Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 233

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 233

7 minuten leestijd

AD VALVAS ­18 JANUAR11980

9

algemeen te en diegenen bij wie dat niet het geval blijkt te zijn. tot de 1 e groep behoren bv. de patiënten die zwanger waren van een tweeling, of waarvan het kind ernstige aan­ geboren afwijkingen vertoonde, of waarbij de vrouw in kwestie ernstige afwijkingen aan de baarmoeder had. de 2e groep wordt weer verdeeld in patiën­ ten die voor de 1 e maal zwanger v/aren en patiënten die meer dan 2x zwanger waren en in 1 van hun zwangerschappen een kind kregen in de genoemde periode, de patiën­ ten bij wie de oorzaak bekend was, worden uitvoerig beschreven doordat een uittreksel van hun ziektegeschiedenis in het proef­ schrift IS opgenomen. buiten de genoemde oorzaken wordt aan de hand van literatuurstudie nagegaan of het voorkomen van een abortus provocatus in de voorgeschiedenis van de patiënten, wel wel direct voorafgaande aan de partus immaturus, invloed had op het vóórkomen van een partus immaturus. in de literatuur blijkt daar duidelijk onenigheid over te be­ staan: er zijn auteurs die een duidelijker relatie vinden tussen het optreden van vroeggeboorte en het daaraan voorafgaan van een abortus provocatus, anderen zijn een tegengestelde mening toegedaan. op grond van een bestudering van het eigen matenaal en de vergelijking daarvan met een controle groep patiënten uit de eigen kliniek kan gesteld worden, dat bij de patiënten die immatuur bevielen een groter aantal patiënten was dan in de controle groep bij wie de voorafgaande zwanger­ schap was geëindigd in een abortus provo­ catus. bij de patiëntengroep die voor het eerst zwanger was en immatuur beviel was het algemeen bijzonder moeilijk om een oor­ zaak aan te geven, van belang is, en dit wordt ook in het proefschrift aangetoond, dat deze patiënten in een eventueel vol­ gende zwangerschap bijzonder nauwkeu­ rig .gecontroleerd worden op die punten • waaruit duidelijk zou kunnen worden wat de oorzaak van het mislukken van' de vooraf­ gaande zwangerschap is geweest, bij de patiënten die meer keren zwanger waren geweest en bij wie de zwangerschap zo voortijdig eindigde blijkt wel een duidelijke oorzaak aanwezig te zijn in een groot ­ aantal gevallen, bovendien, en dit lijkt van yeel betekenis te zijn voor een zwanger­ scfiapscontrote bij een volgende zwanger­ schap, blijkt,' dat in een bijzonder groot aantal gevallen sprake is van vrouwen met een gestoorde vruchtbaarheid.' het aantal miskramen of anderzins mislukte zwanger­ schappen, bij deze patiënten is bijzonder groot, met andere woorden cje kans op herhaling is bij een groot aantal patiënten die immatuur bevallen zeker aanwezig en dit zal, dit wordt ook betoogd in het proef­ schrift, gevolgen dienen te hebben voor de controle in een volgende zwangerschap, gesteld wordt, dat deze controle zich met name zal moeten richten op de periode vroeg in de zwangerschap en wel de perio­ de waarin de nageboorte zijn uiteindelijke vorm krijgt en deze periode valt ongeveer lussen de 14e en 18e week van de zwan­ gerschap. resumerend kan gesteld worden, dat in nederland vrijwel zeker 1000 of meer im­ mature bevallingen per jaar plaatsvinden, dat daaromtrent bijzonder weinig bekend is en dat in bovengenoemd proefschrift een aantal wegen wordt aangegeven om meer gegevens over deze stoornis in de vrucht­ baarheid van een aantal vrouwen te verkrij­ gen, waardoor het wellicht mogelijk wordt om in een aantal gevallen een herhaling te voorkomen. personalia jeróme izak puyenbroek is in utrecht gebo­ ren, hij studeerde geneeskunde aan de vrije universiteit te amsterdam