Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 99

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 99

12 minuten leestijd

AD VALVAS — 12 OKTOBER 1979

n mderwijspolitiek

te komen

ernatief voor de onophoudelijke groei til onderwijs Onderwijsinstituut is de Belgische hoogleraar prof. dr. Henri Janne. Nadat Kohnstamm een eerste aanzet had ontworpen voor het onderwij sprojekt van de ECS, n a m J a n n e de wetenschappelijke supervisie op zich. (De Belgische hoogleraar had een belangrijk aandeel in het ontwerp voor de bovenschool, zoals dat door oud-minister Van Kemenade in Nederland werd geïntroduceerd. Dit plan werd door het Nederlandse onderwijs van tafel geveegd omdat er t e veel selektiedrempels in zaten). Bmnen de OESO werd eind jaren zestig op twee afdelingen gewerkt aan plannen omtrent het wederkerend onderwijs. Op het Directorate for Manpower and Social Affairs werd het ontwikkeld als een instrument voor arbeidsmarktpoUtiek in het kader van het Wereldwerkgelegenheidsprogramma. Dit gebeurde onder leiding van dr. L. Emmer ij, nu rektor van het Institute for Social Studies in Den Haag en voorzitter van de SERkommissie Betaald Edukatief Verlof.

Leerrecht

I

Deze OESO-aktiviteit sproot voort uit de omstandigheid dat steeds meer koncerns behoefte kregen aan om-, her- en bijscholing. Bovendien waren er herstruktureringen in de werkgelegenheid op wereldschaal te verwachten. De onderwijsmedewerker van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen, dr. C. J. Boeren, wijst erop dat de roep om betaald edukatief verlof opkwam in de jaren zestig op het moment waarop door reorganisaties, vooral in de kolen- en staalsektor, veel arbeidsplaatsen verloren gingen. De andere OESO-afdeling waar het wederkerend onderwijs bestudeerd werd, was het Centre for Educational Research and Innovation (CERI). Daar gebeurde het in het kader van een Projekt over gelijke onderwijskansen. Dit stond onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar onderwijskunde, prof. drs. D. Kallen. Zoals reeds vermeld vond dit werk plaats in koördinatie met de plannenmakerij van de Europese Culturele Stichting. Kallen is nu bestuurslid en interim-direkteur van het Onderwijsinstituut van de ECS. In dit CERI-projekt werd uitgegaan van de redenering dat het onderwijs in de afgelopen jaren niet die gelijkheid van onderwijskansen had geboden die men ervan verwacht had. De oplossing zag men nu in een radikale wijziging in het onder\\ ijs via het leerrecht. Individualisering werd de nieuwste slogan. Na de leerplicht zou iedereen recht moeten krijgen op een beperkt aantal onderwijsjaren. Die jaren kunnen meteen of op latere leeftijd worden opgenomen. Het voordeel hierbij zou 7ijn dat iemand die na zijn leerplicht geen motivatie meer heeft om verder te leren zonder vrees iets anders kan gaan doen. Later, als hij het onderwijs weer wel ziet zitten, k a n hij er weer zonder problemen instappen. Op die manier zou de gelijkheid van onderwijskansen een stuk groter worden, zo was de redenering.

Eigen

bijdrage

Een dergelijk voorstel dook ook weer op in een OESO-rapport uit 1975: „Education and working life in modern society". Medewerkers aan dit rapport waren onder meer Clark Kerr, voorzitter van de Carnegie Council on Policy Studies on

