Ad Valvas 1979-1980 - pagina 39
AD VALVAS —
7 SEPTEMBER 1979
15
algemeen personeelszaken verslag deelnemersvergadaring van het personeelsfonds vrije universiteit, gehouden op 30 mei 1979 klokslag 15 uur opent de voorzitter de vergadering, waarbij hij zijn teleurstelling uitspreekt over de geringe belangstelling voor het werk van het fonds, ondanks publicatie van de geplande vergadering in ad valvas d.d. 18 mei 1979 waren slechts de leden van het algemeen bestuur aanwezig.
agendapunt 1 : jaarrekening 1977 en 1978 geen opmerkingen zodat deze werden vastgesteld. agendapunt 2: samenstelling algemeen bestuur, besloten werd tot: a. hert)enoeming van de heren prof. dr. j . c. knol, dr. j . greve, en dr. w. h. a. hesselink voor de periode 1 januari 1978 tot 1 januari 1981. b. herijenoemng van de heer c. zeylemaker voor de periode 16 september 1979 tot 16 september 1982 c. benoeming van mevrouw j . m. burgerszijp, bureau post- en archiefzaken, tot secretaris van het personeelsfonds zulks
i.v.m. het aftreden per 1 juni 1979 van de heer j . g. linssen. d. het plaats hel)t)en van een bespreking . op voorfiand door de voorzitter met de heer I. walinga i.v.m. het volgens rooster aftreden van de heer h. ras. de heer walinga is als candidaat voor het algemeen liestuur voorgedragen. agendapunt 3: hiervan werd geen gebruik gemaakt. ter voldoening aan het gestelde in artikel 9 lid 2 van de statuten van het personeelsfonds doen wij hierbij rekening en verantwoording van het financieel beheer over de jaren 1977 en 1978.
balansen per 31 december /1977 en 1978 Activa leningen u/g vrije universiteit amro bank te ontv. inter.
31-12-1977
31-12-1978
71.858,41 35.789,28 22.252,16
109.375,20.067,64 23.142,32
74,~
77,-
129.973,85
passiva
31-12-1977
31-12-1978
kap. personeelsf. a.z.v.u.
129.973,85
151.086,96
152.661,96
1.575,--
129.973,85
152.661,96
. rekeningen van lasten en baten over 19771 en 978 lasten bijdragen ä fonds perdu diverse kosten voordelig saldo
1977
1978
14.823,28
6.000,391,95 21.113,11
28.471,64
27.505,06
13.648,36
[
baten contributies subsidie v.u. overige baten
1977
1978
23.813,20 2.995,1.663,44
23.072,70 2.049,20 1 3a3,16
28.471,64
27.505,06
aldus vastgesteld in de vergadering van het'algemeen bestuur op 30 mei 1979 Prof. dr. j . g. knol, voorzitter. flicten, althans de aandacht die er publiekelijk aan besteed werd, centreerden zich vooral rond zaken die het dagelijks leven van de kinderen betreffen, in dit onderzoek zijn een aantal structuurkenmeri<en gemeten aan een steekproef uit de t)esluiten zoals die in deze tehuizen plaatsvinden, deze steekproef is verdeeld in drie categorieën, drie besluitvormingsgebieden: — behandeling (bijv. handelend over theraplevormen, behandelingsplannen of intake-CTiteria); — dagelijks leven van kinderen (handelend over bijv. zakgeld, weekend-regeling, bedtijd),' — „indirecte" aangelegenheden (schoonmaakrooster, salarisuitbetaling en dergelijke besluiten). de tweede categorie betreft duidelijk het werirterrein van de groepsleiding omdat het gaat om zaken die spelen in de dagelijkse omgang tussen groepsleiding en kinderen, het zijn tevens de punten waaromheen zich de in het oog lopende conflicten centreerden, de uitkomsten met betrekking tot dit „besluitvormingsgebied" doen duidelijk de invloed zien die van de conflicten (of de aandacht die daaraan in de pers is besteed) is uitgegaan. In de eerste plaats blijken deze tiesluiten een extreem hoge centralisatiescore te vertonen; hoger dan voor tieide andere categorieën, het blijkt dat directies en zelfs besturen zich frequent bezig houden met deze besluiten, dit is des te opvallender wanneer men bedenkt dat hieraan op niveau van bestuur en directie meer aandacht wordt besteed dan aan de beleidsmatig zeer belangrijke beslissingen in de eerst genoemde categorie (behandelingsbesluiten), tenwijl het gaat om zaken die naar men mag verwachten in het directe contact tussen groepsleiding en kinderen geregeld zouden kunnen worden. angst voor negatieve publiciteit dit duidt er op dat besturen en directies zaken, die elders tot negatieve publiciteit aanleiding hebben gegeven, naar zich toe trekken, daarmee ontstaat een situatie waarin men een gewicht toekent aan zaken dat in geen verhouding staat tot de uit hulpverieningstechnisch oogpunt gewenste structuur, dit is primair het teh-ein van de groepsleiding. het heeft er dan ook alle schijn van dat op dit punt directies en tiesturen zich erg reactief opstellen, d.w.z. primair gericht zijn op het vermijden van negatieve pubifeiteit. er zijn nog andere uitkomsten die In dezelfde richting wijzen. — de besluiten die het dagelijks leven betreffen