Ad Valvas 1979-1980 - pagina 131
AD VALVAS — 2 NOVEMBER 1979
7
Pais' plannen voor studiefinanciering zetten studenten op bestaansminimum Als de voortekenen ons niet bedriegen komt minister Pais van onderwijs en wetenschappen binnenkort met een studiefinancieringsstelsel dat een aanzienlijke verslechtering inhoudt van het studenteninkomen. Hij schijnt het stelsel direkt te willen koppelen aan zijn plannen voor een vierjarige kursusduur. Alle studenten onafhankelijk van de ouders, en toch geen geld extra uittrekken; dat is de doelstelling die hij zich heeft gesteld. Het is al jaren sukkelen met de studiefinanciering. Jaarlijks blijft het studenteninkomen achter bij de prijsstijgingen. Dit jaar steeg de maximumbeurs met slechts 2.75 procent. De maximumbeurs ligt ongeveer drieduizend gulden beneden het bijstandsbedrag en bijna tweeduizend gulden onder het vrij minimale budget voor een student. Daarbij komt dan nog dat slechts enkelen een maximumbeurs ontvangen. De overigen krijgen of minder of moeten hun inkomen op een andere manier waarborgen. Kinderbijslag, studenten-assistentschap, ouderlijke bijdragen zijn de aangewezen bronnen. Een zeer ingewikkeld en onvoldoende studiefinancieringsstelsel dus. Stapels nota's met interessante schema's, uren vergaderen, zijn al aan het probleem gewijd. Vele kommissieleden hebben al dikke onkostendeklaraties op hun giro gestort gekregen. Het verhaal van het achterwege blijven van een studiefinancieringsstelsel: de geschiedenis van de ontelbare kommissies en lege beurzen. „Een voorwaarde voor het, suksesvol, invoeren van de tweefasenstruktuur is wegnemen van de financiële drempels die in het huidige studiefinancieringsstelsel zitten". IP deze strekking liet de Akademische Raad zich in april van dit jaar uit bij een eerste behandeling van de plannen van minister Pais voor het universitair onderwijs. Inmiddels heeft de Akademische Raad afstand genomen van die plannen, wat niet wegneemt dat de onvrede over het huidige, ingewikkelde, studiefinancieringsstelsel blijft bestaan. Minister Pais zegde toe zo snel mogelijk, nog dit jaar, met zijn plannen voor verbetering van de studiefinanciering te komen. Inmiddels zijn we enige maanden verder en is er veel geschreven en gezegd door de minister, maar zo goed als niets over een nieuw stelsel. Onlangs deelde de voorzitter van de kommissie studentenvoorzieningen mee, dat het nog wel enige maanden kon duren voordat er een nieuw plan op tafel ligt. Het op tafel leggen van een nieuw plan betekent overigens nog lang niet dat er ook daadwerkelijk iets zal veranderen; dat mag wel blijken uit de geschiedenis van de studiefinanciering. Het meest konkrete voorstel dat nu ter tafel ligt, is afkomstig van het vorige kabinet. Het staat bekend onder de naam, „het plan-Klein". De staatssekretaris publiceerde dit plan in 1974, maar is aan een uitweriang ervan nooit toegekomen. Volgens Klein zou de studiefinanciering uit drie eenheden moeten worden opgebouwd, ledere student zou recht hebben
Telefoontje De stelselmatige verslechteringen in het bestaande systeem van studiefinanciering brengen steeds meer studenten in financiële moeilijkheden. De Centrale Directie Studiefinanciering van 't ministerie van onderwijs wordt regelmatig met klachten overstroomd. Ongeveer een jaar geleden pleegden wij een telefoontje naar deze ministeriële afdeling. Wordt u niet moedeloos, als u al die ellendige verhalen aanhoort? De funktionaris aan de andere kant van de lijn: „Inderdaad. We hebben al diverse malen een seintje gegeven aan de top van het ministerie dat het zo niet langer kan. Maar tot nu toe vergeefs. Het is nu eenmaal politiek niet aantrekkelijk om nu iets te doen aan de studiefinanciering."