Higher Education, de bekende onderwijsdeskundige Torsten Husén en John Hargreaves, IBM-direkteur en bestuurder van de Europese Culturele Stichting. In het rapport werd gepleit voor een leerplicht tot het zestiende jaar. Daarna zou men recht moeten krijgen op een beperkt aantal onderwijsjaren, naar believen op te nemen. Tot het achttiende jaar zou het onderwijs in ieder geval gratis moeten wezen; daarna kan een eigen bijdrage worden gevraagd. De gedachte van de eigen bijdrage vertoont opvallende gelijkenis met wat in Nederland wordt voorgesteld; zoals de plannen van oud-staatssekretaris Klein voor de studiefinanciering, het verhaal van de huidige minister Albeda in het Onderwijsverslag over 1975 en de bespiegelingen v a n minister Pais in de Memorie van Toelichting bij de onderwijsbegroting voor dit jaar. Albeda noemt de eigen bijdrage nadrukkelijk als een mogelijkheid om de studentenstromen te reguleren. Ook in de ECS-publikatie „A University for the future" uit 1974 wordt in het onderdeel m e t betrekking tot de financiering voorgesteld de studenten een eigen bijdrage te laten betalen. Bovendien zou de financiering van het universitaire leven voor een deel door het bedrijfsleven moeten plaats vinden, omdat de overheid het in haar eentje niet meer zou kunnen bolwerken.

Bezuiniging Behalve de arbeidsmarkt en de gelijke kansen speelde nog een derde overweging een rol bij de planners. Iets daarvan wordt duidelijk uit een speech die de toenmalige minister van onderwijs in Zweden Olof Palme in 1969 hield tijdens een konferentie van Europese ministers van onderwijs. Het was voor het eerst dat het principe van het wederkerend onderwijs publiekeliik werd gelanceerd. Binnen de OESO en het CERI was het idee toen al uitvoerig bestudeerd, aldus Kallen in een rapport van de OESO (Wederkerend Onderwijs, Groningen 1976). Om zoiets als wederkerend onderwijs mogelijk te maken was er volgens Palme een beperking van de groei van het universitaire onderwijs noodzakelijk. „Ik ben er vast van overtuigd, dat dit het punt is waar in de toekomst alles om zal draaien", zo verklaarde Palme. Kennelijk zijn er mensen die om dat punt nog méér willen laten draaien, zoals uit de woorden van Kallen bliikt: bij de lidstaten van de OESO heeft men „veel belangstelling gekregen voor wederkerend onderwijs als een mogelijk alternatief voor de onophoudelijke groei van het hoger onderwijs". In veel van die landen is die groei zelfs „het belangrijkste onderwijsprobleem", zo vermeldt Kallen. Blijkbaar geniet de gelijkheid van onderwijskansen in die landen een lagere prioriteit.

Inflatie De belangstelling van de OESOlanden ging zelfs nog iets verder. Wederkerend onderwijs zou een prachtig instrument kunnen zijn voor de bestrijding van de inflatie. De bedoeling is dat de werknemers hun lonen beperken in ruil voor onderwijsbonnen. Door deze gedeeltelijke „socialisering" van het loon ontstaan voor de verschillende regeringen meer mogelijkheden om de totale loonsom „in de hand te houden".

Dat deze overweging een rol speelt binnen de OESO blijkt uit het verhaal van Alberto Melo, oud-medewerker van de OESO en n u werkzaam bij de Engelse Open Universiteit, in de bundel „Verder Leren" ( B a a m 1975). „Dit betekent niet dat de officieel aanvaarde theorie zou zijn dat inflatie wordt veroorzaakt door loonstijging. Regeringen bekommeren zich doorgaans niet om theorieën; de enige reden is op dit ogenblik dat zij h u n vakbonden meer in de hand hebben dan de hun steeds ontsnappende, machtige leiders van toonaangevende concerns", aldus Melo. De OESO-visie op het wederkerend onderwijs „als een vervangend alternatief voor het huidige onderwijsbeleid en niet als een supplement" (Kallen duikt ook weer op in een K V P rapport over het wederkerend onderwijs. Prof. Kallen was een van de medewerkers aan dat rapport. (Die medewerking werd ook verleend door prof. dr. R. A. de Moor, de belangrijkste regeringsadviseur op het gebied van het hoger onderwijs en de Open Universiteit. Zoals bekend zijn de ideeën van De Moor niet onverdeeld gunstig ontvangen. De Wageningse onderwijsdeskundige dr. Q. van der Meer noemde de Open Universiteit a la De Moor onlangs zelfs een „pseudo-akademisch postorderbedrijf'). Om het mogelijk te maken dat een groter aantal onderwijsvragenden toegang krijgt tot het hoger onderwijs is het „nodig dat voorzieningen worden ontwikkeld die minder kostbaar zijn dan de huidige", aldus het KVP-rapport uit 1976. Geanalyseerd moet dan ook worden „inhoeverre wederkerend onderwijs kostenbesparend is ten opzichte van de huidige vormen van onderwijs".