zijn steriter dan de andere tiesluitvormingsgebieden gestandaardiseerd, dat betekent dat deze t>eslissingen waar enigs'zins mogelijk op voorhand in regels en procedures zijn vastgelegd. — overieg over de te nemen beslissingen vindt op de andere besiuitvormingsgebieden frequenter plaats. — als er in een tehuis al meer aandacht wordt besteed aan het overieg met betrekking tot beslissingen over het dagelijks leven van de kinderen, dan hangt dit altijd samen met een sterkere betrokkenhekl van de directie op dit punt tenwijl er van toename van betrokkenhekl van groepsleiding geen sprake blijkt te zijn. — relatief meer overieg over de besluitvorming rond het dagelijks leven van de kinderen gaat samen met een sterkere centralisatie van de gehele besluitvorming en een toename van betrokkenheid van staf en
hoofdleiding op de gehele t>esluitvorming. — in de zgn. „niet-autonome" tehuizen (dat zijn instellingen die onderdeel vormen van een groter geheel en vaak een centraal bureau of beroeps-bestuur hebben) zijn de beslissingen met tietrekking tot het dagelijks leven nog steriler gecentraliseerd, al deze uitkomsten duiden er op dat directies de vormgeving van het dagelijks leven steri< aan zich trekken zonder dat daarvoor technologische overwegingen van doorslaggevende tietekenis kunnen zijn. nu is moeilijk te schatten in hoeverre deze uitkomsten volledig te vertdaren zijn uit de (publiciteit over) conflicten, het lijkt echter uiterst waarschijnlijk dat dit een belangrijke rol heeft gespeeld. de uitkomsten zijn frappant wanneer men zich realiseert dat het gaat om beslissingen die typerend zijn voor de residentiële hulpveriening die immers staat en valt met de dagelijkse omgang tussen groepsleiding en kinderen, juist deze beslissingen worden sterk gestructureerd vanuit de leiding van de organisatie, structuering zou acceptabel zijn — zelfs noodzakelijk, zie stelling 6 bij dit proefschrift — indien de technologische kennis voldoende is om aan te geven hoe vanuit hulpverienings-eisen het dagelijks leven moet worden gestructureerd, deze kennis bestaat echter niet (en indien die bestond zou daarvan primair blijk moeten worden gegeven in scholing en training van groepsleiding), omdat deze kennis niet aanwezig is, is het begrijpelijk dat men er naar streeft groepsleiding te professionaliseren tot een beroepsgroep waarin men eigenstandig vorm kan geven aan de hulpveriening in de dagelijkse omgang en men dus niet streeft naar groepsleiding als uitvoerders van nauw omschreven taken, de praktijk zoals die in de weergegeven uitkomsten naar voren komt, wijst echter in een tegenovergestelde richting, daarom lijkt mij-de stelling verantwoord — zij het dat dit niet als zodanig in het proefschrift is geformuleerd — dat de wijze waarop en vooral de procedure waariaiigs het dagelijks leven wordt vormgegeven, voortkomt uit andere overwegingen dan hulpverieningstechnische; overwegingen die meer lijken voort te komen uit de wens aandacht te vermijden. niet bestaand verschil een interessant — en wellicht zelfs belangrijk — punt is dat in het kader van dK onderzoek materiaal is verzameld dat op een groot aantal variabelen een vergelijking mogelijk maakt tussen „behandelingstehuizen" en „tehuizen voor nomnale jeugd", dit zijn twee door het ministerie onderscheiden categorieën kinderbeschenningsinstellingen die zich van elkaar onderschelden door een groot verschil in „verpleegprijs" (resp. ƒ 156,- en ƒ 97 per dag), de uitkomsten van deze vergelijking zijn reeds voorhanden maar zullen elders worden gepubliceerd, duidelijk is de algemene conclusie dat het grote verschil in „verpleegprijs" vrijwel niet in de hulpveriening en de organisatie (voorzover door ons gemeten) tot uiting komt. personalia robert scheerens werd op 14 juni 1944 te gouda geboren, na een opleiding tot onderwijzer te amsterdam, studeerde hij pedagogiek aan de vrije universiteit (vanaf 1966). vanaf 1968 was hij weriaaam als student-assistent bij de vakgroep ontwjkkelingspsychokjgie, pedokigie en speciale pedagogiek van de vu; na het behalen van het doktoraal-examen (december 1971) is hij weriaaam als wetenschappelijk medewerker bij dezelfde vakgroep, in deze funktie houdt hij zich vooral
bezig met organisatiekunde toegespitst op hulpverleningsorganisaties, van 1975 tot 1978 is hij wertaaam als direkteur van het leids universitair kankercentrum terarijl hij gedurende dezelfde periode deeltijds aan de vu verix>nden t>liift. sinds 1978 is de heer scheerens werkzaam als direkteur van het research instituut voor de toegepaste psychokigie te amsterdam. het adres van de promovendus luidt: buikstoterdijk 220, 1025 wd amsterdam.
