandartsen missen, die vinden dat het beroep van schooltandarts hun mogelijkheden teveel beknot. Daarom wordt het tijd dat er aan de al jaren voortslepende diskussie over de noodzaak van ktndertandverzorgenden een einde komt en het beroep wettelijke erkenning krijgt. Dat alles ten bate van een betere gebitsgezondheid van de jeugd. 'De schooltandartsen vinden in het algemeen niet zoveel bevrediging in hun werk. Ze zijn gedurende zes jaar voor een breed scala van werkzaamheden in de tandheelkunde aan de universiteit opgeleid. Als ze daarna in het georganiseerde verband van de jeugdtandverzorging terechtkomen, is hun taak beperkt. Bovendien hebben ze te maken met kinderen in de leeftijd van 6 - 1 2 jaar, die voor het overgrote deel al een enorme achterstand hebben. Het komt namelijk zeer veel voor dat kinderen pas wanneer ze naar de Lagere school gaan voor het eerst met een tandarts in aanraking komen. Dat systeem heeft ertoe geleid dat hun behandeling alleen gericht is op het blijvend gebit. Dat de meeste tandartsen daarom niet staan te springen om schooltandarts te worden, kun je zien aan het grote aantal buitenlanders en oudere tandartsen die als schooltandarts werken.' Volgens het laatstverschenen Jaarverslag van de Vereniging Sociale Tandheelkunde (van 1978), dat we er even op na sloegen, zijn er in totaal 98 schooltandverzorgingsdiensten In ons land, waarbij 738 tandartsen werkzaam zijn. Van die 98 diensten bestrijken er 74 de gehele schooltandverzorging 3;onder doorverwijzing naar de !iuistandarts, terwijl 20 zich uitsluitend met doorverwijzingen bezighouden. Van de resterende vier is er één die zowel de gehele schooltandverzorging doet als doorverwijst; drie diensten werken volgens het gemengde systeem: sommige schoolklassen krijgen de hele tandverzorging, andere worden uitsluitend doorverwezen. Tegen de konstatering dat het er met de tandheelkundige verzorging van dejeugd slecht voorstaat wordt, aldus Van Amerongen, wel ingebracht dat er steeds meer tandartsen komen. Er zijn al plaatsen en regio's waar één tandarts op de tweeduizend inwoners werkzaam is en volgens het rapport 'Ontwikkelingslijnen in aanbod en behoefte van academici tot 1990' (1975) zou
Jan van der Veen
giënist aansluitende opleiding tot kindertandverzorgende van een jaar als te kort moet worden beschouwd. Dat zou twee jaar moeten zijn, vindt dr. Van Amerongen. Ondanks de intensieve begeleiding die de twee kregen raakten ze overbelast en bleek de aangeboden stof achteraf onvoldoende te zijn verwerkt, zodat het tijdschema van het onderwijsprogramma een paar keer moest worden aangepast.
Niet samen
dienst schooltandverzorging voor zich die in hoofdzaak zelfstandig door kindertandverzorgenden wordt gerund. De schooltandartsen zullen dan een meer superviserende en organiserende taak krijgen. 'Voorlopig is daar natuurlijk nog lang geen sprake van en zullen schooltandarts en eventuele kindertandverzorgenden dezelfde taken moeten uitvoeren.' Het beroep van schooltandarts zal er tegelijkertijd voor een aantal tandartsen aantrekkelijker op worden.
- Van Amerongen vindt mede om die reden dat een gezamenlijk basisprogramma voor de opleiding tot mondhygiënist en kindertandverzorgende moet worden afgewezen.
- Het idee van tandheelkundige hulpkrachten is afkomstig uit de
Diskussie overliulpicrachten
die verhouding ongeveer voor heel Nederland gelden (een kleine 8000 tandartsen zouden er dan zijn). Dus waarover zouden we ons druk maken, zeggen sommigen. 'Maar, als we kijken naar een land als Zweden, waar één tandarts op de duizend inwoners beschikbaar is, blijkt dat daar nog steeds een achterstand in de kindertandheelkunde bestaat.'
