Ad Valvas 1979-1980 - pagina 60
AD VALV«E^ „Ach wat, ik verwacht van mensen die bezig zijn met we tenschap iets meer genuanceer de formuleringen dan loop gravenoorlog en verstikkende greep van de overheid. En ik geloof dat afgezien daarvan dergelijke formuleringen niet kunnen slaan op de situatie zo als die op dit moment is noch op de bereidheid dezerzijds om overleg te plegen. Maar laat er geen misverstand over bestaan, op een gegeven moment moet je, dat is nu i^nmaal je verant woordelijkhe d als bewindsman, beslissingen durven nemen c.q. voorbereiden En dat zal ik ze ker doen." Ontspannen gaat minister Aaron Pais in zijn werkkamer op de Nieuwe Uitleg in op de jaarrede waarmee aan het be gin van deze maand het laatste academische semester van de 70er jaren begon. Pais ziet, na enige alarmerende krante berichten dat hij in verband met de onderwijsbegroting dreigde af te treden, om — als wij Trouw mogen geloven — na grote politieke druk toch aan te blijven, de komende decade zonnig tegemoet. Een ruzie met zijn collega A ndriessen van Fi nanciën over 100 miljoen gul den, in kringen van het kabinet omschreven als „een gebeuren waarbij twee motorrijders vol gas op elkaar inreden", is dank zij het optreden van de mi nisterpresident en diens rech terhand Wiegel, tijdig gesust. Daarbij ging het om de finan ciering van het ontwikkelings plan voor het voortgezet onder wijs en onderwijs voor anders taligen. Over het ongenoegen dat Pais zich blijkens de meeste jaar redes voor het forum van zijn excollegae op de hals haalde, in het wetenschappelijke w e , reldje, windt de onderwijs minister nauwelijks op. „Ik geloof dat het een goeie zaak is wanneer men zich vrij algemeen realiseert hoe de fei telijke verhoudingen in Neder land zijn. En wat de positie is van de universiteiten binnen dat totaal. Er is in het verleden vaak over gesproken dat de universiteiten geen ivoren to rens moeten zijn, die min of meer geïsoleerd van de rest van de samenleving hun w^eg gaan — als je dat tenminste over to rens kunt zeggen —. Ik kan mij voorstellen, dat naarmate men meer begrip krijgt voor de fei telijke verhoudingen en inziet dat een aantal vanzelfsprekend heden van vroeger wegvallen, men tot enige reflectie komt. Voorzover dat heeft door geklonken in enige openings redes kun je dat alleen maar als winst beschouwen." Winst wellicht, maar doet het u mets dat de toonsoort, de te neur van de redes van uw ex collegae ten aanzien van uw beleid ronduit negatief is? „Zelfs in mineur is een aan tal van de mooiste muziekwer ken geschreven. Daar hoef je op zich niet van ondersteboven te zijn. Belangrijker is of men voldoende besef heeft voor de realiteit en bereid is om kon struktief mee te helpen om de grote problemen op te lossen waarvoor wij staan. Vooral vanuit dat gezichtspunt moet je de openingsredes beoordelen. Overigens drong er naar aan leiding van deze redes in de pers ook een teneur door die kritisch was, maar in andere zin. Namelijk de vraag of er wel steeds in alle geledingen en bij iedereen in de academische wereld voldoende begrip is doorgedrongen voor de reali teit. Het is uitermate wenselijk om een zo groot mogelijke be reidheid tot samenwerken van alle betrokkenen bij dit alles op te brengen, omdat het tegen deel ervan weleens zeer nadelig uit zou kunnen werken voor de universiteiten nu en in de toe komst." Maar het frappeert nu juist dat het academische forum — want zo mag je de openingsredenaars toch wel duiden — de toekomst van de universiteit nogal eens omschrijven in termen als „kleurloos", „mat" en als „een situatie waarbij de kwaliteit in
Johan Kortenray Hein Meijers
Heilige geloof van de bëtvindsman
Mimster Pais w
gedrang komt." Juist door het ingewikkelde en wijdvertakte plannirf^scircuit zien de meeste universiteiten weinig mogelijk heden voor eigen initiatieven. De redes zijn weinig opwek kend. Er wordt een kleurloze toekomst in het vooruitzicht gesteld.
