Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 427

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 427

10 minuten leestijd

9

AD VALVAS — 23 MEI 1980

Yogya-commissie natuurkunde/sterrenkunde VU over samenwerkingsprojekt: 7onder werkelijk inzicht in de aciitergronden is juist beeld vrijwelonmogelijk'

Kernfysische research in Indonesië wel wat anders dan in het Westen' Het samenwerkingsprojekt van de subfakulteit Natuurkunde en Sterrenkunde met de afdeling Natuurkunde (Bagian Fisika) van de Gadjah Mada Universiteit (U.G.M.) te Yogyakarta heeft de afgelopen tijd nogal in de belangstelling gestaan. De sociaal-geograaf Gerrit Jongkind suggereerde in zijn doctoraal-scriptie over de samenwerking tussen de VU en de U.G.M, dat het projekt iets te maken zou k u n n e n hebben met de mogelijke ontwikkeling van kernenergie of zelfs een kernbom in Indonesië. Projektverantwoordelijke dr. J. Rethmeier noemde dat 'absurd' (Ad Valvas 11 april j.1.). De Projekten die VU-natuurkundigen sinds 1971 aan de U.G.M, uitvoeren richten zich volgens hem slechts op staftraining ('upgrading'), op het opvijzelen van de Bagian Fisika tot een instelling waar goed natuurkundeonderwijs wordt gegeven. In het onderstaand artikel gaat de zgn. Yogya-commissie, de begeleidingscommissie van de subfakulteitsraad Natuurkunde a a n de VU, uitgebreid in op het projekt, de resultaten tot dusver en het belang ervan. De Yogyacommissie bestaat uit de wetenschappelijk medewerkers D. Spaargaren, W. Hogervorst, P. Blankert, J. Rethmeier, de technici F. Mul en W. Roda en de student H. van der Zant. De samenwerking tussen de subfaculteit Natuurkunde en Sterrenkunde met Bagian Ksika speelt zich in grote openheid af. Er zijn echter enkele redenen om een zekere terughoudendheid te betrachten bij het ter inzage geven van de Projektdossiers. In de eerste plaats omdat het in de praktijk vrijwel onmogelijk is gebleken in de projektcorrespondentie strikt zakelijke en persoonlijke informatie van elkaar te scheiden, zodat de grootst mogelijke zorgvuldigheid en voorzichtigheid in acht moet worden genomen. Een tweede reden tot enige terughoudendheid is de vrees dat het ter inzage geven van de dossiers aan niet-deskundigen zonder kennis van feiten en achtergronden tot onjuiste beeldvorming kan leiden. In de 10-jarige praktijk van dit projekt IS dit namelijk tal van keren gebleken. By de beoordelingsprocedure van het projekt bleek voor natuurkundigen met enige ervaring in ontwikkelingswerk extra toelichting noodzakelijk om tot een juist beeld van de situatie te komen. Mede daardoor zijn we erin geslaagd Nuffie te overtuigen van het belang van deze samenwerking, waarbij een belangrijke rol gespeeld hebben de positieve adviezen van deskundige fysici met ontwikkelingservaring in Vietnam.

Onjuiste beeldvorming Waardoor ontstaat dan deze onjuiste beeldvorming? In wezen is het de moeilijkheid om een situatie, die fundamenteel niet westers is, aan

westerlingen duidelijk te maken. Een stuk van de problematiek ligt in de interpretatie van de gebruikte taal. Alle officiële stukken, zoals bijvoorbeeld het 'plan of operations' worden in onderhng overleg door beide partners samengesteld. Het is vrijwel onmogelijk woorden en termen te vinden die zowel in Nederland als Indonesië de juiste inhoud en gevoelswaarde hebben. Een argeloos lezer realiseert zich niet dat deze stukken worden geschreven in een terminologie die alleen dan op waarde getaxeerd kan worden als men de feitelijke, locale toestand kent. Bij termen als onderzoek en research zal de lezer bijna automatisch geneigd zijn te denken aan onze dure, moderne en westerse apparatuur, welomschreven en diepgaande researchprojekten e.d. Niets is minder waar, in de praktijk moet veelal met de meest eenvoudige hulpmiddelen toegewerkt worden naar zinvolle praktische toepassingen, ingepast in het onderwijsgebeuren van de universiteit. Als gesproken wordt over kernfysische research, dan betekent dit bijvoorbeeld niet de aanschaf van dure deeltjesversnellers (zoals in het Westen), maar wel dat men toewerkt naar een toepassing van meetmethoden uit de kernfysica op de eigen situatie, zoals vulkaanbewaking en voorspelling van aardbevingen. Als gesproken wordt over Ph-D opleiding, afgerond met een proefschrift, betekent dit niet dat op westerse wijze research uitgevoerd is, maar wel dat men er in de plaatselijke situatie in geslaagd is op zelfstandige wijze met kritisch inzicht

Leuk voor later Vijftien gewone werkdagen uit de tijd toen de VU lionderd werd Een eeuwfeestfotoboek dat u niet mag missen!