Simon Vink op een basisbeurs; genoemd werd een bedrag van 3790 gulden. Afhankelijk van het inkomen van de ouders zou dan nog een extra beurs verschaft kunnen worden. De derde eenheid leverde een storm van kritiek uit de studentenbeweging: studenten kregen de keus tussen, door de overheid gegarandeerde rentedragende leningen of ouderlijke bijdragen. In principe erkende Klein met zijn stelsel, dat studenten onafhankelijk van hun ouders moeten zijn. In de praktijk zou dit uitgewerkt moeten worden via rentedragende leningen, die enorme schulden voor de aankomende akademikus met zich mee brengen. Klein beargumenteerde dit als volgt: „Het is duidelijk dat voor de studenten zelf de ontwikkeling van hun kapaciteiten een reëel belang vertegenwoordigt. Daarbij gaat het niet alleen om het hogere inkomen van de afgestudeerden, maar ook om de immateriële resultaten van de studie".
Loterijbriefje Met name het idee van rentedragende leningen roept diskussie op. In een rapport van de Internationale Arbeids Organisatie over werkloosheid onder akademici wordt erover opgemerkt: „De vraag naar hoger onderwijs is geen werkelijke vraag in de ekonomische zin, maar een claim op een vrij goed, een loterijbriefje dat hoge inkomsten kan ople\eren. Als een systeem van studieleningen wordt ingevoerd, zullen studenten zorgvuldiger overwegen of het de moeite waard is zo'n lot te kopen, vooral tegen de achtergrond van de toenemende werkloosheid..". De huidige minister van sociale zaken, prof. dr. W. Albeda, ziet dat ook onmiskenbaar als een voordeel. In 1975 mocht Albeda, toen nog rektor van het Instituut Bedrijfskunde, een „wetenschappelijke bijdrage" leveren aan het Onderwijsverslag van het ministerie van onderwijs. Onderwerp: onderwijs en arbeidsmarkt. Een betere afstemming van het wetenschappelijk onderwijs op de arbeidsmarkt zou volgens deze hoogleraar zeer wel mogelijk zijn middels een systeem van studieleningen. Studies met weinig beroepsperspektief zullen dan immers minder studenten trekken. Overigens zag Albeda wel een nadeel: „Het terugbetalen van de studiekosten drukt zwaarder op kinderen uit de gezinnen van de lager dan van de hoger betaalden. De toch al belangrijke voordelen van een geboorte uit rijke ouders worden hierdoor nog vergroot". Maar, Albeda zag
nu eenmaal ook voordelen en dus hield hij het op studieleningen.
kinderbijslag- en aftrekregelingen gebruikt, komt hij toch nog 70'n 500 miljoen gulden te kort.
LOG-nota
Om die reden werd waarschijnlijk direkt na het uitlekken van het gerucht in alle toonaarden op het ministerie ontkend, dat er sprake zou zijn van het bovengenoemde plan. Dit ontkennon betekent niet dat er geen kern van w^aarheid in het gerucht zou steken.
Het plan-Klein is nooit in een uitvoeringsfase gekomen. Het Landelijk Overleg Grondraden (LOG) plaatste tegenover het plan-Klein een eigen plan: de LOG-nota. De titel daarvan was ,.Elke student een eigen inkomen". Centraal in dät plan staat de onafhankelijkheid van de ouders. Uitgegaan wordt van een basisbeurs (in 1977 van 6000 gulden) voor elke studerende boven de achttien jaar. ledere student zou dan renteloos bij de overheid kunnen bijlenen, zodat hij in totaal tot een bedrag, wederom in 1977, van 10.800 gulden komt. Dat bedrag zou jaarlijks moeten stijgen, zodat een waardevast inkomen ontstaat. Het LOG stelt duidelijk dat het gaat om een tussentijds plan; uiteindelijk wil men komen tot een integrale studiekostenvergoeding. Jaarlijks zou de basisbeurs opgetrokken moeten worden, tot uiteindelijk het gedeelte van de lening weggevallen is.
