Ad Valvas 1979-1980 - pagina 204
Simon Kooistra Ook al is de term 'wetenschapsbeleid' van recente datum en bestaat er pas sinds 1971 een ministerspost voor (zonder portefeuille), de geschiedenis van het wetenschapsbeleid vangt aan zodra de overheid zich met de wetenschap is gaan bemoeien. Voor de landen die Brookman in ogenschouw genomen heeft is dat in de twaalfde eeuwwanneer de eerste universiteiten worden gesticht. In Nederland wordt de eerste universiteit in 1572 opgericht in Leiden. Die gebeurtenis en de ontwikkelingen daarna zijn volgens Brookman sterk beïnvloed door vooral onze buurlanden Frankrijk, Duitsland en Engeland. Het is de Franse 'école polytechnique' die in de beginfase van het Nederlandse (dan nog impliciete) wetenschapsbeleid zorgt voor een kombinatie van wetenschappelijke kennis en technische vaardigheden. Deze enge, instrumentalistische funktie van de wetenschap wordt later aangevuld door Duitse neohumcinistische invloeden die de opvoedende aspekten meer kans geven en het mondiale denken bevorderen. Engeland leert ons tenslotte instituten voor onafhankelijk onderzoek in het leven te roepen die wel door de overheid gefinancierd worden. Daarbij denken we met name aan de in 1930 op instignatie van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) opgerichte Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en diens evenknie de reeds genoemde organisatie ZWD (1947).
'Science' De buurlanden hebben niet alleen de institutionele geschiedenis van onze wetenschap voor een groot deel bepaald, maar ook de inhoudelijke ontwikkeling. Brookman wijst op de Anglo-Amerikaanse tegenstelling tussen de sociale en de natuurwetenschappen, die zijn weerslag vindt in de eenzijdige betekenis van het Engelse woord 'science' ('natuurwetenschappen'). Dit heeft de reikwijdte van menig internationaal overlegorgaan tot slechts de natuurwetenschappen beperkt. Voorbeelden zijn de VN-organisatie UNESCO en de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (later omgedoopt tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling-OESO), die geen aandacht voor de sociale- en menswetenschappen hebben. Van Duitse zijde acht Brookman drie visies van belang voor de Nederlandse ontwikkeling. De eerste is de opvatting van Max Weber dat de wetenschap waardevrij moet zijn en dus onafhankelijk van de politiek. De tweede is het technocratisch model, zoals dat beschreven
,,Het Nederlandse wetenschapsbeleid moet meer ruimt scheppen voor de levensbeschouwelijke aspekten van d wetenschap. Het is nu te veel gericht op de „know how", (J technische kennis. De wetenschappers komen echter steed vaker voor de vraag te staan van de „know why", het waai om van kennis. Er moet een konfrontatie mogelijk zijn vai de verschillende visies, die er op de verhouding tusse wetenschap, staat en maatschappij bestaan".
Jhr. mr. M. L. de Brauw (DS'70): 6 ]uli 1970-20 juli 1972. (Nadien, tot 11 mei 1973, had m.r. C. van Veen, m,inister van O. W., de verantwoordelijkheid voor het wetenschapsbeleid.)
F H. P. Trip (PPR): 11 mei 1973-19 december 1977.