van opvattingen over literatuur, ondanks deze veelhekj zijn aHe literaire kritk:i er van overtuigd dat zij in staat zijn waarnemingen te doen die de juistfieid van hun specifieke opvatting over literatuur bevmtigen. „gewone" lezers zijn niet in staat hun ItteratuuropvatHng onder woorden te brengen, maar zij huMigen toch het Mee dat zij bij hun lektuur juiste en onmMdeMjke waarnemingen op literaire teksten doen. het derde deel van critiqiie littéraire at argumentation geeft de resultaten van een enquöte die een aantal leraren frans werd af^ianomen. een statistische analyse van deze resultaten brengt aan h ^ Uctit dat de geënquêteerden niet koherent konden antwoorden op vragen over de eigenschappen van literairs telöten. hun antwüorden op vragen over het leesproces waren daarentegen wel (zeer) koherent. uit hun antwoorden bleek, dat zij het lezen van liteiaire teksten zien als een waameming^Moces dat (fiepgaande inztohten in het versch^nsel literatuur oplevert zij legden echter grote nadmk op de emotk>nele faktoren bij de leMuur. dit, en het feit dat zij niet in staat waren hun kjeën omtrent eigenschappen van teksten koherent naar voren te brengen, wettigt grote twijfel over de houdbaarhekl van de InzkMsn waartoe het lezen zou leMen. hugo Jeroen antonius verdaasdonk, getx>ren in 1945 te amsterdam, studeerde frans, met als bijvakken algemene literatuurwetenschap en algemene taalwetenschap, aan de universiteit van amsterdam. hij was gedurende vier jaar verix>nden aan het instituut voor neerlandistiek van de universiteit van amsterdam, sinds sep(emt>er 1975 aan de sutifakulteit frans van de vrije universtteit. het tKlres van de promovendus luklt: groenburgwKü 36, 1011 hw amsterdam. 'de atrssisén van het Munum, het ileum en hel colon en de meconhimperttonltls' is de tHel van het proefschrift waarop d. tibbael te haariem op vrijdag 15 |unl promoveerde, promotor wes prof. dr. ].c. molenaar, copromotor prof. dr. f. van faa^Mn en corsferent prof. dr. a. h. m. korte samenvatting: de atresieën van de dunne darm en van de dikke darm, zijn evenals de meconiumperitonitis, levensbedreigende aangeboren afwijkingen, omdat bij deze patiënten een totale onderbreking in de continuïteit van de darm bestaat zal binnen enkele dagen na de geboorte een zeer ernstig ziektebeeld ontstaan, de belangrijkste symptonen zijn braken, een progressieve zwelling van de buik en het onvermogen om ontlasting te lozen, bij veel patiënten met een atresie wordt tevens een buikvliesontsteking aangetroffen die is ontstaan door de sterk prikkelende werking van de foetale ontlasting, het meconium, het doel van deze studie is meer inzicht te
„crWque littérair« at aigumantation" is de titsl van hat proafschrllt waarop h. |. a. verdaasdonk te amsterdam op «roensdag 13 |unl promoveerde, promotor was prof. dr. s. a. varga, corsferant dr. f. van rosaum-guyon. korte samenvatting: in dit boek wordt geprobeerd aan te tonen dat literaire kritk:!, uit welk land en uit welke periode dan ook, altijd een beperid aantal Identieke argumentatievormen hebben gebruikt om hun beweringen over teksten plausibel te laten zijn. wat de manier van argumenteren betreft, bestaat er geen fundamenteel verschil tussen krittei uit voortMje eeuwen en moderne theorettei. dit gebrek aan verschil maakt het onmogelijk een wetenschappelijke status toe te kennen aan de huidige vormen van tekstgerichte llteratuurt)eschouwing. deze stelling wordt in het eerste deel van critique litléralra et argumentation verdedigd, het tweede en centrale deel van het boek bevat een gedetailleerde analyse van de (drie) argumentatie-vormen waarvan kriBci uit de 17e, 18e, 19e en 20e eeuw zk4i hebiwn bediend, deze argumentatie-vorIn Amsterdam: men zijn gebaseerd op een onaanvaardB u i t e n v e l d e r t s e i a a n 180, baar idee over het leesproces, het lezen t e l . 