ISO De meer behoudende studentenorganisatie, het Interuniversitaire Studenten Overleg (ISO), heeft een eigen studiefinancieringsplan ontwikkeld. Ook in dit stelsel wordt uitgegaan van een basisbeurs en een leninggedeelte (ook renteloos), ledere student zou, ongeacht het inkomen van de ouders, een zelfde bedrag krijgen. Het ISO meent dat iedere student verplicht is om een lening af te sluiten. Terugbetalingen zouden in een speciale pot terecht moeten komen, van waaruit nieuwe leningen betaald kunnen worden. Behalve deze drie konkrete plannen is er nog het plan-Van Dijck, genoemd naar de Tilburgsfe rektor magnifikus. Deze ziet zijn plan overigens meer als een aanvulling op het planKlein. Van Dijck meent dat het grootste probleem de inschrijvingsduur is. Studenten die langer dan de curriculumduur studeren, leggen geen groter beslag op de onderwijsvoorzieningen dan studenten die precies op schema blijven. Het probleem komt echter bij het gebruik van de studentenvoorzieningen. Van Dijck stelt voor om per inschrijvingsjaar een bedrag (bestaande uit basisbeurs, extra beurs en eventuele rentedragende lening) bij te schrijven op een rekening-courant. Als een student zeK verdient, wordt dat bedrag gekort op de uitkering. Het resterende gedeelte wordt overgeboekt naar het volgend jaar. Per jaar mag de student niet meer dan een bepaald maximum opnemen. Op deze wijze wordt tegemoet gekomen aan studenten die door zelf te werken in hun inkomen voorzien. Werkstudenten verliezen immers de nodige tijd in hun studie. ~
7000 gulden En wat vindt nu minister Pais? Bij de overhandiging van het ISO-plan schijnt hij zich te hebben laten ontvallen, dat h g dacht aan een basisbeurs van 7000 gulden. Indien een student meer geld wil hebben, zou een rentedragende lening daartoe de mogelijkheid scheppen. Dit plan zou Pais in strijd hebben gebracht met de vereiste budgettaire neutraliteit. Als hij voor de financiering van dit systeem het bedrag aan rijksstudietoelagen en de verschillende
Andere informatie wijst erop dat Pais inderdaad denkt aan een bedrag van 7000 gulden per
jaar. Dat bedrag zou opgebouwd worden uit een beurs en een renteloos voorschot. Een student die over meer geld wil beschikken, kan eventueel rentedragend bijlenen. Nieuw element is dat Pais de studiefinanciering zou willen koppelen aan de curriculumduur na de herstrukturering volgens de tweefasenstruktuur: een student heeft slechts vier jaar recht op een rijksstudietoelage. Het is zeer aannemelijk dat op deze wijze de budgettaire neutraliteit daadwerkelijk gehaald wordt; het huidige maximum bedraagt al 9340 gulden (exklusief kollege- en inschrijfgeld). Het door de Raden van Arbeid gehanteerde bedrag voor het Studentenbudget bedroeg over het vorige studiejaar 11.500 gulden. Pais stevent dus kennelijk at op een minimum inkomen voor de studenten. (GUPD. Wagenings hogeschoolblad)
'Propaganda'geweerd, diefstal, vroegtijdig einde
Deining rond DDR-boeken De vorige week dinsdag geopende expositie over boeken uit de DDR heeft niet alleen een vroegtijdig einde gekregen maar bovendien voor enige zoals het CvB dat noemt „turbulentie" gezorgd. Eerder dan de bedoeling was besloot de Vereniging NederlandDDR, die samen met de subfaculteit duits de tentoonstelling had georganiseerd deze zaterdag op te breken omdat op de eerste de beste dag er al zeker 50 boeken bleken te zijn gestolen. De drummer van het bandje dat de zang van enkele passende Brechtliederen begeleidde bij de opening kon zo vanaf zijn plaats zien hoe bezoekers fraai uitgevoerde drukwerken via de grijpgrage vingers in de handige door de Vereniging Nederland-DDR voor andere doeleinden ter beschikking gestelde plastic zakken lieten glijden. Elke dag tot 12 uur 's nachts de boel bewaken vond de Vereniging te dol en daarom