Van de wieg af - Dr. Van Amerongen zou de georganiseerde tandheelkundige hulp voor de jeugd het liefst zien uitgebreid met de periode 0 - 6 jaar. Dan zouden de tandartsen daarna beter verzorgde kinderen in hun stoel krijgen vanaf het zesde levensjaar. 'Maar als de overheid zegt: we moeten ons blijven beperken tot de behandeling van kinderen van 6 - 1 2 jaar, dan houdt natuurlijk alles op.' Maar zelfs al zou je de jeugd tot twaalf jaar redelijk goed kunnen blijven verzorgen, na die tijd moet er dan wel een foUow-up komen. ' Daar zit ook weer een geweldig probleem. Het georganiseerde verband van de schooltandverzorging houdt dan op en de kinderen worden dan eigenlijk een beetje de mist ingestuurd, komen vaak niet bij een huistandarts terecht. Kalsbeek, die onderzoek deed bij dienstplichtige militairen, merkte dat het effekt van de schooltandverzorging op die manier helemaal verloren gaat. Maar, als de kinderen via de schooltandverzorging goed zijn verzorgd, heeft de huistandarts meer tijd over voor preventie en hoeft hij niet alsmaar gaten en nog eens gaten te vullen.' Voor zijn onderzoek bezocht hij met twee vrouwelijke mondhygiënisten die op de VU een aanvullende experimentele opleiding tot kindertandverzorgende hadden gekregen twee jaar lang een viertal basisscholen met een zgn. dental car, een bus met tandheelkundige apparatuur. Alle kinderen die waren ingeschreven bij de plaatselijke schooltandverzorgingsdlenst werden volledig behandeld, voorzover de ouders daar schriftelijk mee hadden ingestemd. De beide kindertandverzorgsters men schijnt slechts aan het vrouwelijk geslacht te denken bij dit beroep, hoewel daar verandering in zou kunnen komen getuige dat de commissie paramedische beroepen van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid het in een advies ruimer wU zien - hadden een elftal taken, variërend van het geven van voorlichting tot het uitvoeren van zenuwkanaalbehandelingen in melkkiezen en -tanden, het trekken daarvan en het herkennen van tandstandaf wij kingen. Om na te gaan of kindertandverzorgenden die taken na een korte opleiding behoorlijk kunnen uitvoeren, werden de twee in hoofdzaak beoordeeld op technische vaardigheid. En die bleek op alle fronten steeds bijzonder goed te zijn. Overigens kwam wel naar voren dat een op de cursus voor mondhy-
Verenigde Staten, waar Fones in 1913 een eerste kursus organiseerde. Later begon men daar in Nederland ook over te denken. Zijn hulpkrachten wel nodig en wat zouden ze moeten doen?, werden diskussievragen. Ze werden in de jaren '50 en begin van de jaren '60 verschillend beantwoord door overheid en de Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde. Beide vonden hulpkrachten wel zinvol, maar de eerste dacht meer aan curatieve hulp, terwijl de tweede meer in preventieve hulp zag. In 1964 werd tenslotten gekozen voor een voorzichtige proef met opleiding en tewerkstelling van mondhygiënisten, (in 1968 in Utrecht gestart; in 1974 vond het beroep wettelijke erkenning), maar voor de curatieve hulp zou echter naderhand iets dergelijks kunnen worden opgezet, zo werd overwogen. De voorstanders van kindertandverzorgenden (curatieve hulp) hl den lande waren niet tevreden en probeerden het er door te krijgen dat ook voor deze hulpkrachten een opleiding van de grond kwam. Ze baseerden zich daarbij in het bijzonder op gegevens over het werk van de 'dental nurse' in NieuwZeeland, waar de opleiding het langst bestaat (ruim 55 jaar al). De tijd werd langzaam rijp voor een experiment... Toch is het aantal ontwikkelde landen dat kindertandverzorgsters kent nog vrij schaars, aldus Van Amerongen. In tegenstelling tot het aantal derde wereldlanden. 'Ik denk dat dat komt omdat de tandartsen bang zijn voor broodroof, iets wat zich ook voordoet tussen tandartsen onderling. Er zijn genoeg situaties waarin een grote populatie wordt behandeld door een enkele tandarts. Er zou best nog eenlije bij kunnen, maar die al zittende tandarts heeft dat liever niet. Ik zou er wel voor zijn als de tandarts overheidstandarts zou worden. Ik geloof dat een tandarts met een eigen winkel nog steeds te veel moet of wil werken op basis van het leveren van verrichtingen die dan worden betaald. Als hij een vast salaris zou ontvangen, zou hij de tandheelkunde veel vollediger kunnen bedrijven dan hij nu vaak doet.' Het onderzoek van dr. Van Amerongen naar de opleiding van kindertandveraorgenden is een deel van een groter experiment, waarvan het eerste doel was te bekijken in hoeverre het nieuwe beroep zou kunnen worden ingepast in de georganiseerde schooltandverzorging. Daarover werd in 1976 door de vakgroep preventieve en sociale tandheelkunde verslag uitgebracht. Aanleiding tot het experiment vormden met name de gunstige ervaringen die in Nieuw Zeeland met de 'dental nurse' werden opgedaan. Ook werd o.a. naar de Engelse 'dental auxiliary' gekeken.