%

Verkrijgbaar in de VU-boekInandel voor maar ƒ7,50

bepaalde problemen op te lossen. Zonder een werkelijk inzicht in deze achtergronden is het vrijwel onmogelijk zich een juist beeld van de situatie te vormen.

Aciitergronden De situatie van de natuurkunde in Indonesië is verre van florissant te noemen. De oorzaak daarvan is o.m. terug te voeren naar de Nederlandse tijd. Het land bezat bij het verkrijgen van zijn onafhankelijkheid geen enkele fysicus (3 chemisch ingenieurs, geen enkele chemicus en slechts 1 wiskundige). Ruim 25 jaar later bleek uit een rapport van de Indonesische Natuurkundige Vereniging (1976) dat het land op dat moment ongeveer 25 gepromoveerde natuurkundigen (of van vergelijkbaar niveau) heeft op een totaal van ongeveer 200 gekwalificeerde natuurkundigen en natuurkundig ingenieurs, bij een totale bevolking van 135 miljoen. Van genoemde 200 fysici is volgens het rapport ongeveer 50% in het onderwijs werkzaam. Naast I.T.B. (Technische Hogeschool Bandung) is de Universitär Ga(ijah Mada de belangrijkste leverancier van natuurkundigen. U.G.M, is één van de 5 belangrijkste universiteiten en telt ongeveer 16.000 studenten. De afdeling natuurkunde bezit er daarvan een kleine 250, terwyl voor ongeveer 1.200 studenten uit andere fakulteiten natuurkunde kolleges en praktika verzorgd worden. Hiervoor stond in '70 een staf ter beschikking van ongeveer 15, die uitgegroeid is tot nu ca. 30 medewerkers. De afdeling natuurkunde van de Vrije Universiteit kwam 12 jaar geleden in kontakt met Yogyakarta, toen een staflid van de afdeling Natuurkunde aan de U.G.M, met een beurs van de Direktie Technische Hulp van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een jaar aan de V.U. verbleef. Dit staflid vertrok met een kist apparatuur en literatuur, alsmede de toezegging dat een beroep op de assistentie door ons zoveel mogelijk gehonoreerd zou worden. Al snel kwam van de hoogleraar, prof. Baiquni, toen voorzitter van de afdeling Natuurkunde-U.G.M., het verzoek om een meer institutionele assistentie. Op verzoek van de toenmalige Commissie Buitenlandse Betrekkingen aan de V.U. bracht de V.U.-natuurkundige dr. J. Rethmeier, eind 1969 een oriëntatiebezoek van 7 weken aan de U.G.M. In een rapportage vatte hy de situatie als volgt samen: 'Door ekonomische omstandigheden en door een explosieve toename van het aantal studenten en leerlingen is de onderwijssituatie in Indonesia uitermate slecht geworden. Aan de universiteiten ontbreekt het veelal aan gekwalificeerde mankracht en uitrusting om de studenten tot het gewenste peil op te leiden. De opleiding wordt nog meer bemoeilijkt door o.a. de slechte vooropleiding van dese studenten. Uitbreiding van de staf kan in het algemeen slechts gerealiseerd worden door de aanstelling van afgestudeerden van eigen universiteiten, die eigenlijk nog lang niet toe sijn aan het vervullen van een onderwijstaak. De vorming van dese afgestudeerden vertoont een aantal merkwaardige tekortkomingen, die gedeeltelijk begrepen kunnen worden uït de onvolledigheid van hun (voor)opleiding, maar waarschijnlijk ook samenhangen met de kulturele- en sociale tradities van de Indonesische maatschappij. Zo kan men het geleerde seer goed reproduceren, maar het niet toepassen in een gevarieerde situatie. Men aanvaardt het geleerde en het waargenomene vrijwel zonder kritiek en sonder het in verband te brengen