bcssloot zij de biezen te p a k k e n ook al om te voorkomen, dat er voor de VU zelf, die de boeken kado kreeg onvoldoende zou overblijven. Maar er gebeurde meer rond dit „turbulent" tentoonstellingsgebeuren. Verschillende bezoekers en niet in 't minst 't CvB-lid De Niet en rector Verheul toonden zich verrast over het naar hun smaak als politieke propaganda te karakteriseren informatiemateriaal bij de opening: exemplaren van het periodiek Nederland-DDR, buttoms „Gegen die Neutronenbombe" en „30 jaar DDR", plastic tasjes met 't zelfde opschrift. Slecht vielen ook enkele borden met daarop een tekst waaruit bleek hoe krachtig de DDR zich altijd van fascisme en nazisme heeft gedistancieerd met een foto van één van de Gedenkmale. Dat is politiek, vonden De Niet en de nog net voor het eind van de opening uit Den Haag gearriveerde Verheul. Wat heeft dat nu met een boekententoonstelling van doen. Borden, speldjes en 'n dag later ook nog genoemde periodieken, weg ermee. En in een boze brief aan organisatie-coördinator Labroisse verweet het college dat deze lector Verheul er niet tevoren van had verwittigd, dat de UvA en de Leidse universiteit dezelfde expositie eerder hadden „afgewezen"! De UvA had als voorw^aarde gesteld, dat er tegelijkertijd met deze expositie cén met dissidente lectuur (die ontbrak op de VU) werd tentoongesteld wat de Vereniging Nederland-DDR zei niet te kunnen maken tegenover de DDRregering. Waarmee de zaak niet kon doorgaan. Leiden had geweigerd omdat men daar vreesde dat de DDR politieke munt zou slaan uit het feit, dat een expositie zonder dissidenten in Nederland werd geaccepteerd (de DDRschrijver Heym had juist een boete gekregen omdat hij een boek van hem in het Westen had gepubliceerd zonder het eerst in de DDR zelf te proberen (wat waarschijnlijk niet gelukt was i.v.m. het kritisch karakter ervan). De VU had echter vorig jaar (ver vóórdat UvA en Leiden zich terugtrokken) al toestemming verleend zonder voorwaarden te stellen. Coördinator Labroisse vindt de voorwaarde, die de UvA stelde niet erg beleefd én ontactisch. Zo kom je nooit tot een confrontatie met de DDR over zijn dissidenten. Daarom was al vo-
rig jaar de afspraak gemaakt dat er tegelijk met de expositie een hoogleraar en een schrijfster uit de DDR zouden komen voor een openbare diskussie over o.a. ook dissidenten-literatuur. De hoogleraar iieeft zich inmiddels ziek gemeld en de schrijfster is ook niet gekomen. Voor volgend jaar zijn er nu een vooraanstaande Germanist en 'n schrijver toegezegd. Met een projektgroep doet Labroisse onderzoek
Een van de sprekers bij de opening: de DDR-ambassadeur. over moderne DDR-literatuur. De subfaculteit duits stond in al z'n nivo's achter de zo geconditioneerde expositie en wist ook van de eerder door de UvA en Leiden ingenomen standpunten. De problemen begonnen eigenliik pas goed omdat de vorige rector Schenkeveld gevraagd was de expositie, die ook door de ambassadeurs VEin de DDR en USSR werd bijgewoond, te openen. Waarmee de expositie niet langer alleen de versintwoordelijkheid van de subfaculteit was. De nieuwe rector Verheul liet zich wat haastig (10 minuten) mondeling informeren zonder dat Labroisse de problemen op de andere universiteiten in die luttele minuten ter sprake bracht. Verheul kreeg ook een dossier met principiële overwegingen. Overigens vindt ook Labroisse dat de entourage rond de boeken wel wat soberder had kunnen zijn maar hij begrijpt niet waarom die borden over de opstelling tegen het nazisme wegmoesten. In zijn brief geeft het CvB overigens wel toe dat de DDRlitteratuur Ln een politieke context staat. Maar op zo'n expositie hoeft niet duidelijk gemaakt te worden „hoe goed de DDR wel is", vindt De Niet. (J.K.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's