422812 geWt namelijk als een proces waarin korFercl. Bolstraat 65, rekte en onmkkiellijke waarnemingen op teksten worden gedaan, deze opvaUing t e l . 722498 geeft literaire kritid alle kans hun subjektiviF e r d . Bolstraat 107, teit ongebrekiekl in te zetten bij het analyt e l . 720941 seren van teksten, men vindt het ooft>aar B u r g . F o c k s t r a a t 50, beweringen over literatuur te baseren op t e l . 131228 subjektieve gevoelens die tijdens de lektuur J o h a n H u l z i n g a l a a n 185, zouden zijn ervaren, naast het beroep op tel. 153011 zulke gevoelens zijn er nog twee andere argumentaüe-voimen waarop kritwi allijd Tussen-Meer 229, t e l . 192169 hebben teruggegrepen, namelijk de anak>Chr. H u y g e n s p l e i n 25, gie-redenering en de dialektische redenetel. 942641 ring, ook deze laten aUe ruimte voor een W a t e r l a n d p l e i n 18, beroep op subjectieve aandoeningen. tel. 367598 tensk>tte worden argumenten aangedragen voor de stelling dat de literaire kritkj, zonder ZKh hienran ook maar in het minst verkrijgen in de wij?e van ontstaan van bewust te z^n, altijd de basis-kleeën van de bovengenoemde aangeboren afwijkingen klassieke rtietorika over de aard van een en hun onderiinge relatie, om deze vraagtekst en over de aard van een plausibele stelling te beantwoorden werd een literaaigumentatie voor hun rekening hebben tuurstudie verricht waarbij met name aangenomen, kras geformuleerd: de opvattin- . dacht werd besteed aan de prognose van gen binnen de literaire kritiek over onderdeze patiënten en eventueel risicoverhozoek, en met name over het rechtvaardigen gende faktoren werden opgespoord, hieruit van beweringen, hebben sins de zevenIs gebleken dat het vroegtijdig geboren tiende eeuw, en vieffidht sinds de klassieke worden, het uitstellen van operatief ingrijoudheid, nooit fundamentele wijzigingen pen en het gelijktijdig voorkomen van aanondergaan. geboren afwijkingen irk andere organen de prognose in negatieve zin beïnvloeden, hoewel het geanalyseerde materiaal voorom een indruk te krijgen van het voortsonameiyk bestaat uit franse literair-kritische teksten van de 17e tol en met de 20e eeuw ' men van atresieën en meconiumperitonitis in nederiand werd een patiëntenonderzoek (la mesnardiöre, Ie bossu, dMerot, genatte, verricht, in totaal werden de gegevens van greimas, enz.), worden er ook een aantal 142 patiënten met een atresie van de duKse en amerikaanse betogen onder de loep geiKHnen. dit levert een argument dunne darm of de dikke darm achterhaald temeer om de zojuist verwoorde krasse en de gegevens van 69 patiënten met meconiumperitonitis. de mate van voorko-,konMusie algemeen gekHg te achten, men van de atresieën kon worden bereliteraire kritx:! zijn in staat hun opvatting kend op: 1:12.500-20.000 levendgeboreover literatuur te specifk»ren. in de hjop nen; voor meconiumperitonitis 1:16.000der emjwen, en binnen óón en dezelfde periode, is er altijd sprake van een veelhekl 44.000 levendgeborenen, bij de patiënten
met een atresie werden in totaal 27% van de gevallen aanwijzingen gevonden voor de wijze van ontstaan, in deze gevallen werden uitlokkende faktoren voor het ontstaan van een doorbkiedingsstoornis van de damn gevonden, bij deze patiënten met meconiumperitonitis kon de ooaaak van de darmpertoratie in 46% van de gevallen worden achterhaald, prenatale diagnostiek van deze afwijkingen is zeker mogelijk omdat bij een hoog percentage van de moeder tijdens de zwangerschap een te grote hoeveelheid vruchtwater aanwezig is. met tiehulp van kippe-embryo's werd een serie experimenten verricht, hierbij werd het effekt van een blijvende onderbreking en het effekt van een tijdelijke onderbreking van de bloedvoorziening van de darm bestudeerd, op deze wijze werden in beide series atresieën opgewekt, tevens bleek dat na een experimenteel opgewekte perforatie van de