Twijfelachtig In het kader van het leerrecht bestaan er ook plannen om jongeren na hun leerplicht niet meteen verder te laten studeren maar hen eerst te verplichten gedurende een periode te werken. Kallen zelf wijst erop dat de meningen in de verschillende landen over een dergelijke arbeidsplicht nog verdeeld zijn. Zelf is hij wél een voorstander van zo'n onderbreking „voor de overgrote meerderheid" van de schoolverlaters. „Onmiddellijke toegang tot het hoger onderwijs ( . . . ) moet de uitzondering zijn voor de uitzonderlijk begaafde", zo liet Kallen begin 1977 weten tijdens een konferentie over het onderwijs voor zestien- tot negentienjarigen. Door zo'n onderbreking zou de motivatie voor verdere studie kunon „rijpen", aldus de Amsterdamse hoogleraar. De Nederlandse werko^eversorganisaties VNO en NCW hebben zich (in hun kommentaar op de kontourennota van oud-minister Van Kemenade) eveneens uitgesproken voor een „bewuste onderbreking" van het onderwijs vóór het hoger onderwijs. ,.l>il zal ook de diskrepantie op de arbeidsmarkt verminderen", zo voegen VNO en NCW er voor alle duideliikheid aan toe. Een en ander zou nog niet tot zo verschrikkelijke problemen hoeven te leiden wanneer iedereen ruimschoots mogelijkheden zou behouden om op latere leeftijd nog eens onderwijs te volgen. Gezien het feit dat het wederkerend onderwijs mede uit bezuinigingsoverwegingen wordt opgezet is het uiterst twijfelachtig of er een volwaardig onderwijssysteem uit de bus zal komen.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft eens een berekening gemaakt van de kosten van een systeem met leerrechten. Bij een leerrecht v a n drie j a a r n a de achttien zouden de kosten ruim twee miljard gulden extra bedragen (in cijfers v a n 1972). Wanneer de leerplicht tot het zestiende of zeventiende jaar zou lopen, zou het allemaal nog eens duurder worden. Overigens is zoiets als drie jaar leerrecht nogal schamel, gezien het feit dat studenten na h u n middelbare school nu nog een (weliswaar niet riante) beurs kunnen krijgen waarmee ze een stuk langer toe kunnen. Maar als de stelselmatige verslechteringen in de studiefinanciering zich doorzetten, zal men automatisch in het straatje van de Europese plannenmakers t e recht komen. Een mogelijk altenatief is zoiets als betaald edukatief verlof, via onderhandelingen te bedingen bij de werkgevers. Dezen blijken echter niet bijster scheutig. Als het aan Hen ligt, wordt wederkerend onderwijs niet veel meer dan om-, her- en bijscholing. „De afspraken gelden onderwijs, scholing en vorming die gericht zijn op het funktioneren (in de breedst mogelijke zin te verstaan) van de v/erknemers in arbeidsorganisaties", aldus VNO-medewerker Boeren in 1978.