en voltooide ook zijn opleiding tot vrouwenarts aldaar, waarbij aangetekend dient te worden, dat hij 2 jaar van zijn opleiding doorbracht aan de rijkskweekschool voor vroedvrouwen te rottetdam. momenteel is de promovendus werkzaam als stafgynaecoloog van de af­ deling verloskunde en vrouwenziekten van het academisch ziekenhuis der vrije univer­ siteit, zijn adres luidt: apollostraat 10 te aalsmeer. „eeg segmentation and classification: an exploratieve study" is de titel van het proefschrift waarop b. h. Jansen te am­ sterdam op vrijdag 21 december promo­ veerde, promotor was prof. dr. Ir. a. hasman en coreferent dr. f. h. lopes da Silva. korte samenvatting: het electro­encefalogram (eeg), gemeten via electroden geplakt op de hoofdhuid, is van nut voor diagnostiek en „monitoring", een complicatie vormt de grote variabiliteit van het eeg en de subjectiviteit waarmee het geïnterpreteerd wordt, daarom bestaat er behoefte aan een objectieve methode om veranderingen in het eeg te detecteren, een dergelijke methode wordt in dit boek beschreven, toepassingen zijn te vinden in verschillende gebieden; het bewaken van het narooseniveau, de doeltreffendheid van de perfusie tijdens chirurgie en automati­ sche slaapklassifikatie. de methode gaat uit van de veronderstel­ ling dat een eeg opgebouwd is uit een reeks van steeds weerkerende patronen.

slechts een relatief gering aantal patronen zouden genoeg zijn om een grote verschei­ denheid van eeg's te beschrijven, bovenbedoelde patronen worden automa­ tisch opgezocht, per 30 of 100 seconden wordt een overzicht gemaakt van het aantal malen dat ieder patroon gesignaleerd is. deze overzichten, door ons 'klassifikatie profielen' genoemd worden onderiing ver­ geleken om vast te stellen of er zich een verandering in het eeg heeft voorgedaan. de methode is uitgeprotjeerd op normale eegs en op eegs geregistreerd tijdens open­hart operaties, slaap en voor en na nier­dialyse, in het proefschrift wordt aan­ getoond dat de nieuwe methode duidelijke voordelen heeft boven andere, in de litera­ tuur beschreven technieken. Bovendien kon bewezen worden dat een eeg inder­ daad opgebouwd is uit een beperkt aantal patronen, welke tot op zekere hoogte ka­ rakteristiek zijn voor een gegeven popu­ latie. personalia bernardus hendrikus Jansen, op 26 maart 1952 in amhem get)oren, studeerde elec­ trotechniek aan de t.h. twente en behaalde in 1975 het ingenieursdiploma, hij is vanaf die datum werkzaam aan de vrije universi­ teit bij de vakgroep medische informatica, hij heeft zich daar voornamelijk bezig ge­ houden met de computerverarerking van electroencefalogrammen (= registratie van de electrische hersen activiteit), vanaf 1 januari 1980 zal hij zijn onderzoek voortzet­ ten aan de vanderbilt university (nashville, usa). het adres van de promovendus luidt: grubbehoeve 229, 1103 GT Amsterdam. „woord en naam in de religies, een vergelijkend onderzoek" is de titel van het proefschrift waarop r. fernhout te alphen a/d rijn op donderdag 13 decem­ ber promoveerde, promotor was prof. mr. d. c. mulder, coreferent prof. dr. a. wesseis. korte samenvatting: van oudsher hebt)en yvoord en naam een belangrijke plaats ingenomen in de religies, rpen denke slechts aan scheppjngswoor­ den, machtige spreuken, mythen en god­ delijke namen, doel van het onderzoek was na te gaan welke overeenkomsten en wel­ ke verschillen er zijn tussen wat in de ene en wat in de andere religie aan mogelijkhe­ den aan woord en naam is toegekend, om tot een zinvolle vergelijking te komen gaat de schrijver er vanuit dat men jn de ver­ schillende religies onder „woord" en „naam" op zich — afgezien dus van alle nadere bezinning — oVig^veer dezelfde verschijnselen heeft verstaan, deze ver­' schijnselen worden dab "in de 'religies in dienst gesteld van een andere werkelijk­ heid als die van goden, van geesten of van een grootheid als het brahman, hierdoor ontstaat een rijk gevarieerd samenspel tus­ sen aard, eigenschappen en werkingen zoals men die enerzijds kenmerkend achtte voor woord en naam en anderzijds voor de andere werkelijkheid, dank zij de betrek­ king tot een andere weri<elijkheid kunnen woord en naam een ongehoorde macht uitoefenen, gericht op heil of onheil, boven­ dien vermogen zij kennis over te dragefi welke ontoegankelijk is voor de dagelijkse waarneming en het daarop gegronde den­ ken, deze kennis wordt echter niet steeds in onmiddellijk verstaanbare vorm overge­ bracht: er is sprake zowel van openbaring als van verberging, boeiende speculaties ontstaan wanneer men in de religies de aard van het woord en daarmee die van het menselijk denken en spreken in verband gaat brengen met de aard van de andere werkelijkheid en met betrekking tussen die werkelijkheid en de wereld van onze dage­ lijkse ervaring, de grote, maar niet de enige, vertegenwoordigers van zulke spe­ culaties zijn de griekse logos en de indi­ sche vac. ondertussen blijkt dat niet slechts de andere werkelijkheid op ingrijpende wij­ ze de hoedanigheden van woord en naam beïnvloedt, maar dat ook het omgekeerde het geval is. betrekkingen tussen onder anderen verschillende goden en tussen bij voorbeeld het wezen en de manifestatie van de andere werkelijkheid maakt men doorzichtig met behulp van aan woord en naam toegeschreven eigenschappen, daarbij is de vraag gerezen of de andere werkelijkheid ten diepste zelf „woord" is dan wel of grootheden als de logos en vac slechts haar manifeste zijde vertegenwoor­ digen, het woord dat van een andere werk­ elijkheid uit tot ons komt vraagt bemidde­ ling in de vorm van een engel, een mense­ lijke boodschapper of een „medium", een­ maal aanwezig in de wereld van onze dagelijkse ervaring en waarneming wordt het gekenmerkt door „dubbelzinnigheid", het behoort tot deze wereld tenwijl het toch van elders heet te komen, dit roept vragen op aangaande de echtheid en de betrouw­ baarheid van het betrokken woord, vragen die ten aanzien van de veda, de bijbel en de qur'an tot diepgaande discussies heb­ ben geleid en ten dele nog leiden, vaak worden woord en naam gezien als middel of weg om tot een zeer innige betrekking met de andere werkelijkheid te komen, het eindeloze prevelen van de namen van een god of van Jezus voert tot vereniging met hen. zulk een vereniging vormt ook het einddoel van de woorden die de mysticus in zijn of haar binnenste meent te horen, volgens sommige indische opvattingen ge­ raakt de mens door het reciteren van

machtige lettergrepen tot ondergang in een laatste werkelijkheid die traven alle woord uitgaat, de logos heeft zich ontwikkeld van een wereldorde die in het eigen inneriijk verstaan kan worden tot, als bij plotinus, een weg waarlangs de mens in zijn eenheid met een hoogste onuitsprekelijke werkelijk­ heid leert kennen, een uitzonderiijke positie bleek het woord uit het begin van het evangelie naar Johannes in te nemen, het wordt vlees om als lam gods de zonden van de wereld op zich te nemen, dit woord verzoent, mits in het geloof verstaan, de ongehoorzame mens met god. personalia reinder fernhout werd in 1934 geboren te lobith (gem. henwen en aerdt). hij studeerde theologie en psychologie aan de vrije uni­ versiteit te amsterdam. in 1957 behaalde hij zijn kandidaatsexamen psychologie en in 1963 zijn kandidaatsexamen theologie daarna heeft hij de gereformeerde kerken als predikant gediend en wel van 