Ad Valvas 1979-1980 - pagina 129
AD VALVAS — 2 NOVEMBER 1979
5
Grote teleurstelling teleurstelling^ over afwijzing door bestuur medische medisc faculteit van participatie interuniversitair proefdierencentrum
in
getreden zijn deze apen uiterst schaars en misschien zelfs wel hun gewicht in goud waard. Al thans daar komt hun prijs on geveer op neer.
Accommodatie proefdieren proefdie op VU onvoldoende Voor de VU lijkt de kans verkeken te zijn in de afzienbare toe komst via daadwerkelijke participatie in het geplande interuniver sitair Proefdierencentrum (B ij het nieuwe Academisch Medisch Centrum in de Amsterdamse B ullewijk) te kunnen gaan beschik ken over huisvestingsvoorzieningen voor proefdieren, die aan de eisen van de moderne tijd beantwoorden. Aldus dr. H. A. B rouwer, hoofd van het centraal laboratorium voor experimentele genees kunde aan de VU in het jaarverslag over 1978 waarin hij de hevige teleurstelling bij de gebruikers van zijn laboratorium onder woor den brengt over met name de afwijzing door het faculteitsbestuur van de medische faculteit van deelneming in dit interuniversitair proefdierenverblijf. In het centraal laboratorium wordt geëxperi menteerd door de klinische afdelingen van het VUziekenhuis en de subfaculteit Tandheelkunde, die hier ook hun proefdieren huis vesten. De afdelingen van de medische faculteit beschikken door gaans over eigen experimenteerruimte en huisvesting voor de proefdieren. „Zien, dat allerwege de zorgzaamheid rondom proefdier en dier proef toeneemt, dat het proefdier steeds meer ook met wettelijke bescherming wordt omringd en dat desondanks het maar niet wil lukken de faciliteiten op de VU naar het niveau van het laatste kwart van de twintigste eeuw te tillen is geen plezierige erva ring", zo schrijft dr. B rouwer, die eraan toevoegt, dat achterliggen bier leidt tot achteruitlopen. Het faculteitsbestuur heeft de belangen van het dierexperi menteel onderzoek op de VU alsmede die van de bij dat on derzoek betrokken proefdieren hiermee niet „de best denkbare dienst bewezen". Dr. Brouwer heeft nu bijna het tweede lus t r u m van zijn bemoeienissen met de voorbereidingen van een proefdierenverblijf voor de VU, aanvankelijk intrauniversitair, later ook interuniversitair en in samenspraak met het ministerie van Onderwijs gehaald. Door een veelheid van oorzaken — variërend van beleidsfouten tot praktische tegenslagen — is de ene mogelijkheid tot realise ring van de plannen na de an dere de mist ingegaan. In hoe verre dit konsekwenties zal hebben voor het verrichten van dierexperimenteel onderzoek, het op moderne wijze verzorgen van proefdieren en het beoefe nen der proefdierkunde schrijft Brouwer nog niet te kunnen voorspellen. Nu resteert alleen nog maar de mogelijkheid van de voorzienin gen voor proefdieren in het AMC gebruik te maken in inci dentele gevallen, dus als cliënt. Hiervan zal voor wat betreft het werkgebied van het laborato rium van dr. Brouwer — binnen de financiële mogelijkheden — maximaal gebruik worden ge maakt. Of dit zal resulteren in een andere wijze van samen werken (participatie) is echter in nevelen gehuld, zo consta teert de rapporteur.
Jaap
Kamerling
dus Brouwer. Het periodiek ont ruimen van de stal voor ont smetting werd daardoor onmo gelijk. Omdat het laboratorium niet beschikt over enigerlei voor ziening tot quarantering placht het lab altijd strikt de hand te houden aan de princi pes, dat a. zo weinig mogelijk honden tegelijkertijd in huis worden gehouden en b. de ver blijfsduur per dier tot het on vermijdelijke minimum wordt beperkt. Ook werd één of twee maal per jaar de hondenstal ge heel ontruimd — bevriende af delingen verschaften dan wel willend logies — om grondig ge reinigd en ontsmet te worden. Daarbij rijzen dan natuurijk vragen als: „welk aantal is ge ring" en „welke verblijfsduur kort". De antwoorden hebben dan wat arbitrairs maar tot en met 1976 luidden zij: 10 ä 15 dieren en 3 ä 4 w^eken. „Wij konden ons dat veroorloven om dat we totdien overwegend zo geheten „acuut" onderzoek had den: onderzoek waarbij het proefdier in experiment wordt opgeofferd. In 1977 echter kwam de veran dering: door méér onderzoek méér honden tegelijkertijd én: verblijfsperiodes, die zich wel tot l a 11/2 jaar konden uitstrek ken. Brouwer betreurt het, dat de accommodatie in het labora