Hoger

kader

Hierbij dient bedacht te worden dat de behoefte bij het bedrijfsleven aan wederkerend onderwijs met name bestaat met betrekking tot het hogere en middenkader. „De vraag naar ongeschoolden en laaggeschoolden blijft aanhouden", aldus Boeren. Kallen noemt ook nog een ander probleem. Wederkerend onderwijs zal gemakkelijker gerealiseerd kunnen worden door grote bedrijven. Zij kunnen de nodige mankracht organiseren om de plaatsen in te nemen van degenen die met edukatief verlot zijn. De voorkeur van de werkgevers voor het hogere kader kan grote problemen opleveren. Het is een bekend gegeven dat mensen die een lange vooropleiding achter de rug hebben op latere leeftijd beter in staat zijn verder onderv/ijs te volgen dan minder-geschoolden. Wanneer het de bedoeling is dat mensen met een geringe voorooleiding alsnog kansen op gelijkheid krijgen, is liet op de eerste plaats zaak dat er voor hen speciale voorzieningen gekreëerd worden. Die voorzieningen zullen er niet zonder slag of stoot komen, aangezien ze zeer kostbaar zullen zijn en de werkgevers er nu eenmaal geen behoefte aan hebben. Tekenend ziJn wat dit betreft de ervaringen van de werkende jongeren. In de arbeidswet van 1919 werd elke ondernemer verplicht jonge werknemers in de gelegenheid te stellen om één dag in de week vorming of onderwijs te volgen. De werkgever bleef echter vrij de jongere te ontslaan wanneer deze van dit recht gebruik wenste te maken. In 1969 herdachten dan ook 10.000 werkende jongeren het feit dat deze wet vijftig jaar Ifng een vodje papier was gebloven. De ervaringen die tot nu toe in bot buitenland met wederkerend onderwijs zijn opgedaan stemmen niet gerust. Voor zover te overzien valt, is alleen in Italië de strijdbare metaalarbeidersbond erin geslaagd edukatief verlof af te dwingen waarbij de werknemers geheel zelfstandig mogen beslissen over de invulling ervan (tot aan klavecimbellessen toe). De huidige ökonomische problemen worden nu echter door de werkgevers aangegrepen om aan die rechten te tornen, zo verklaarde de Italiaanse vakbondsleider Lettieri tijdens een kongres over edukatief verlof eind 1978 in Driebergen. Ook in landen als Noorwegen en de Bondsrepubliek is vanuit onder meer de vakbeweging kritiek gekomen op de oriënta-

tie op de werkgeversbelangen met het wederkerend onderwijs in die landen.

Gevolg Ion zifi dat ongeijkheid nog groter wordt Het zal inmiddels duidelijk zijn dat er grote gevaren kleven aan een systeem van wederkerend onderwijs dat is toegesneden op de arbeidsmarkt. De Amerikaanse sociologen S. e n F. Miller gaan zelfs nog iets verder, fn het blad Jeugd in School en Wereld uit 1975 waarschuwen zij ervoor dat er voor één duidelijke doelstelling gekozen dient te worden. Zo gauw voldaan moet worden aan meerdere doelstellingen zal de demokratisering onherroepelijk het onderspit delven en de ongelijkheid vergroot worden. Een dergelijke waarschuwing is 04fk bij Kallen zelf te horen: „Wederkerend onderwijs zou kunnen leiden tot een toename van de ongelijkheid die veel moeilijker te bestrijden zal zijn dan de huidige ongelijkheid". Itlaar kennelijk heeft deze professor er veel vertrouwen in dat enig minzaam overleg met het bedrijfsleven de zaak in goede banen zal leiden. Het voorgaande laat natuurlijk onverlet dat er op tal van plaatsen met de allerbeste bedoelingen gewerkt wordt aan een systeem van wederkerend onderwijs. Ook menig „Europees" onderwijsplanner zal van de beste voornemens vervuld zijn. Er is slechts gepoogd aan te tonen dat het gevaar van zeer schadelijke tegenkrachten niet onderschat moet worden. P e r slot van rekening wordt op zijn minst een deel van het initiatief beheerst door machtige kringen met heel eigen belangen (en die soms niet erg kieskeurig zijn in de keuze van hun vrienden). In ieder geval lijkt het raadzaam niet op voorhand bepaalde onderwijsrechten in te leveren in ruil voor uiterst dubieuze rechten in de toekomst. (Utrechls GUPD)

Universiteitsblad,

Uw advertentie gaat naar 15.000 lezers toe

Advertentie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 99

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's