1963­ 1968 te waardhuizen en almkerk en van 1968­1977 te ommen, in 1967 behaalde hij zijn doctoraalexamen theologie, sinds 1977 is hij als wetenschappelijk medewerker ver­ bonden aan de theologische faculteit van de vrije universiteit met als opdracht onder­ zoek en ondenwijs op het gebied van de godsdienstwetenschap, in het bijzonder dat van de fenomenologie der religies, het adres van de promovendus luidt: 2402 gx alphen a/d rijn. „censoring and stochastic integrals" is de titel van hst proefschrift waarop r. d. gill te culemborg op donderdag 20 de­ cember promoveerde, promotor was prof. dr. j . oosterhoff, copromotor prof. dr. c. I. scheffer en coreferent dr. p. c. sander. korte samenvatting: dit proefschrift behandelt een aantal pro­ blemen die zich kunnen voordoen bij het analyseren van gegevens omtrent levens­ duren, we kunnen hier denken aan de levensduren van proefdiereti in experimen­ ten óver de gevolgen van bepaalde stoffen ,op de gezondheid, of de levensduren van industriële producten 'zoals, gloeilampen of ­ vliegtuigonderdelen, of de levensduren van patiënten na een betiaäkle medische be­ handeling, in het eerste voortjeeld zou de bedoeling kunnen zijn om te kijken of een bepaalde stof kankerverwekkend is, in het industriële voorbeeld wil men misschien bepalen hoe lang men erop mag vertrou­ wen dat t)ëpaalde apparatuur blijft werken, en' in het derde voorbeeld zou men de levenskansen die twee verschillende be­ handelingen geven willen vergelijken. in dergelijke onderzoeken speelt toeval een 'rol: het ene dier heeft een grotere Ipvens­ dpgr dan het aridere door volkomen toeval­ lige oorzaken; en hetzelfde geldt voor de gloeilampen en de personen in de andere voorbeelden, zo'n onderzoek hoeft dan ook geen duidelijke conclusie te geven, de taak Vfin de statistiek is om technieken te ont­ werpen waarbij <n de analyse van de gege­ vens het tqeval in rekening wordt gebracht Zodat men toch tot een verantwoorde con­ •clusie kan komen, dan is de conclusie van de vorm: „bij aanwezigheid van de stof is de gemiddelde levensduur korter", of „in zoveel procent van de gevallen zal de "levensduur groter zijn dan x", of „bij opera­ tie A is er een grotere kans op succes dan bij operatie B"; waartiij iedere uitspraak met een bepaalde maar wel kleine onzekerheid behept is. nu geldt in zulke situaties dat nog een complicerende factor kan optreden: van sommige proefdieren, objecten of patiënten zal men de levensduur zelf niet kunnen waarnemen, maar alleen zien dat deze levensduur een bepaalde grens over­ schrijdt, in het eerste voorbeeld kan het zijn dat op het tijdstip dat men zijn gegevens wil analyseren sommige dieren nog in leven zijn; anderen kunnen tussendoor verloren gaan door toevallige oorzaken (ziektes of ongevallen die niets met het onderzoek te maken hebben); of men heeft tijdens het experiment op bepaalde tijdstippen een aantal dieren venwijderd om de ontwikke­ ling van de toestand van hun organen te onderzoeken. Dit verschijnsel heet censu­ rering: men kan de levensgeschiedenis van sommige proefdieren (of wat dan ook) alleen tot een zeker tijdstip volgen, waarop de rest van de levensduur „gecensureerd" wordt. in het proefschrift beschrijft en vergelijkt de auteur een aantal oude en nieuwe technie­ ken om statistische uitspraken te doen op basis van gecensureerde data. dit gebeurt met behulp van recent ontwikkeld wiskun­ dig gereedschap, nl. de theorie van sto­ chastische integralen, doordat iedere sta­ ~^ tistische techniek met het zelfde wiskundig gereedschap bekeken wordt, kan men be­ grijpen waarom deze technieken die op het eerste gezicht van zeer verschillende aard zijn toch bepaalde overeenkomsten verto­ nen en dat ze van toepassing zijn bij censurering van verschillende aard (onder meer de typen die hierboven geïllustreerd worden). de auteur geeft aan wanneer een techniek te prefereren is boven een andere, hoe sommige technieken verbeterd of uitge­ breid kunnen worden, en tenslotte hoe men andere vormen van „partieel waarnemen" in de theorie kan betrekken. personalia: richard david gill, op 11 september 1951 te redhill (surrey, engeland) geboren, stu­ deerde van 1970­1973 wiskunde aan de

