Ad Valvas 1979-1980 - pagina 243
7
AD VALVAS - 25 JANUAR11980
Facuhair Studium Generale over innovatie en wericgelegenheid Eind 1979 heeft de Regering een 'Innovatienota' uitgebracht, waarin wordt onderstreept dat, wil het Nederlandse bedrijfsleven in internationaal verband nog enigszins kunnen meeconcurreren, er op allerlei gebieden ingrijpende vernieuwingen moeten worden doorgevoerd. Daarentegen bestaat er vooral bij werknemers de zeker niet ongegronde vrees dat het belangrijkste gevolg van dergelijke innovaties een nóg grotere werk. loosheid dan er nu reeds is tot gevolg zal hebben. Hiertegen wordt nog al eens de bewering ingebracht dat door innovaties weliswaar banen verdwijnen, maar dat er tevens nieuwe geschapen worden. Op deze wijze zou de 'balans van werkschepping en werkvernietiging' in evenwicht blijven. De problematiek van noodzaak tot industriële vernieuwing en haar gevolgen voor de werkgelegenheid is de kern van een serie lezingen met aansluitende discussie, welke 25 januari 1980 van start gaat. De serie wordt georganiseerd door de vakgroep Geschiedenis en Maatschappelijke Aspecten der Natuurwetenschappen (GMAN) van de faculteit Wis- en Natuurkunde in het kader van het Facultair Studium Generale.
'Tussen misdaad en straf is het motto van het Studium Generale, over de aspecten van de strafvervolging in Nederland, dat in de maanden februari en maart in het kader van het VU-eeuwfeest wordt gehouden. Ondanks de openbaarheid van onze rechtspraak is het niet aan iedereen duidelijk wat de justitie beoogt, wat haar doelstellingen zijn. De justitie wil uiteraard de criminaliteit bestiijden, maar over wat dat inhoudt lopen de meningen nogal uiteen. Volgens de een wordt er door de justitie geen beleid gevoerd, volgens de ander wordt er een beleid gevoerd dat pas achteraf waarneembaar zou zijn, maar dat wordt door de eerste weer geen beleid genoemd. Sommigen menen dat de kansarme groepen in onze maatschappij veel meer de dupe worden van het justitiële beleid dan de geprivilegieerden. Kortom, de vraag die in deze lezingencyclus centraal staat is: hoe ziet het strafvervolgingsbeleid in Nederland eruit? Sprekers op dit Studium Generale zijn, naast een aantal criminologen, enkele mensen uit de praktijk van het beleid inzake de strafvervolging. Als besluit van de lezingencyclus zal Bas de Gaay Portman, lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal, ingaan op de houding van het parlement met betrekking tot het straf vervolgingsbeleid. Met thema van dit Studium Generale is aan de orde gesteld door prof. dr. Herman Bianchi, criminoloog aan de VU, in verband met de groeiende belangstelling rond het strafvervolgingsbeleid en met name ook voor de rol van het parlement in deze. In Nederland zitten relatief weinig mensen achter de tralies. De vraag die men naar aanleiding van dat feit kan stellen is: mogen we daar trots op zijn of blijkt hieruit dat het Nederlandse strafvervolgingssysteem niet deugt? Andere aspecten die in de lezingen zeker aan bod zullen komen, betreffen vragen als: wat wil de staat bereiken met zijn strafvervolgingsbeleid? Is er wel sprake van een strafvervolgingsBELEID in Nederland? Zo ja, welke criteria hanteert de regering daarin? Of: Bestaan er wel zulke critena? De inleiders (allemaal mannen) in deze problematiek - zie onder 'Programma' - zijn allen zgn. deskundigen: Er zijn lezingen te beluisteren van een drietal hoogleraren m de
Lidwien Marcus criminologie, een criminoloog van het Wetenschappelijk Onderzoeken Documentatiecentrum (WODC), d.i. een criminologisch instituut van het Ministerie van Justitie, een historicus, een (zeg maar: de) oud-secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en een parlementair politicus. Rechters zullen op dit Studium Generale niet aan het woord komen, omdat zij met vervolgen (het Openbaar Ministerie vervolgt, de rechter spreekt recht), hoewel zij in de uitoefening van hun functie als strafrechter wel veel te maken hebben met de strafvervolging. Men had hier bijvoorbeeld een kinderrechter aan het woord kunnen laten. Wie we ook niet zullen horen op dit Studium Generale zijn degenen die de strafvervolging aan den lijve ondervinden of hebben ondervonden. De commissie die het Studium Generale heeft voorbereid, heeft zich wel beraden over de vraag of de slachtoffers van het vervolgingsbeleid ook aan het woord zouden moeten komen. Men heeft er echter van afgezien, omdat het te moeilijk zou zijn om iemand te vinden die over zijn vervolging een lezing zou kun-