wordt door Helmut Schelsky, volgens welke belangrijke politieke besUssingen genomen worden door deskundigen in plaats van politici. Ten derde noemt Brookman het pleidooi van Jürgen Habermas voor een optimale interaktie tussen de wetenschapper die middelen aanreikt en de politicus die middelen nodig heeft in het maatschappelijk gebeuren. De invloed van Nederland op het wetenschapsbeleid in het buitenland is nooit groot geweest, omdat Nederland toch wel achteraan loopt. Brookman neemt het Engelse onderscheid over tussen 'policy for science' (politieke beslissingen, strukturen en geldstromen ten behoeve van de wetenschap), 'science for policy' (wetenschap t.b.v. politieke belangen) en 'science in policy' (het gebruik maken van wetenschappelijke methoden om het beleid te verbeteren). Alleen op het laatste terrein heeft Nederland een unieke voorsprong op het buitenland door de instelling van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Op de andere gebieden hebben we ons voornamelijk laten inspireren door andere landen. Zo is de instelling van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid (RAWB) in 1965 tot stand gekomen op aandringen van de OESO, die de wetenschap toendertijd vooral zag als motor voor de ekonomische groei. Brookman stelt zelfs vast dat pas na de OESO-ministersconferentie in 1963 voor het eerst gesproken kan worden
van een expliciet wetenschapsbeleid in Nederland. De instelling van de RAWB was de eerste stap ter vervulling van de OESO-wens dat alle deelnemende landen een 'krachtig nationaal wetenschapsbeleid' en een 'internationale wetenschappelijke samenwerking' zouden bevorderen. Nederléind moest wel meedoen aan dergelijke internationale initiatieven om niet achter te raken in industriële ontwikkeImg en om haar prestige hoog te houden.
Suriname seminar De Volkshogeschool Valkenburg te Valkenburg, verzorgt in het weekend van 29 februari tot en met 2 maart 1980 voor het eerst een „Suriname Seminar". Doel/ van het seminar is vooral Surinaamse studenten te stimuleren studie naar de Surinaamse maatschappijformatie te doen, in het perspectief van verbetering van de positie van het Surinaamse volk. Onderwerp: de aard van de beginselen die het fundament vormen van de rechtsideologie, die de huidige maatschappelijke verhoudingen in Suriname aanvaardbaar trachten te maken. Kosten: ƒ 75,—. Informatie: tel. 015-612519 of 04406-15353.
Frits Henry
Brookman
It zi
ren! oris
ensi n 1 iele ipto
Dat vindt Frits Henry Brookman die twee weken geledei aan de VU gepromoveerd is tot doctor in de wiskunde « i pi natuurwetenschappen op een proefschrift over de geschie in. denis van het Nederlandse wetenschapsbeleid. chie liste Een onderwerp dat nog nooit fundamenteel en systematise! g v is onderzocht. In die zin durft Brookman (32) zijn stud spe« wel baanbrekend te noemen. Hij heeft erg veel kritiek o eerdere studies van het Nederlandse wetenschapsbeleii jjk i , ov „Het zijn eendagsvlinders, wegwerprapporten," zegt hij. H ; va
sen in het Nederlandse wetenschapsbeleid. In de eerste, die hij de cultureel-politieke fase noemt, probeert de toenmalige minister van onderwijs Van der Leeuw een gevoel van nationale eenheid te smeden door uit te gaan van een consensus-denken over de Nederlandse cultuur. Christendom en humanisme moesten tot ons gemeenschappelijk cultuurgoed gerekend worden. Deze visie werd echter al gauw overboord gegooid, omdat de
Proefschrift
uitzondering. Hierin zijn ook doelbewust vertegenwi digers van verschillende nt schappelijke belangengroe ringen vertegenwoordigd over bepaadde projekten te slissen.
Sokratische
Je
dialoog
'Er is een interne en exte ^ ^ ' demokratisering van de v/et '^^ schap nodig", zegt Brooki *^ Intern om de medezeggenst Ida van de wetenschappers te *ß. breden. Extern in die zm ^^
van Frits Henry Brookma nsi
Nederlandse wetenschapsbeleid ti i en te weinig op levensllo De ekonomische drijfveren zijn evenwel reeds in de zestiger ja ren wat op de achtergrond ge raakt, meent Brookman. Hij konstateert een verschuiving van welvaarts naar welzijnspo litiek, waarbij sociaalculturele faktoren meer aan bod komen. Evenals in de eerste periode n a de laatste wereldoorlog, zij het op andere wijze.