universiteit van Cambridge, waarop hij de bachelor of arts degree behaalde, dit werd voortgezet met een studie van de mathe­ matische statistiek, (ook op de universiteit van Cambridge) van 1973­1974, uitmon­ dend in een „diploma of statistics" (cum laude). de heer gill is sinds 1974 wetenschappelijk medeweri^er op de afdeling statistiek, ma­ thematisch centrum te amsterdam. (weten­ schappelijk onderzoek en consultatie), sinds 1979 is hij een deel van de tijd weri<zaam op de interfaculteit actuariële wetenschappen en econometrie van de v.u. (vnl. educatieve taak.) het adres van de promovendus luidt: bachlaan 60, culem­ borg. „morphology of the submandibular and sublingual gland of the mouse in the resting state and after stimulation with adrenergic and cholinergic drugs" is de titel van het proefschrift waarop g. I. de lange te amstelveen op woensdag 19 december promoveerde, promotor was prof. dr. h. I. langevoort, copromotor dr. p. a. roukema en coreferent dr. e. c. m. hoefsmit. korte samenvatting: speeksel speelt een belangrijke rol in de mondholte, het beschermt onder andere de slijmvliezen tegen uitdroging, tegen me­ chanische beschadiging en tegen infecties, door de bufferende werking neutraliseert het speeksel zuren en voorkomt het zo­. doende een chemische aantasting van het gebit, de afgifte van speeksel gebeurt door speekselkliercellen. het afgifteproces is on­ derzocht in twee speekselklieren van de muis. de glandula submandibulans (sm) en de glandula sublingualis (si), speekselafgif­ te door de cellen is bestudeerd door de klieren te stimuleren met stoffen die selec­ tief aangrijpen op celreceptoren, dit is ge­ daan op twee wijzen, beschreven in hoofd­ stuk lll( 1) via een perfusiesysteem waarbij de bloedbaan gedurende enige tijd wordt doorstroomd met een oplossing van een stimulerende stof; 2) via een intraperitooe­' ' ale injectie v,an een stimulerende stof. 'de . optredende veranderingen in de cel zijn bestudeerd met de elektronenmicroscoop en gemeten in de lichtmicroscoop. tevoren is de bouw beschreven van de ongestiniu­ , leerde sm en si, eveneens met tjehuipvan" licht­ en elektronenmicroscopie (hoofdstuk II). • ' glaridula submandibulans de sm is een samengestelde tubufo­alveo­ laire klier, binnen elke klierlob worden de , volgende componenten gevonden: klier­' tiesjes, schakelstukjes, (secernerendef klierbuizen en intralobulaire atvoerbyizen. rond de besjes, schakelstukjes eft klierbui­ zen worden cellen gevonden die, net als' spiercellen, kunnen samentrekken, de my­ oepitheelcellen. de sm van de muis ver­ toont geslachtelijke verschillen, de sm van het wijfje is ten opzichte van die van het mannetje herkenbaar aan. 1) de aanwezig­ heid van secernerende korrelcellen in het schakelstukje, direct naast of soms zelfs in het centrum van de besjes gelegen; 2) het voorkomen van vele mitochondria die lood­ recht gerangschikt zijn op de basaalmem­' braan in de cellen van het overgangsge­ bied schakelstukjes — secernerende klier­ buis; 3) de kleinere diameter van de klier­ buizen; 4) minder talrijke aanwezig zijn v,an de klierbuizen. stimulatie van de adrener^p ­receptor leidde tot sterke veranderingen in de secernerende cellen van schakelstuk­ jes en klierbuizen. dit ging gepaard met het verdwijnen van nagenoeg alle sekretiekor­ rels uit de cel (hoofdstuk IV). bij de acinaire cellen gaf stimulatie van de adrenerge .