Ad Valvas 1979-1980 - pagina 149
AD VALVAS — 16 NOVEMBER 1979
5
Colloquium over 'Geloof, Wetenschap en Toekomst'
Kongresgangers uit Derde Wereld ervaren wetenschap en technologie negatief „Het op een intellektuele manier, als een theoretische of filosofische exkursie praten over geloof en wetenschap was voor veel congresgangers uit de Derde Wereld waarschijnlijk een luxe." Azing Boonstra kreeg deze indruk als deelnemer aan het congres over „Geloof, Wetenschap en de Toekomst", dat in juli in Boston plaatsvond. Óp een vorige week gehouden colloquium vertelden hij en prof. dr. H. Verheul over hun ervaringen op het congres. Prof. dr. M. J. S. Rudwick bracht verslag uit van een veel kleiner sympositun over „Wetenschap en theologie in de 20e eeuw", dat in Oxford werd gehouden. Een door Boston-gangers waarschijnlijk als elitair gekenschetst symposium, nam prof. Rudwick aan. Als eerste op het colloquium hield prof. Verheul een verhaal over zijn persoonlijke indrukken van het congres in Boston. Voor hem stond centraal de uitwisseling van rijkgeschakeerde gedachten van de 400 deelnemers. Er kwamen zeer verschillende ideeën over geloof en wetenschap naar voren, ook al omdat het begrip wetenschap zeer verschillend werd gevuld. „Als ik al in generale termen zou kunnen spreken dan stelden de deelnemers uit de Derde Wereldlanden zich toch in meerderheid nogal negatief op tegenover wetenschap en technologie. Ze zien die beide veelal als synoniemen van het woord macht. Velen van de deelnemers uit de Eerste Wereld-landen lieten zich echter zeer positief uit over en hadden positieve verwachtingen van wetenschap en technologie." Nadat de eerste dagen plenair was vergaderd gingen de conferentiegangers in tien verschillende diskussiegroepen uiteen. Onderwerpen waren onder andere de ethische en theologische aspekten van „het knutselen met genen", de grondstoffenverdeling en -uitputting, de energie voor de toekomst. De rapporten van die diskussiegroepen mondden uit in aanbevelingen, die op de plenaire vergadering in stemming werden gebracht. De rapporten besloegen tenslotte ongeveer 500 pagina's. De diskussiegroep waarin prof. Verheul zat handelde over de aard van het geloof en de aard van de wetenschap. Vragen als „wat zijn de grenzen van de wetenschap", „is wetenschap waardevrij" en „heeft het christelijk geloof nog een boodschap voor de wetenschap" kwamen aan de orde. Prof. Verheul vatte enige voordrachten samen, onder welke die van de Indische metropoliet Paulus Gregorius: „Voor hem zijn de grenzen tussen de begrippen God, mens en natuur erg vaag. Hij weet die vaagheid ook met bijbelteksten te illustreren, maar herleidt haar vooral tot zijn persoonlijke ervaring. Het ingrijpen in natuurlijke maar ook in menselijke processen komt dan in een heel ander daglicht te staan. Dat leidt voor Paulus Gregorius nog net niet, zou ik willen zeggen, tot een zich scherp afzetten tegen wetenschap en technologie. Wel attendeert hij er steeds zeer nadrukkelijk op dat de westerse wetenschappers veel te gemakkelijk veel te ver gaan in hun omgang met de natuur."
Waar ligt macht? De Duitse historicus Leuenberger wees, aldus Verheul, in zijn voordracht er met nadruk op dat de kumulatie van kennisvermeerdering en de technologische konsekwenties daarvan het menselijk bestaan ingrijpend hebben gewijzigd. Waar ligt, vroeg Leuenberger zich af, de werkelijke macht in zo'n technologische samenleving? Bij parlement en regering of maakt de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling veel meer de dienst uit. Als dat laatste zo is, hoe hebben we daar dan nog invloed op. Er is immers geen demokratische kon-
Harm Tilstra trole op wetenschap en technologie. Prof. Verheul. „Als illustratie: De invloed die transnationale ondernemingen op het leefpatroon van de Derde Wereldlanden hebben gehad is zo ingrijpend geweest en kennelijk zo beangstigend ervaren dat zeer velen daar de positieve bijverschijnselen die het ook bracht terzijde schuiven en tot een negatieve konklusie hierover komen." In de diskussiegroep werd ook
en technologie die zich kompleet hebben verslingerd aan kapitaal en politieke macht." De opstellers ervoeren de manier van konfereren als eng en benauwend, als westers-burokratisch. Het dokument werd verder gebruikt als werkdokument. De oorspronkelijke opzet van de studentenkonferentie leek een wat meer wetenschapsfilosofische uitwisseling van ideeën. De Derde Wereld-studenten vroegen echter, vanwege hun negatieve ervaringen met wetenschap en technologie, om een standpunt zowel van de kerk als van de wetenschap. „Ze zien wetenschap niet zozeer als vormen van kennen maar als instrumenten waarmee hun dagelijkse leefsituatie omgevormd wordt, struktuur gegeven wordt. Eén van de positieve resultaten van deze konferentie was dat de scheiding maar niet eenvoudig loopt tussen mensen uit de Derde Wereld en die uit de Eerste. Het is een konflikt