Vervolg op pag. 12
Programma Het complete programma van het Studium Generale omvat zeven lezingen, te weten: Ma. 4-2 Inleiding, prof. dr. H. Bianchi, hoogleraar criminologie, VU Amsterdam; Wo. 13-2 'Oppakken en Insluiten?' De wetgever en het opsporingsbeleid in historisch perspectief, drs. H.A. Diederiks, wetenschappelijk medewerker sociale geschiedenis, RU Leiden; Do. 21-2 Doelstellingen en middelen van strafvervolging - De taak van het departement, mr. A. Mulder, oud-secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie, thans lid van de Raad van State; Do. 28-2 Klasse-elementen in de rechtspleging - over sociale ongelijkheid, prof. dr. R.W. Jongman, hoogleraar criminologie, RU Groningen; Ma. 10-3 De justitiële en politieke controle op het opsporingsbeleid van de politie, prof. dr. L. van Outrive, hoogleraar criminologische sociologie, KU Leuven; Di. 18-3 Strafvervolging: De wetenschappelijke invalshoek, dr. D.W. Steenhuis, hoofd wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie; Wo. 26-3 Parlement en strafvervolging, prof. dr. B. de Gaay Portman, hoogleraar Institute of Social Studies, onder-voorzitter van de Vaste Commissie voor Justitie van de Eerste Kamer der Staten Generaal. Alle lezingen worden gehouden in het VU-hoofdgebouw in zaal KC-07 en beginnen om 16.30 uur. In de Rubriek 'Aangeplakt' van dit blad worden de lezingen steeds vlak tevoren nog eens aangekondigd. De teksten van de lezingen zullen gebundeld worden in een paperback die nu reeds besteld kan worden en omstreeks oktober 1980 zal verschijnen bij uitgeverij Intro B.V. (Kalmbach) te Nijkerk. Voor nadere inlichtingen over het Studium Generale kan men terecht bij de Commissie Studium Generale VU, kamer 2D-30, tel. 020-(548)3693.
Drie aspecten van bovengenoemde problematiek zullen achtereenvolgens in de lezingensene worden belicht. In de eerste plaats wordt de vraag behandeld of en in hoeverre innovatie een economische noodzaak is. De overheid is in bovengenoemde nota er van uitgegaan dat de noodzaak zonder meer aanwezig is en zij spreekt hierbij de verwachting uit dat technologische doorbraak in bepaalde sectoren van de economie de meeste kans op succes zal hebben. Of een dergelijke innovatie kans van slagen heeft hangt af van verschillende factoren; behalve een duidelijk overheidsbeleid spelen hierbij een doorslaggevende rol de huidige graad van innovatie, het financieel-economisch klimaat, aanvaarding door de markt en niet in het minst de veranderingsgezindheid van de ondernemingen. Als specifieke gebieden waar vernieuwing de meeste kansen heeft en/of het meest gewenst is worden de biotechnologie (gestimuleerd door DNA-onderzoek) en de microelectronica (Chips) genoemd. Maar algemeen worden doorbraken verwacht of in ieder geval gewenst op die terreinen, die reeds in de Regeringsnota 'Selectieve Groei' (1976) bijzondere aandacht krijgen, namelijk milieu, energie, grondstoffen, ruimtelijke ordening en de internationale economische orde. Behalve van de stelling dat technologische vernieuwingen van wezenlijk belang zijn voor de versterking van de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven wordt in de Innovatienota ook uitgegaan van de gedachte dat innovatie nodig is om in de toekomst te kunnen voldoen aan collectieve maatschappelijke behoeften, zoals een schoon milieu en een doelmatige dienstverlening. In de tweede plaats komt het aspekt van werkschepping en werkvernietiging aan de orde. De meningen hierover z^n nog steeds zeer verdeeld. Enerzijds beschouwen sommigen innovatie als het vervangen van zowel spier- als denkarbeid. Hierdoor wordt menselijke arbeid overbodig en ontstaat werkloosheid. Anderzijds is het mogelijk gebleken door innovatie allerlei nieuwe producten te vervaardigen en meer diensten te verlenen, waardoor weer nieuwe arbeidsplaatsen ontstonden. Dit is bijvoorbeeld tot nu toe het geval geweest in de banksector en by de PTT, waar het aantal arbeidsplaatsen constant is gebleven, respectievelijk is gegroeid. De overheid waagt zich echter niet aan een uitspraak die antwoord geeft op de vraag naar welke kant de balans van werkschepping en werkvernietiging zal doorslaan.