­ " receptor echter ophoping van sekretie­ma­ teriaal in de cel te zien (hoofdstuk lil), stimulatie van de adrenerge ­receptor daarentegen leidde tot hevige veranderin­ gen in de cellen van de klierbesjes, ge­ paard gaande met een sterke afgifte van sekretiemateriaal (hoofdstuk lil), de seper­. nerende cellen van de schakelstukjes en klierbuizen lieten eveneens afgifte zien van sekretiemateriaal (hoofdstuk IV). deze ver­ anderingen waren echter minder sterk dan na ­adrenerge stimulatie, via de chotiner­ ge muscarine­receptor werden zowel dé cellen van de besjes (hoofdstuk 111) als die van schakelstukjes en klierbuizen (hoofd­ stuk IV) gestimuleerd tot afgifte, zij het in mindere mate dan na stimulatie van de adrenerge ­receptor, de korrelcellen van het schakelstukje lieten een verschillend 'uiterlijk' zien dat naar alle waarschijnlijk­ heid tjerust op verschillende stadia van de sekretiecyclus. ondanks hun nauwe relatie met de besjes vertoonden de korrelcellen van het schakelstukje een sekretiepatroon gelijk aan dat van de secernerende klier­ buiscellen en geheel afwijkend van dat van de besjes. glandula sublingualis de il heeft gemengde besjes die voorna­ melijk bestaan uit grote mukeuze cellen met daartussen, eindstandig gelegen, se­ reuze halvemaancellen (hoofdstuk lil), de schakelstukjes en buizen bevatten geen secernerende cellen, adrenerge zenuwve­ zels komen weinig voor in de klier (hoofd­ stuk V). toch leidde stimulatie van de adre­ nerge ­receptor tot het verdwijnen van sekretiemateriaal uit de mukeuze cellen, maar alleen via de perfusiemethode. stimu­ latie van de adrenerge ­receptor gaf juist in de halvemaancellen veranderingen te zien. in de si komen veel cholinerge zenu­ wen voor (hoofdstuk V). praktisch ieder besje bleek omgeven door cholinerge ve­

zels die soms doordrongen tussen de cel­ len, in overeenstemming hiermee liet sti­ mulatie van de cholinerge receptor veran­ deringen zien in zowel mukeuze als halve­ maancellen (hoofdstuk V). de veranderin­ gen m de sm en si bleken verschillend voor mukeuze cellen enerzijds (namelijk de be­ sjes van de sm, mukeuze cellen van de si) en voor sereuze cellen anderzijds (namelijk korrelcellen van het schakelstukje en klier­ buiscellen van de sm, halvemaancellen van de si), afgifte in de mukeuze cellen ging gepaard met een intracellulaire versmelting van sekretiekorrels tot een grote massa, tevens waren er perforaties van de apicale celmembraan te zien, diepe intracellulaire kanaaltjes en verlies van membraanfrag­ menten dit bleek vooral duidelijk in de si. de afgifte in sereuze cellen daarentegen ging niet gepaard met noemenswaardige fusie van sekretiekorrels intracellulair, de membraan van individuele korrels fuseerde met de celmembraan zodat er geen verlies was van membraanfragmenten, de afgifte van de sereuze halvemaancellen moet nog nader worden onderzocht. personalia gerrit leendert de lange, op 5 juni 1945 te borger geboren, ging in 1964 tandheelkun­ de studeren aan de universiteit van amster­ dam en voltooide deze studie in 1970. na zijn afstuderen trad hij in dienst bij de subfaculteit der tandheelkunde aan de vrije universiteit waar hij zich verder heeft be­ kwaamd in de histologie van de mondholte, van zijn hand zijn er enkele publikaties verschenen op het gebied van de speek­ selklieren, vanaf 1972 praktizeert de heer de lange tevens tandheelkunde in de alge­ mene praktijk, het adres van de promoven­ dus luidt: kringloop 181, 