dit symposium kwamen essays aan de orde die door verschillende van de dertig deelnemers waren geschreven. Doel was een bundel samen te stellen met de op het symposiixm gekritiseerde en he"ziene artikelen: Een poging de kwaliteit van het debat over de theologische implikaties van de natuurwetenschap te verbeteren. Prof. Rudwick duidde een aantal opstellen aan. Wolfhart Pannenberg, Duits theoloog, vroeg in zijn artikel „Theological questions to scientists" of wetenschappers in hun eigen wetenschappelijke theorieën iets analoogs kunnen herkennen aan bijbelse concepties als geest, opstanding en schepping. Prof. Rudwick: „Dit was niet een poging de theologie te verzoenen met wetenschap, noch het zoeken van wetenschappelijke steun voor religieus geloof". De Amerikaanse, katholieke wetenschapsfilosoof McMullan was sceptisch over de koppeling van het theologisch concept van de schepping aan de tegenwoordig gangbare theorie over „the Big Bang" als begin van het universum. McMullan ontkende de geldigheid van religieuze ervaring niet en wijst ook het concept van de schepping niet af. Zijn bezv/aar was dat wetenschappelijke kennis zich zo niet met theologie laat verbinden. Mary Hesse vatte de argumenten in de artikelen samen. Ze deed dat in termen van een dia-
Vervolp: van pagina
De sprekers op het colloquium. V.l.n.r. prof. Rudwick, daarnaast de colloquium-voorzitter, prof. Verheul en Azing Boonstra.
Prof. Verheul: „Het belang van de conferentie in Boston laat zich moeilijk vaststellen. De belangrijkste konklusie lijkt mij dat men in verschillende van de aanbevelingen er met klem op aandringt het gesprek tussen leden van kerken en leden van wetenschappelijke kringen of technologen, plaatselijk, nationaal en internationaal voort te zetten."
Studentenkonferentie Azing Boonstra (student-assistent Geschiedenis en Maatschappelijke aspekten van de Natuurwetenschappen) was door de Wereldraad van Kerken uitgenodigd deel te nemen aan de studentenconferentie die voorafging aan de grote conferentie. Direkt al bleken veel studenten uit de Derde Wereld niet uit de voeten te kunnen met het voor hen abstrakte chema geloof en wetenschap. Ze legden hun standpunten neer in een dokument. Azing Boonstra: ,,In het dokument werd een beeld geschetst van wetenschap
Op het symposium kwamen meer artikelen aan de orde. Prof. Rudwick gaf er slechts enkele van weer. Toch hoopt hij dat het belang van de diskussie over de relatie tussen theologie en wetenschap is onderstreept. Die diskussie moet niet eenvoudig vervangen worden door een debat over de gevolgen van wetenschap, over technologie, hoe belangrijk dat debat ook is, aldus de hoogle-
Interne meerjarenafspraken
*"
uitgesproken dat de wetenschap veel bescheidener is geworden; „De gedachte dat de wetenschap de werkelijkheid geheel zou kunnen onthullen is onhoudbaar." Henry Brown, een Australisch astronoom ziet in dat de wetenschap een beperkt beeld van de werkelijkheid geeft maar hij vindt het wel het beste beeld dat we hebben. Het is, zei Brown één van de pilaren waarop onze beschaving en die van de toekomst rust. „De spanningen die regelmatig in de diskussiegroep voorkwamen, laten zich bij deze standpunten denken."
lektiek van eenheid en dualisme in de relatie tussen wetenschap en theologie. De attitude, karakteristiek in vroeger eeuwen was dat wetenschap en theologie beide refereren aan de natuurlijke wereld. Later werd deze houding vervangen door één van dualisme. Natuurwetenschap en theologie representeerden radikaal verschillende soorten kennis. Het hoofdprobleem werd toen de scheidslijn tussen beide te trekken. Volgens haar zijn er nu tekenen van een terugkerende eenheid in de toekomst. Relatief recent is de erkenning dat ook natuurwetenschap te maken heeft met kwesties van waarden, zoals theologie. Prof. Rudwick vond deze nieuwe eenheid nog te weinig evident. Hoofdzakelijk komt dat doordat participanten in de diskussie, ook op het symposium in Oxford, een ouderwetse opvatting hebben van natuurwetenschappelijke kennis.
van groepen mensen uit de Derde en van groepen uit de Eerste Wereld." Op de hoofdconferentie werden de studenten, ruim honderd van de vierhonderd deelnemers verspreid over verschillende gebouwen, kamers en groepen, zodat van een gezamenlijk optreden geen sprake kon zijn. Deze konferentie was veel politieker van aard dan ook Azing Boonstra had verwacht. De eigenlijke titel was dan ook: „De bijdragen van geloof en wetenschap aan de strijd om te komen tot een rechtvaardige, demokratische en houdbare maatschappij, de „Just, Participatery, Substainable Society". Dat concept van de J.P.S.S. heeft sterk de richting waarin de diverse groepen bezig waren, bepaald." Het kernenergie-moratorium is vaak verkeerd geïnterpreteerd volgens Azing Boonstra. Het moratorium sprak zich niet uit tegen kernenergie, dan zou het •waarschijnlijk niet aangenomen zijn. Het laat alle opties open en geeft gewone mensen tijd om eens rustig na te denken over het al of niet gebruiken van kernenergie.