Deconfessionalisering Brookman onderscheidt na de Tweede Wereldoorlog drie fa
bevolking te zeer verdeeld was in levensbeschouwelijke zuilen om een dergelijk nationaal den ken te kunnen aanvaarden. Pas in de zestiger jaren kwamen de ontzuiling en deconfessionalise ring op gang. De tweede fase is de reeds uit voerig beschreven periode waarin wetenschap gezien werd als een instriunent voor ekono mische groei. De derde, waar we nu middenin zitten, geeft de wereldbeschou welijke aspekten van de weten schap weer een kans. Het grote verschil met de eerste fase van Van der Leeuw is echter dat er nu sprake is van verschillende levensbeschouwelijke visies op het wetenschapsgebeuren. Brookman: 'De verschillende belangengroepen zien de we tenschap op verschillende ma nieren. Een wetenschapswinkel ziet zijn voorlichtingstaak wel licht in het kader van de kapi talismebes'trijding, terwijl een industriële onderneming de we tenschap ziet als middel om zich op de markt te handhaven. De mensen van ZWO beschouwen de wetenschap als bezigheid ter bevrediging van de nieuwsgie righeid van de mens'. Deze verschillen waren er^vroe ger ook wel, maar werderTmin der duidelijk uitgesproken. 'Het gevaar is echter', zegt Brook man, 'dat elke belangengroep de wijsheid in pacht meent te hebben. Wij moeten in het we tenschapsbeleid zover komen dat men accepteert dat er ver schillende opvattingen zijn over wat wetenschap is, wat de staat is en hoe de wetenschap in de maatschappij funktioneert'. Het is de taak van de overheid deze verschillende benaderin gen van de vraag naar de 'know why' tot hun recht te laten k o men in het wetenschapsbeleid. De hiertoe geëigende instanties bieden hiertoe echter veel te weinig ruimte. Brookman noemt de semioverheidsinstel lingen TNO en ZWO en de re geringsadviesorganen KNA W, en RA WB als voorbeelden. A l leen de sektorraden, fungerend onder verschillende departe menten, vormen een gunstige
alle belanghebbenden bij aat! tenschappelijk onderzoek zh rong mede kunnen bepalen. ing De externe demokratiseriii ' ^ t sinds het eind van de zesl j a r e n behoorlijk op gang gi men dankzij talloze buiten] ' ^ lementaire akties. Voor diei*7 werden beslissingen met trekking tot de wetenscB^W slechts door gevestigde weljsjl] schappelijke instanties g an I men. Nu is er sprake van daa] brede maatschappelijke disl den sie over tal van issues. N 'Ses het aktuele voorbeeld van kernwapens of de kernene '^8 in het algemeen. Brook '^n pleit ervoor dat aan alle we ^^ schapsbeslissingen een 'sob sehe diedoog' voorafgaat, d dat alle belanghebbenden gelijk niveau kunnen mee ten, of het nu om deskunii of leken gaat. Uiteraard lo de belangen van mensen uiteen. Het probleem vai luchtvervuiling is aktuele Rotterdam dan in Drente.
Volgens het principe van i kratische dialoog mogen we schappers hun mening dus aan cinderen opdringen op zag van hun deskundig! Brookman: 'Mensen kui ^^^^ met al hun wetenschappe •' ervaring toch tot uiteenlopi is V standpunten komen. Met i ida plausibele argumenten * ie bijvoorbeeld het DNA ra sch, zoek aangevallen als verdei ;1 ^ Dit kan publieke verwaï du scheppen. Daarom moeter eid tenschappers hun persoon rzo^ opvattingen scheiden van km< wetenschappelijke aktiviteiHhel: De eerste motivatie van IS c wetenschapper dient het v( l is ren van kennis te zijn, het lor bekende te bestuderen. Ii lan tweede plaats dient hij zii e si t e vragen in hoeverre zijn 1 en. zijn nuttig is voor de i ens schappij. Deze twee motiv len zijn in verschillende verhol gen aanwezig in ieder indu der Moet de overheid het t rij ] schappelijk nut niet vooro] len bij het wetenschapsbe W( Brookman: 'Wetenschai ifrc moeten niet alleen maata an i pelijke behoeften uitdiifceel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979
Ad Valvas | 494 Pagina's