Dr. W.E. van Amerongen^ Minister Veldkamp zag dat in het begin van de jaren '60 als wenselijkheid om de toen al jaren durende discussie over tandheelkundige hulpkrachten in een compromis te laten uitmonden. De voornaamste reden voor zijn afwijzing is echter een andere. Van Amerongen is het oneens met het heersende denkbeeld om in de hoger beroepsopleidingen een algemeen eerste jaar in te voeren, waarna dan een specifieke richting kan worden bepaald. 2k) zou iemand die wordt opgeleid tot tandheelkundig medewerker met paramedische status met als algemeen beroepsaanduiding 'mondverzorger' na dat basifijaar kunnen besluiten verder te gaan voor mondhygiënist, kindertandverzorgende of voor voorUchtingsdeskundige. 'Deze ontwikkeling brengt naar ons inzicht het beroep van mondhygiënist in gevaar. Niet alleen gaat men voorbij aan de ontwikkeling van diu beroep, maar vooral aan het specifieke karakter van deze hulpverlener. HiJ heeft immers een takenpakket, dat vooral is gericht op het voorkomen van ziekten in het gebit en zijn steun weefsels,' schrijft Van Amerongen. Preventie vraagt een andere mentaliteit dan het oplappen van een gebit. Schoenmaker houd je bij je leest dus. Ter ondersteuning van zijn visie haalt hij onderzoeken van Axelsson en Lindhe (1974), RenggU (1977) en Marthaler (1978) aan. Dr. van Amerongen ziet, zo vertelt hy ons, als toekomstperspektief een
NCBO ontstemd over personeelsbeleid VU De NCBO, de christelijke ambtenarenbond, is zeer ontstemd over het personeelsbeleid op de VU. Al op 19 november tijdens de forumdiskussie over de salarisverhoudingen binnen de VU, en in de vergadering van de beroepskommissie, heeft de Nederlandse Christelijke Bond van Overheidspersoneel duidelijk haar ongenoegen over het personeelsbeleid laten horen. Wat is er aan de hand met het personeelsbeleid van de VU? De NCBO verwacht van de werkgever dat op kritiek wordt ingespeeld, maar tot nu heeft men daar geen oren naar. Toch is het kollege van bestuur verantwoordelijk voor het personeel en het personeelsbeleid. Op die verantwoordelijkheid heeft NCBO-bestuurder Aart Kool tijdens de kommissie van overleg-vergadering van 6 februari, het kollege aangesproken, door een Ujst met wrijfpunten naar voren te brengen. Zo zijn er veel persoonlijke zaken die niet of nauwelijks worden opgelost. Doordat oplossingen niet worden bereikt dwingt de VU de men-
sen naar de beroepskommissie, naar derden dus, te gaan. Dat aantal zal, zoals de zaken er nu voor staan, wel snel groeien, meent de NCBO. Met veel gemak wordt het woord 'ontslag' gebruikt. Er is volstrekt onvoldoende ruimte voor het scheppen van oplossingen. Dat duidt op een algemeen gebrek aan doelgericht, op het individu toegespitst personeelsbeleid. Deze gang van zaken beïnvloedt de verhouding werkgever-werknemer. De NCBO kan en wil hiermee geen genoegen nemen en dringt aan op e gesprek met het college van bestuur. Er dienen strukturele verbeteringen te worden gekreeerd, die het mogelijk maken om een meer op het individuele personeelslid afgestemd personeelsbeleid te kunnen voeren. Dr. A.W. de Jager, portefeuillehouder personeelszaken in het college van bestuur begrijpt niet waar Aart Kool aan denkt. Het personeelsbeleid zal niet vlekkeloos zijn maar als de NCBO duidelijke klachten heeft is overleg alüjd mogelijk. Het CvB heeft vertegenwoordigers van de bond uitgenodigd om de klachten te komen bespreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's