Oxford Prof. dr. M. J. S. Rudwick (ook van de vakgroep Geschiedenis en Maatschappelijke aspekten van de Natuurwetenschappen) bracht verslag uit van een internationaal symposium over „Wetenschap en Theologie in de 20e eeuw". Ieder jaar komen verschillende geleerden naar Oxford om over een elk jaar ander thema te diskussiëren. Vorig jaar w^as dat ekonomie, het jaar daarvoor muziek. Op
1
de te worden afgesloten. De subfakulteit kan het minimale onderzoekspercentage met halen, heeft een zware onderwij slast en zit bovendien in een ongelukkige huisvestingssituatie. In augustus beloot de UR op voorstel van het CvB biologie als voorschot op 1981 voor 1980 maximaal 3 plaatsen uit de knelpuntenpot toe te wijzen om in elk geval aan de taakstelling voor dat jaar te kunnen voldoen. Niet om daarmee af te wijken van zijn standpunt dat in de eerste plaats naar ondorv,'ijsextensivering moet worden uitgekeken, maar omdat biologie een relatief grote formatie, achterstand heeft. De komende tijd is er, aldus het CvB in een toelichtend protocol bij de concept-interne mja's, zo een opening voor beide partijen: biologie, dat weer oven voort kan, zal haar ondcrwijslast kritisch moeten evalueren en het universiteitsbestuur bezint zich op een mogelijke wijziging van het formatieverdclingsmodel. Over het PKV-voorstel om do meerjarenafspraak met biologie op te schorten werd apart ge-
Béta-Vrouwenoverleg: films en diskussie Het bèta-vrouwenoverleg presenteert, donderdagavond 29 november om 20.00 uur in zaal S 303 van het Wiskundegebouw: — de film „Simone de Beauvoir", regi Alice Schwartzer, entree ƒ 2,— — de door het vrouwenoverleg zelfgemaakte dia-serie „Hoc het een meisje vergaat dat natuurkunde gaat studeren" — - drie kleine filmpjes — diskussie over het oprichten van praat- en/of studiegroepjes. Deze avond is in de eerste plaats bedoeld voor de vrouwen van de bèta-faculteiten. Mannen zijn ook welkom. Zowel na de film als na de dia-serie is er een discussie.
stemd. Het was een beetje een kantje-boord uitslag die eruit rolde: dertien raadsleden vonden dat dat niet moest gebeuren, twaalf vonden van wel, terwijl er twee blanco stemmen werden geteld.
Ruimteproblematiek Van verschillende kanten werd door raadsleden aangedrongen op een spoedig CvB-antwoord op de vraag welke ruimtelijke voorzieningen op korte termijn getroffen zullen worden voor de fakulteiten waarbij het ruimtegebrek hoofdzakelijk bepalend is voor de interne beslissing over toelating van eerstejaars studenten voor het studiejaar 1980/1981. De raadscommissie planning leek ,,grote haast geboden" en noemde de toelichting op de ruimtesituatie van het CvB in het protocol „een moment-opname van het ruimte-reallocatiebeleid", waarover de raad zich een oordeel diende voor te behouden, wat de raad deed. In de concept-interne mja's had het CvB in een algemeen beding geformuleerd dat het universiteitsbestuur ,,tijdig" antwoord op de vraag zal geven. Een aantal (sub/inter) fakulteiten had verzocht om onder de specifieke bedingen met hen ook bepalingen op te nemen over meer en nieuwe ruimten voor de vervulling van hun onderwijs- en onderzoektaken. Het CvB had daar wel begrip voor, gezien het verband t u s sen de beschikbare ruimte en de taakvervulling, maar meende dat dit nu nog niet kon, omdat er nog geen sluitend ruimteplan voor de hele universiteit voorhanden is. In de mja's wordt ervan uitgegaan dat de overeengekomen opneming van studentenaantallen binnen de huidige ruimten kan plaatsvinden, ook al laten die soms veel te w^ensen over. Het CvB zal komend jaar een ruimteplan opstellen waarin voor elke (sub/inter) fakulteit aangeduid zal worden waarop zij voor de jaren 1981-1985 minimaal zal kunnen rekenen bij een bepaald taken- en middelenpakket. Afgesproken werd dat het CvB zal proberen de streefdatum 18 december te halen. Op de voorlopige raadsagenda van die dag staat nl. het ruimte-reallocatiebeleid (herverdeling van ruimte) van het college genoteerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's