Hygiëne bij proefhonden een groot probleem Dr. B rouwer wijst vooral op de grote hygiënische problemen, die door de huidige onvoldoen de huisvesting van met name de proefhonden ontstaan. Met angst kijkt hij naar de toekomst. Gelukkg zijn in 1977 en 1978 ca lamiteiten — onderlinge be \ smetting van de honden — uit gebleven maar „wij leven op een vulkaan, die ieder ogenblik tot uitbarsting kan komen en, al is het op de hellingen van Ve suvius en Etna tot de normale levensomstandigheden gewor den, rustig is 't nooit en zeker ervaren wij het als onplezierig. En bovendien volstrekt onno dig". In het dierenverblijf van de honden is het steeds moeilijker de hygiëne op het gewenste ni veau te handhaven omdat er sinds 1977 door uitbreiding van liet onderzoek meer honden te gelijkertijd in het verblijf aan wezig zijn maar — wat ernsti ger is — veel dieren langer in onderzoek respectievelijk obser vatie moeten blijven. De perio den daarvan kunnen zich uit strekken tot 1 a iy2 jaar. De ge varen daarvan zijn duidelijk al
torium op diverse punten niet zo is als zij zou moeten zijn en dat het er ook niet naar uit ziet, dat daarin in de afzienbare toe komst een wending ten goede zal komen. Hij hoopt, dat de noodsignalen „die wij niet zullen stoppen in woord en geschrift uit te zen den" nog eens „oor en oog zul len treffen van goedwillende en invloedrijke" personen. Dat de gezondheidstoestand van de dieren uitgaande van het totaal aan proefdieren toch nog een bevredigend beeld te zien gaf in 1978 is volgens Brouwer meer dan ooit tevoren te danken aan de niet aflatende inspanningen van de dierverzorgers van het laboratorium.
Mogelijkheden
uitbuiten
Hoewel men op het laborato rium wel eens moedeloos wordt over het uitblijven van een be tere accommodatie wordt de hoop toch niet opgegeven. De mogelijkheden tot samenwer king binnen de universiteiten en — wat op zijn minst de voor keur .Jieeft — daarbuiten — blijven staan. „Het wil er bij
ons niet in, dat die mogelijkhe den niet zouden kunnen worden uitgebuit en zouden kunnen lei den tot het toch door iedere be langhebbende en belangstellen de gewenste doel", zo schrijft de heer Brouwer, wiens jaarver slagen steeds weer uiterst boei ende lektuur vormen, niet al leen omdat de schrijver geen blad voor de mond pleegt te ne m.en maar ook omdat zijn schrijftrant het vermogen tot enige zelfspot verraadt en vaak ook humor al staat deze in een wat navrante context. Het opmerkelijke hierbij is, dat ondanks de wat lichtvoetige stijl nooit de indruk wordt verzwakt dat de belangen van het proef dier zelf dr. Brouwer sterk ter harte gaan. Het zeer leesbare verslag heeft dit jaar een nieuwe verschij ningsvorm, die overzichtelijk is en goed hanteerbaar. Een vignet siert de omslag van het druk werkje voor het vervaardigen waarvan de rapporteur het AVC veel lof toezwaait. Het vig net toont een proefdier (een muis) met daarboven een be schermend uitgestrekte hand. De cynicus zou echter kunnen opmerken, dat dezelfde hand, in beweging komend, juist tegen de haren van de muis zou in strijken maar we weten, dat er in het laboratorium vooral met naakte, onbehaarde muizen wordt gewerkt, dus is deze op merking buiten de orde.
De minister kwam met een aan tal vragen over de „vivisectie" — een volgens Brouwer ongun stig beladen on volstrekt on juiste term — zoals die binnen de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs wordt bedre ven. Brouwer vond het allemaal wat vreemd omdat er m het zelfde jaar door een andere mi nister, die van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, eon advies kommissie was ingesteld, die moest gaan adviseren over de toepassing van de wet op de dierproeven waarmee een eer ste stap werd gezet op de weg van rechtskrachtverkrijging van een aantal wetsartikelen. Minister Ginjaar bestrijkt met zijn verantwoordelijkheid het hele gebied van de dierproeven en minister Pais slechts een deel. Ook deze kommissie 7al wel met een enquête komen, verwacht Brouwer, die het daarom maar wat merkwaardig vindt deze gang van zaken.