1,186 gw amstel­ veen. „benthic chrysophyceae from the ne­ theriands" is de titel van het proefschrift waarop a. j . dop te amstelveen op don­ derdag 17 januari promoveerde, promo­' tor was dr. m. vroman, coreferent dr. j . van der veer. (dit proefschrift bestaat uit een ,bundeling van eerder verschenen en nog te publice,­ ren tijdschriftartikelen, voorzien van een inleidend hoofdstuk en nederiandse sa­ menvatting). samenvatting: chrysophyceae zijn een re­ latief klem groepje van meestal mikrosko­ pisch kleine algen die voornamelijk in het . zoete water voorkomen, hun naam danken ze aan hun goud­gele kleurstof dragers: goudwieren, de meeste algen uit dit groep­ je zijn eencellige, vrij in het water zwevende (planktonische) soorten; een klein aantal is riieercellig van bouw en leeft yastgehectit "aan een of andere ondergronid (waterplan­ ten, stenen, grotere algen);' dit zijn de tienthische goudwieren waarvan er een aantal in dit proefschrift behandeld wordt, in de literatuur zijn er maar weinig gegevens over de benthische goudwieren; aangezien ze in diverse westnederlandSe sloten en plassen wél regelmatig werden gevonden, is een tiental soorten nader onderzocht, dit hield in dat ze van diverse vindplaatsen zijn verzameld en in kweek gebracht in het laboratorium, waarna hun voortplantings­ wijze, groeivorm en inwendige bouw van de cellen is bestudeerd met behulp van het gewone lichtmikroskoop en soms ook met het elektronenmikroskoop. de aldus verkre­ _ gen gegevens werden in twee gev,allen gebruikt om soorten die in de literatuur met elkaar verwisseld waren, duidelijk te kun­ nen scheiden en aan te tonen dat het verschillende soorten zijn. Van vfer^oorten was het de eerste keer dat hun voortplan­ tingswijze werd waargenomen, en naar aanleiding daarvan werd hun positie in het systeem der goudwieren — dat onder meer op die voortplanting is gebaseerd — gewij­ zigd, de resterende vier soorten bleken nog helemaal niet bekend te zijn in de literatuur, en zijn dus als nieuwe soorten beschreven in dit proefschrift, het bleek ook noodzake­ lijk om twee nieuwe geslachten te beschrij­ ven om een drietal algen m onder te brengen, overigens zijn alle tien hier be­ handelde goudwieren nieuwe aanwinsten voor de nederiandse zoetwaterflora, want de zes al bekende soorten waren nog met eerder in onze wateren gesignaleerd, erg verwonderiijk is dit niet, want het zijn rela­ tief kleine, lastig identificeerbare algen, die het meest voorkomen in vrij schone sloten en plassen, met name de botshol bij abcou­ de herbergt acht van de tien hier behandel­ de soorten, een reden te meer om zuinig te zijn op dit unieke natuurgebied! personalia alexis Johannes dop werd op 2 november 1946 te alkmaar geboren, na het eindexa­ men gymnasium b in 1964 studeerde hij een jaar in de verenigde staten en twee jaar aan de landbouwhogeschool te wagenin­ gen. hierna vervulde hij de militaire dienst­ plicht (thans is hij reserve­kapitein bij het wapen der verbindingsdienst) en in 1969 begon hij met de studie biologie aan de v.u. in 1972 legde hij het kandidaatsexamen af; in 1973 volgde een aanstelling als student­ assistent, na het doctoraalexamen dat in maart 1975 cum laude werd afgelegd, werd hij benoemd tot wetenschappelijk mede­ werker en werd het onderzoek gestart waarvan de resultaten in dit proefschrift zijn vastgelegd, per 1 februari 1980 treedt de heer dop in dienst bij het ministerie van onderwijs en wetenschappen, directoraat­ generaal voor wetenschapsbeleid, het adres van de pro/novendus luidt: biesbosch 59, 1181 hx amstelveen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 233

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's