Leden van de subfakulteit natuurkunde in Yogyakarta bezig het herstel va^ een gedeelte van de weg die naar de vulkaan Kelut leidt. Bij dese vulkaa die eens per plm. 13­15 jaar uitbarst, is men een meetsysteem (nivo krate meer, temperatuur) aan het opbouwen om erupties te kunnen voorspellen met eerder geleerde of waargeno­ men feiten/verschijnselen Men kan ook moeilijk reële plannen ontwer­ pen. Vaak IS er gebrek aan kommu^ nikatie, sowel vertikaal als horison­ taal. De uitrusting van het laborato­ rium is sodanig, dat in principe een goede kandidaatsopleiding moge­ lijk sou moetemijn. In de mechanische en elektrische werkplaatsen beschikt men over te weinig kennis, vaardigheid en hulp­ middelen om eenvoudige appara­ tuur naar behoren te bouwen en te onderhouden. Literatuur is niet in voldoende mate beschikbaar voor de studenten en stafleden om litera­ tuuronderzoek te leren verrichten. Gekonstateerd moet worden dat de aanwesige literatuur vrijwel onge­ bruikt is. Toch IS de handicap voor het goed funktioneren van de na­ tuurkunde­afdelmg het gebrek aan goede docenten en assistenten.' Met prof. Baiquni werd overeenge­ komen te trachten de vicieuze cir­ kel waarbij een laag peil der docen­ ten een laag peil van de afgestu­ deerden tot gevolg heeft, van welke afgestudeerden dan weer een groot deel (onvoldoende gekwalificeerd) staflid/docent in het onderwas wordt, te doorbreken door het ge­ ven van een training aan de junior staf van de afdeling natuurkunde, in de verwachting dat daardoor een blijvende verbetering van de on­ derwijskwaliteit van de afdeling natuurkunde verkregen zou kun­ nen worden. In deze situatie leek een direkte aanpak van de studen­ tenopleiding (byv. praktika) nog niet zinvol. Gekozen werd voor een training in Indonesia omdat dat het voordeel meebracht dat een grote groep staf­ leden tegeiy kerty d bereikt zou kun­ nen worden, terwyi toch het onder­ was aan de studenten zonder pro­ blemen gekontinueerd zou kunnen worden. Als een tweede voordeel werd ge­ zien, dat de training zou plaatsvin­ den in de kuituur en maatschappe­ lyke struktuur van hun eigen land. Later werd het belang van lokale training nog duideiyker ingezien toen bleek dat by studie in het buitenland de ontvangende instel­ ling vaak niet kan inspelen op de omstandigheden in het moederland van de uitgezondene en deze by terugkomst als het ware in een va­ cuüm terechtkomt. Er werd gedacht aan een training in experimentele natuurkunde waar­ by geleerd zou moeten worden theoretische kennis op kritische wyze toe te passen. Het beoogde peil zou tenminste dat van de Neder­ landse doctorandus moeten zyn. Research, in de Nederlandse bete­ kenis van het woord, werd nog voor lange tyd onmogeiyk geacht. Men zou over de richting daarvan na het bereiken van het vereiste nivo zelf moeten beslissen. Algemeen gesteld zou tot kritisch denken moeten worden opgeleid.

Hetprojekt Het projekt startte eind 1971 a^ NUFFIC­projekt VUA ­4. Gedu­ rende 5 jaar werden 2 gepromo­ veerde fysici en 1 instrumentma ker uit Nederlandse fondsen tei beschikking gesteld. Daarnaast was een (beperkt) materiaalbudgei beschikbaar. Voor het totale pro jekt was een bedrag van 1 miljoen gulden uitgetrokken. De Vrije Uni­ versiteit droeg de salarislasten van de instrumentmaker.

Het projekt, de resultaten en 't belang Ruim 20 personen waren voor kort­ ere of langere tyd projektdeelne­ mer. Onder hen waren naast stafle­ den van de U.G.M, ouderejaars stu­ denten die een verbintenis met de universiteit hadden aangegaan en een aantal part­time docenten (stafleden van de Indonesische Atoom Energie Commissie). De eerste 12­18 maanden waren moeiiyk, vooral ook voor de Neder­ landers. Een aantal van de beste junior stafleden had voor de start van het projekt een tydeiyke staf­ funktie by een nieuwe Maleis­tali­ ge universiteit in Maleisië aan­ vaard. De aspiraties der resterende stafleden hielden niet altyd geiyke tred met hun kunnen op dat mo­ ment. Bovendien was de motivatie om aan een intensieve training deel te nemen begrijpeiyk niet groot, zo­ lang niet goed duideiyk was welk voordeel (byv. diploma, financiën) hiermee te behalen viel. De Nederlanders moesten aanpas­ singsproblemen overwinnen. Bo­ venal was aanpassing aan en begrip voor de sociaal­kulturele omstan­ digheden en de lokale werksituatie nodig. Verder moesten zy wennen aan de typische derde wereldsitua­ tie in de natuurkunde­af deling. Een aantal stafleden had by de aan­ vang van het projekt reeds een be­ paalde experimentele taak. Deze bleek voor een deel van hen te kom­ plex. Na een aanloopfase werd daarom gepoogd te starten met een­ voudige overzichteiyke experimen­ ten, die zoveel mogeiyk uitgediept werden en waarvan de komplexiteit geleideiyk werd opgevoerd. Daarby werd er steeds naar gestreefd expe­ riment en theorie met elkaar in verband te brengen en binnen de fouten­grenzen van het experiment overeenstemming aan te tonen. Zelfs zeer eenvoudige electronica­ experimenten bezorgden een aan­

Vervolg op

pag.11

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 427

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's