Bij de recente opening van het academisch Jaar heeft 0114 duchtig van langs gekregen. Het koor yan het universitairalÉf sterkt met een feministe en een student, hegft in vele t o « ^ | dat het Haagse beleid desastreuze gevolgen dreigt te gaan 'alma mater. " Kecnpunt in de meeste betogen js de autonomie van de instelj tijk niet opgewassen blijkt tegen het kille Haagse plannings ^ heid van de wetensciiap is na een aantal pianningsronden in zichtelijke brij van ^etalletjes en nota's diei zo'n aanslag do vergadertijd, dat er nauwelijks fut overblijft voor het m a ^ l Bovendien veroorzaakt de planning grote Interne konfliktemj zijn voor een kreatïef %n inspirerend klimaat in de h a l l e n ^ B De meeste openingsredes hebben daarbij wel oog voor d é | | l versiteit mee worstelt. Het gevoel dat er sprake is van e e n ; ^ uiteraard ook niet aan het universitaire wereldje voorbij kan", erkend. En ook kan in een aantal redes waardering gehoordr nen die Den Haag in petto V^eeft om de toekomst d i c h t e r b a P Maar ook dan wordt er een groot aanta! relativeringen 'aÊ
'Samenleving ma^ met recht prestaties verlangen' „Wij hebben zoeven in termen van de muziek gesproken. We komen nu bij de schilderkunst terecht. Ik zou me liever willen beperken tot de universitaire problemen. Dat schilderrijke, dat kleurloze of dat matte, zou ik maar aan de vaklui op het gebied van grafische kunst wil len laten. Kijk, er wordt in Ne derland een ontiegUjk bedrag besteedt aan het wetenschappe lijk onderwijs. Zeer vele mil jarden per jaar, jaar in jaar uit. Daarvan mag de samenleving met recht verlangen: prestaties. Prestaties zowel wat betreft de output van afgestudeerden, als van wetenschappelijk onder zoek. Ik geloof dat wij nu, zeker aan de vooravond van de jaren tachtig waarin de economie geen grote sprongen toestaat, op het tijdstip zijn gekomen om ons grondig te bezinnen op de vraag of de universiteiten datgene waarmaken wat van ze mag worden verwacht. Ik dacht dat het oordeel op dit punt op dit moment niet onverdeeld po sitief kan uitvallen. Het is al vaak gezegd en door het te her halen is het niet minder waar, dat de uitvalpercentages in Ne derland — studenten die hal verwege de studie afhaken — uitermate hoog zijn, veel te hoog. Tegelijk is de studieduur
bij ons, de modale studieduur als je het zo wil noemen, lang in vergelijking met andere westerse landen. Het is een beetje uilen naar Athene dragen om dergelijke tekortkomingen, die in de langzamerhand toch wel beken de nota ,,Hoger Onderwijs voor Velen" duidelijk op een rij zijn gezet, nog eens te herhalen. Het ligt op mijn weg, sterker nog het is mijn verantwoorde lijkheid om voor deze proble men adequate oplossingen aan te dragen. Men heeft m de uni versitaire wereld recht op vol strekte duidelijkheid omtrent de beleidslijnen die worden ge volgd. Over een paar weken verschijnt een beleidsnota over het uni versitair onderzoek en komt er, zeg maar voor de vervanging van de Wet Universitaire Be stuurshervorming de WUB, een Voorontwerp van Wet op het wetenschappelijk onderwijs uit. Ik noem deze twee voorstellen om aan te geven dat er dezer zijds aan wordt gedaan wat er redelijkerwijs van ons verwacht mag worden. Maar ik zou er dit aan toe willen voegen, om weer door te gaan op het kleurloze, dan wel matte toekomstbeeld, dat de mogelijkheden die men
kneeg geei
heeft in instellingen als univer siteiten en hogescholen nog steeds zeer groot zijn. Dermate groot, ondanks verhalen over allerlei broekriemen en buik riemen enzovoorts, dat er eigenlijk niets in de weg staat om, nou ja, een kreurrijk pro duct af te leveren en om er wat moois van te maken. Kijk, in een proces van vele eeuwen is de universitaire w e reld gegroeid tot wat die op het ogenblik is en een van de meest belangrijke verworvenheden is het begrip wetenschappelijke vrijheid. Om dat in alle mogehjke vor men gestalte te geven, uit te bouwen, uit te werken, nieuwe generaties daarvan te doordrin gen lijkt mij een van de hoofd opgaven van de universiteit. Wanneer men deze uitdaging goed verstaat, dan is er geen enkele reden om over matheid ot over kleurloosheid enzo voorts te spreken. Dat is een uitdaging van jewelste. En het is de vraag of de universiteiten op dit moment in alle opzich ten die uitdaging wel v o l d o e n de viraarmaken." Geen enkele rector of voorzit ter van een college van bestuur twijfelde daaraan in zijn ope ningsrede. Het centrale thema echter was een te sterk betut telende overheid, die universi teiten onvoldoende bewegings vrijheid geeft. Zeer prangend werd dit gevoelen onder woor den gebracht door de voorzitter van het Nijmeegse college van bestuur Wim van Lieshout. Hij hield zijn gehoor voor „dat het op zichzelf genomen beklem mend is te moeten ervaren dat een vanaf deze plaats uitge sproken suggestie tot het in richten van een kaderwet om ruimte en flexibiliteit te creë ren door de minister wordt ge doeld, terwijl sedertdien de in stellingen geregeld worden ge confronteerd met beleidsvoor nemens die ean verstikkende greep op onderwijs en onder zoek dreigen te veroorzaken."