darm eveneens atresieën kunnen ontstaan, uit de resultaten van de experimenten blijkt dat het kippe-embryo geschikt is als diermodel voor de studie naar het ontstaan van de atresieën en meconiumperitonitis. in het merendeel van de gevallen zijn de atresieën van de dunne- en van de dikke darm het gevolg van een ondertjreking van de bloedvoorziening van de darm. slechts in 1/5-1/4 deel van de gevallen worden echter aanwijzingen gevonden voor het ontstaan van een vaatafsluKing. bij het ontstaan van de atresieën dient ons inziens grote tietekenis te worden toegekend aan kortdurende perioden waarin de bloedvoorziening van de darm van de foetus sterk is verminderd, in de toekomst dient het onderzoek zich te richten op de faktoren die een dergelijke afname van de doorbloeding van de darm kunnen veroorzaken. personalia dick tibboel, op 29 mei 1952 te haariem geboren, studeerde van 1969 — 1976 geneeskunde aan de vrije universiteit te amsterdam. van 1972 tot 1974 was hij in dienst bij het latx>ratorium voor anatomie en embryologie als student-assistent en na het behalen van het doctoraal-examen (1974) als adjunct wetenschappelijk medewerker, na in 1976 het artsexamen te hebben afgelegd trad de heer tibboel als wetenschappelijk medewerker in dienst, hij is lid van de nederlandse anatomen vereniging, het adres van de promovendus luidt: William harveystraat 12, 2035 ea haariem. „synttiesis and reactivity of tetracycio ( 3 . 3 . 0 . 0 ^ * o ' - ^ octanes" is de titel van het proefschrift waarop p. m. kwantes te amstelveen op donderdag 7 Juni promoveerde, promotor was dr. g. w. klumpp, coreferent prof. dr. f. bickelhaupt. korte samenvatting: dit proefschrift handelt over de synthese en reaktivitelt van gespannen '«'oivertjindingen, tetracyclo(3.3.0.0^-^.0^-) octanen: de synthese wordt beschreven van een gespannen kooiverbinding via een tot voor kort onbekende syntheseroute, hoewel theoretische berekeningen al hadden voorspeld dat het nieuwe reaktietype, de homo1,4-additie van carbenen aan dieen-systemen, formeel een toegestaan proces is, kon bij de additie van dihak>geen-cart>enen aan nort>omadieen-systemen dit reaktietype voor het eerst worden waargenomen, er wordt uitvoerig ingegaan op dit nieuwe aspekt van carbeengedrag. met behulp van produktverhoudingen van én konkurrentieexperimenten tussen een reeks van gesubstitueerde nori3omadienen na reaktie met dichkrarcarbeen, konden partiële relatieve snelheidsfaktoren voor de verschillende additie-wijzen bepaaki worden, uit verkregen hammett-plots werd afgeleid dat de homo-1,4-additie niet verschilt van de algemeen bekende 1,2-additie, wat betreft het elektrofiele karakter van het cartieen-deeltje. deze resultaten betekenen een aanvulling van de kennis op het gebied van deze reaktieve intermediairen. de op deze wijze veriaegen produkten konden in zuivere toestand geïsoleerd worden, hetgeen de bestudering van de reaktivitelt van dit systeem toegankelijk maakt, vanwege de hoge mate van spanning in deze kooiverbindingen en mede door de aanwezigheid van geschikte deelstrukturen, bezit deze verbinding een hoge reakNviteit t.o.v. molekulaire transformaties, een tweetal transformaties van dit systeem is nader onderzocht, zo wordt mekling gemaakt van twee nieuwe syntheseroutes tot semibullvalenen, tenwijl eveneens de cyck)butyl-cyck)propylcarisinyl-omlegging in dit systeem blijkt op te treden. personalia pieter maarten kwantes, op 16 oktober 1949 te amsterdam geboren, studeerde scheikunde aan de vrije universiteit te amsterdam. na het doklx>raal examen in 1975 werd hij wetenschappelijk medeweriter bij de vakgroep organische chemie aan de vrije universiteit. het adres van de promovendus luklt: goereesepad 61, amstelveen.
er Bfn twee het vinden, d a'dam).
artsen, de ene kan M. (d. tit>boel, vj -
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's