De instituten, die deze apen fokken, hadden eerder op de nieuwe wet moeten anticiperen. Die was immers al jaren in de maak en de prijs liad dan op een meer aanvaardbaar niveau gelegen. Overigens werd er in 1978 een Rhesusaap op de VU geboren on zelfs 6 Marmosets. Reden waarom voor wat de laatste betreft anticonceptieve maatre gelen werden getroffen. Van deze apen kon in 1978 onvol doende gebruik worden ge maakt. l'Tet het eigen onderzoek van het laboratorium werden in 1978 geen vorderingen gemaakt. In 1976 begon men met dit on derzoek, dat als doel heeft de verbetering in de mogelijkhe den tot opsporing en diagnosti sering van afwijkingen in de funktie van het pancreas. Dit in ramenwerking mot de afdeling Nucleaire geneeskunde van het AZVU en het Radio Nucliden Centrum De technische moei lijkheden zijn nu wel bijna overwonnen maar het RNC heeft nog steeds niet de hand kunnen leggen op een mede werker, die m de huidige fase
..' i I i<^
j(S0^
:
' f
Personeel heeft het zwaar Behalve het ruimteprobleem schetst B rouwer ook het pro bleem van de belasting van de dierverzorgers, die mede door het toenemende onderzoek en de slechte accommodatie erg zwaar is geworden. Daar komt bij, dat zij voor het eerst sinds enige jareil geen beroep moch ten doen op uitzendkrachten. Lof daarom voor het personeel, dat geen moeite teveel was. En dan het financiële probleem. Was 't tot en met '77 steeds ge lukt de uitgaven binnen de toe gewezen middelen te houden, in ""8 kwam daarin verandering. .\anzuivering van 't tekort uit de reserve bleek echter moge lijk. Inmiddels wordt wel de kans op diskrepanties tussen inkomsten en uitgaven steeds groter. In het verslagjaar is ook een symposium over het experimen teren met dieren „waarom wel", „waarom niet" gehouden. Het hele instituut kreeg daar een dag vrij voor. Brouwer moet constateren, dat het „waarom niet" te weinig aan bod kwam. Op het symposium werd er dan ook op aangedrongen in de naaste toekomst een symposium te organiseren waar de dier proevenafwijzendegroep daad w^erkelijk aan het woord komt. De organisatoren waren daar in principe wel toe bereid maar konkrete toezeggingen werden niet gedaan.
i
. 'Ju.
i ~
Ratten, hamsters en muizen in een en dezelfde ruimte van het Centraal Laboratorium voor Experimentele Geneeskunde aan de VU. Verschillende proefdiersoorten in één ruimte is niet bepaald hygiënisch en zou eigenlijk niet m,oeten, vindt de heer Brouwer, hoofd van het lab. De enquête van Pais viel bij de instellingen daarom niet in zeer vruchtbare bodem. Er waren in stellingen die dan ook uiterst summier reageerden. Zo niet de VU, die dit naar verhouding uit voerig deed. Brouwer breekt ook nog even de staf over het op de enquête volgende rapport van minister Pais, dat even haastig was op gesteld als de enquête en we melde van taal, stijl en druk fouten. In elk geval stond er ook in, dat in de toekomst sa menwerking tussen de beide mi nisters in deze materie zal wor den nagestreefd.
Zeven apen geboren Dan nog even een overzichtje van de proefdieren waarmee in 197S werd gewerkt. Op het la boratorium vormen de ham sters, ratten, muizen en konij nen de grootste categorieën: resp. 1600, 1500, 600 en 300. Er werden ruim 1200 hamsters ge
Enquête Pais haastig in elkaar geknutseld ^Vat overvallen voelde B rouwer zich door de „haastig en zonder noemenswaardige, althans con stateerbare, adviezen van des kundigen in elkander geknut selde" enquête naar dierproe ven, die minister Pais, zelf ve getariër, in 1978 plotsklaps naar de instellingen toestuurde. De minister moet volgens hem door emotionele kranteberichten zijn geïnspireerd terwijl hij ach ter zijn stap ook politieke oog merken vermoedt.
\
richt gekweekt, 500 ratten, eni ge tientallen muizen en onge veer 50 konijnen. Daarnaast verblijven op het la boratorium 80 honden, 100 ca via's, 20 schapen, 5 kippen, 20 Rhesusapen en 24 Marmosets (ook een apesoort). liet werken met Rhesusapen blijft, aldus Brouwer, een moeizame ge schiedenis. Sinds de Wet B e scherming Uitheemse Diersoor ten — overigens een zeer goede wet, vindt hij — in werking is
van het onderzoek onmisbaar is. Eind 1978 is er opnieuw een verzoek om aanstelling van zo'n funktionaris aanhangig ge maakt.
Kommentaar faculteitsbestuur We vroegen tenslotte aan het faculteitsbestuur van de medi sche faculteit om kommentaar op de teleurstelling, die dr. Brouwer uitspreekt over de af wijzing van de participatie van de VU in het interuniversitaire (UvA, Leiden en VU) proefdie renverblijf in het A cademisch Medisch Centrum van de UvA . Dr. ir. F. Schutte, secretaris van het faculteitsbestuur vindt het prima, dat er een interuniversi tair proefdierencentrum komt, Daar zullen we zeker gebruik van maken maar dan in de stal lingssfeer en op betalmgsbasis. Dat is wat anders dan partici patie. A ls Brouwer zegt, dat hem thans slechts nog de moge lijkheid van incidenteel ge bruik, dus als cliënt, resteert ben ik dat met die „konklusie" (die Brouwer dan tegen zijn zin trekt) eens. Schutte zegt, dat er alleen be hoefte is aan wat additionele huisvesting en hij heeft het dan over de behoeften van de afde ingen van de medische facul teit. Er heerst daar volgens hem geen ontevredenheid over de si tuatie rond de proefdieren. In principe kan men volstaan met de bestaande voorzieningen. Voor maar een klein aantal die ren bestaan er huisvestingspro
Vervolg op pagina 6
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's