'Ook doelmatigheid nodig bij mooie voornemens' „Ik weet nou niet of dat de ge nuanceerde bewoording is waarin de professoren zich meestal plegen uit te drukken. Ik geloof nogmaals dat we goed in de gaten moeten houden dat het instandhouden en verster ken van de wetenschappelijke vrijheid het meest fundamen tele is. Dat is een groot goed dat niet in gevaar mag worden gebracht. Het zou misschien ook weleens interessant zijn, wellicht is dit een leuk thema voor de komende rectoraats redes, om dat eens wat nader uit te werken en eens na te gaan of de vrijheid van weten schapsbeoefening in alle op
zichten onbedreigd is gebleven. Om de vrijheid van weten schapsbeoefening veilig te stel len en te versterken is ook iets van doelmatigheid nodig. Het zou weleens kunnen zijn, dat een aantal mooie voornemens gewoon verstikt raakt, niet door knellende houtgrepen vanuit Den Haag, maar ge woon door ondoelmatigheid in het reilen en zeilen van hoge scholen en universiteiten." Het is opvallend dat u zegt, dat u niet met gebruikmaking van knellende houdgrepen beleid voert, terwijl de rector es en bestuursvoorzitters elkaar in hun openingsrede trachten te overtreffen in typeringen over het eenzijdige karakter van het overleg met uw ministerie. Bart Leijnse, de voormalige rector van de Rotterdamse uni versiteit riep weer het beeld van een „loopgravenoorlog" in herinnering. Hij eiste zelfs onmiddellijke stopzetting van direkte Haagse bemoeienis met het universi taire gebeuren en ook finan ciële onafhankelijkheid voor de instellingen, nadat hij een jaar geleden met de Rotterdamse dekanen via de bekende open brief alle betrokkenen tot re delijkheid en begrip voor elkaar maande.
'Universiteiten geen aparte staat in ons koninkrijk' ,,Dat beeld van die loopgraven, het is wel interessant dat u daar op komt. Een van de ter men waarmee de stand van za ken werd geschetst toen ik de ze functie op mij nam, was dat er tussen Den Haag en de uni versiteiten een loopgravenoor log zou zijn ontstaan. Welnu, ik heb geprobeerd die situatie te veranderen. Ik heb geprobeerd om al vrij vroeg aan te geven in mijn minister schap hoe ik de toekomst zie voor universiteiten en hoge scholen in Nederland: de be kende H.O.v. Vnota. Ik heb daarover zeer talrijke gesprek ken gehad. Zeer talrijke, niet enkele, dat loopt in de vele tientallen. Met allerlei instan ties en organisaties binnen en buiten, ook buiten de universi taire wereld, want zover gaat de autonomie natuurlijk niet, dat de universiteiten als een soort op zich zelf staande staat in ons koninkrijk zouden k u n nen fungeren. Er is dus een veelheid van overleg geweest en nog steeds. In het kader van die bereid heid tot overleg heb ik ook veel waarde toegekend aan de ad visering van de A cademische Raad, over het Voorontwerp van Wet over de tweefasen structuur. Ik heb met de be trokkenen overleg gevoerd. Ik heb ook op hun verzoek een
termijn van drie maanden voor advisering die ik eerst als niet onredelijk had ervaren, ver lengd tot zes maanden opdat men een grondig en gedegen advies zou kunnen uitbrengen over alle aspecten van die zaak. En wanneer dat er niet hele maal uit is gekomen die gron dige advisering, lijkt mij dat noch aan de bereidheid dezer zijds, noch aan gebrek aan tijd toe te schrijven. Mijn slotopmerking over deze zaak is, dat er mijnerzijds alle bereidheid was, is en zal zijn om in goed overleg voorwaarts te gaan, maar dat voor een ge sprek natuurlijk twee nodig zijn. Maar zullen we nu van het algemene naar het bijzon dere afdalen, per slot van r e kening een mooie wetenschap pelijke methode." Accoord, in concreto de twee fasenstructuur. Klaas van Nes, voorzitter van het college van bestuur van de Vrije Universi teit in Amsterdam stipuleerde dat het tweefasenmodel een „diepe revolutionaire ingreep in het Nederlandse stelsel van hoger onderwijs" is, die alleen een redelijke kans op succes kan hebben, wanneer de ope ratie goed doordacht en voor bereid is. Gedragen wordt door een brede politieke consensus en geleidelijk in een reelcs van jaren in goed overleg wordt in gevoerd. „Ministers van onder wijs" zo voegde hij daar aan toe „die voor zo'n ingreep ver antwoordelijkheid dragen die nen te vermijden als brokken piloot de geschiedenis in te gaan."
'T wee fasen structuur ook al zwommen we in het geld' „Kijk, ik k a n mij heel goed voorstellen dat een betoog een pietsje pikanter wordt, wan neer je er een leuk beeld in brengt. Maar u zult van mij wel willen aannemen, dat ik mij liever tot concrete punten be
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's