TNO In de derde plaats zal in een aantal lezingen getracht worden enig licht te werpen op de rol van wetenschapsmensen en organisaties waarin wetenschapsmensen werkzaam zijn. Nu de economische groei stagneert biykt dat de grote bedrijven veel minder bereid zijn om hun onderzoek-af delingen in te schakelen bij het ontwikkelen van wezenlijk nieuwe doch risico-dragende projecten. De ervaring leert dat met name mammoet-ondernemingen doorgaans traag reageren op veranderingen. Daarentegen hebben kleine en middelgrote bedrijven dankzij hun flexibelere structuren in beginsel meer mogelijkheden tot innovatie. Deze middelgrote en kleine bedrijven hebben echter te kampen met het probleem dat zij meestal niet in staat zijn het uiterst kostbare onderzoek te betalen dat
nodig is om innovatie voor te bereiden. Vanouds is het steeds de bedoeling geweest dat TNO (de semi-overheidsorganisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek) hieraan een bijdrage levert. Over het algemeen is er echter nog al wat kritiek op de daadwerkelijke hulp die het TNO tot dusver aan de kleine bedrijven biedt. Kritiek is er ook op het onderzoek dan aan universiteiten en hogescholen plaatsvindt. Dit onderzoek is vaak niet of
Ing. J. Klevervng nauwelijks gericht op toepasbaarheid in de maatschappij en in het bedrijfsleven. Zo wordt er in Nederland relatief veel geld aan fundamenteel onderzoek besteed. In verband hiermee wordt wel eens beweerd dat er aan onze universiteiten en hogescholen geen innovatie-bewuste houding bestaat, Of hienn al dan met verandering moet komen en zo ja, op welke manier, zijn vragen die in het laatste deel van het Facultair Studium Generale (PSG) aan de orde zullen worden gesteld. Het FSG wordt georganiseerd door de vakgroep Geschiedenis en Maatschappelijke Aspecten der Natuurwetenschappen (G.M.A.N.) van de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen en is voor iedereen toegankelijk. Het college vindt plaats op vrijdagen van 11.30n-12.45u in zaal Q 1.12 van het Natuurkundig Laboratorium, De Boelelaan 1081. (drs. Ida Stambnis)
Adverteer Dr. P.A.J. Tindemans (Foto van Simon E. Smit van Voorlichting Wetenschapsbeleid)
in dit blad
Programma lezingen I INLEIDING. 1.25-1-1980 Inleidend college door Dr P.H. Brookman (medewerker G.M.A.N.) 2. 1-2-1980 De Innovatie-problematiek: (on)mogeUjkheden tot sturing van een onbeheerst sociaal-economisch proces. Spreken Prof. Dr. A. van Doom (VU-Amsterdam). II INNOVATIE, EEN ECONOMISCHE NOODZAAK? 3. 8-2-1980 Zwaartepunten in het innovatiebeleid van de overheid. Spreken Dr P.A.J. Tindemans (coördinator Innovatie-nota). 4.15-2-1980 De stimulering van innovatie in middelgrote en kleine bedrijven. Spreken Ir J. Klevering (Directeur N.V. Verenigde Instrumenten Fabriek Enraf-Nonnius, initiator Stichting Kleinood). 5.22-2-1980 Het innovatie-proces aan de hand van het geval telecommunicatie. Spreken Prof. Dr. A. Teulings (Universiteit van Amsterdam). 6.29-2-1980 Innovatie in Nederland: wat doen overheid en indus• trie er aan. Spreken Ir S. Roosendaal (wetenschapsredakteur bij het NRC-Handelsblad. 7. 7-3-1980 Discussie-uur. III INNOVATIE, EEN BALANS VAN WERKSCHEPPINGEN EN WERKVEKNIETIGINGEN. 8.14-3-1980 Micro-electronica en maatschappelijke gevolgen. Spreken Prof. Dr J.P. Kuiper (VU-Amsterdam). 9.21-3-1980 Reakties van de vakbonden op het innovatie-beleid van overheid en bedrijven. Spreken Hr. J. Varkevisser (P.N.V.) 10.18-4-1980 FORUM, bestaande uit vertegenwoordigers van de universitaire sector (VWO/BWA), van werkgeverszijde, van werknemerszijde, van de regenngssector. IV DE ROL VAN DE WETENSCHAPPERS IN HET INNOVATIEPROCES. 11. 25-4-1980 De functie van T.N.O. bij de stimulering van innovatie-projecten. Spreken Hr. P. Jes, Hoofd Bureau Productenontwikkeling TNO-Delft. 12.2-5-1980 De wetenschappelijke onderzoeker en de keuze tussen grootschalige en kleinschalige innovatie-projecten. Spreken Ir. B. van Bronckhorst (TH-Eindhoven) (gevr.). 13.9-5-1980 Evaluatie en conclusies. Slotcollege en discussie onder leiding van drs Ida Stamhuis, organisatrice van het FSG. Verdere inlichtingen zijn' te verkrijgen bij drs Ida Stamhuis, vakgroep G.M.A.N. De Boelelaan 1083, tel. 548 3569.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's