Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 251

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 251

9 minuten leestijd

AD VALVAS —

1 FEBRUARI 1980

RA WB-medewerkers

gingen na wat de miljoenen b voor B-onderzoe/c opleveren

Wetenschappelijke produktie bèta-onderzoekers VU laag De doelmatigheid van het onderzoek op de VU bij wiskunde, natuurwetenschappen en geneeskunde is laag vergeleken bij de rest van de Nederlandse universiteiten die zich op deze terreinen bewegen, uitgezonderd de Technische Hogeschool Delft en de Twentse TH, bij wie dit ook zo is. Dit blijkt uit een studie van twee medewerkers van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid, drs. A. van Heeringen en drs. C.P. Bakker, die nagingen hoe het met de wetenschappelijke produktiviteit op deze onderzoeksgebieden in ons land is gesteld. Er wordt zeer veel geld aan onderzoek uitgegeven - er werken in Nederland ca. 30.000 wetenschappelijke onderzoekers in enige honderden laboratoria en instituten — en een interessante en belangrijke vraag is daarom wat het allemaal oplevert. Als 'meetlat' gebruikten zij het aantal wetenschappelijke publikaties in tijdschriften, congresbundels e.d. per onderzoeker. De beide RAWB-onderzoekers vergeleken de produkties in 1974 en 1977 met elkaar. Overigens merkten zij wel dat de verschillen tussen de uruversiteiten in het laatste jaar kleiner waren geworden. De produktievere zagen hun publlciteitsscore dalen, de minder produktieve stijgen. De VU komt er in beide jaren slecht af met een lage score, in tegensteUmg tot haar katholieke Nijmeegse zusterinstelling. Deze bijzondere universiteit scoorde beide jaren een eind boven het gemiddelde, dus hoog. De RAWB-onderzoekers konstateerden dat - anders dan vaak wordt gedacht - - de nog steeds grote verschillen tussen de aantallen wetenschappelijke publikaties die vanuit de universiteiten loskomen 'maar zeer ten dele verklaard worden uit verschillen in onderwijsbelasting'. Ze vonden steun voor hun veronderstelling dat de aantallen publikaties groter zijn naarmate het aantal hoogleraren onder het wetenschappelijk personeel hoger is (bij natuurkunde, biologie en geneeskunde). Achterliggende gedachte voor die veronderstelling was dat hoogleraren in het algemeen als toponderzoekers en/of stimulatoren voor het onderzoek mogen worden beschouwd. Dat meer samenwerking met andere instituten tot meer publikaties zou leiden - een aannemelijk lijkende veronderstelling - bleek echter een fabeltje te zijn. Wel weer bestaat er verband tussen het aandeel in de tweede geldstroom en het aantal publikaties bij scheikunde en natuurkunde: een hoog aandeel gaat gepaard met veel publikaties. Voor de overige wetenschapsgebieden waarvoor de tweede geldstroom qua omvang belang-

rijk is, biologie en geneeskunde, kon dat verband niet worden gelegd. De RAWB-onderzoekers beperkten hun analyse tot de bèta-wetenschappen omdat ZIJ in die hoek betrekkelijk gemakkelijk met de gekozen maatstaf (het tellen van publikaties) uit de voeten konden. Het tellen van publikaties heeft het als een andere veelgebruikte methode, de zgn. citatentelling (het aantal malen dat men in de vakliteratuur wordt geciteerd) - zijn bezwaren, zoals: publiceren in wetenschappelijke tijdschriften is maar één manier om onderzoeksresultaten naar buiten te brengen; de ene publikatie verschilt kwaUtatief soms zeer veel van de andere; publikaties bevatten soms weinig nieuws; hetzelfde onderzoek wordt soms in verschillende tijdschriften gepubliceerd. De beide onderzoekers zijn zich die bezwaren bewust geweest, maar kozen er toch voor, omdat praktisch alle belangrijke resultaten van wetenschappelijk onderzoek in tijdschriften terechtkomen. Bovendien blijken publikatietellingen (en ook citatentellingen) zelfde uitkomsten op te leveren als wanneer de waardering van vakgenoten over een bepaald stuk onderzoek wordt gemeten, weliswaar de meest direkte, maar tegelijk ook een vreselyk tijdrovende en ingewikkelde weg.

Science Citation Index Gebruik werd gemaakt van de Science Citation Index, die artikelen uit de belangrijkste, internationaal georiënteerde, wetenschappelijke tijdschriften op (voornamelijk) het terrein van de beta-weten-

schappen bevat. Selektiekriterium voor opneming in het SCI-bestand is o.a. het aantal malen dat de tijdschriften worden geciteerd. Als prima instrument om snel en doeltreffend relevante bronnen op te sporen is deze SCI natuurlijk in de eerste plaats bedoeld, maar voor meetdoeleinden zoals de RAWBonderzoekers hem gebruikten, wordt de SCI steeds vaker benut. Het afgelopen jaar bijvoorbeeld deden drie vu-wetenschappers een, wat zij noemden, proefonderzoekje om de onderzoekresultaten op de geneeskundefakulteit met behulp van de SCI te peilen volgens de citatentelling. Daarover straks meer. De RAWB-onderzoekers ontdekten dat tussen 1974 en 1977 het Nederlandse publikatie-aandeel in de wereldproduktie is gestegen. Van dat aandeel is 70% uit de universiteiten

afkomstig, 10% uit de industrie en 20% uit de (semi-)overheidsinstituten, waaronder TNO met 4%. Onderzoekers bij een universiteit blijken in dezelfde tijd gemiddeld driemaal zoveel te publiceren als bij TNO en vergeleken met de industrie negen maal zoveel, maar gedeeltelijk zijn deze verschillen verklaarbaar omdat aard en doel van het onderzoek anders zijn. Voor het indelen van de natuurwetenschappelijke publikaties naar de diverse wetenschapsgebieden bezigden de RAWB-medewerkers als voornaamste kriterium het terrein waarop een instelling werkzaam is. Veruit de meeste van deze publikaties hebben betrekking op de geneeskunde (39%). Scheikunde en natuurkunde zijn goed voor resp. 17% en 14%. Ook op de terreinen technologie en biologie komen relatief aardig wat publikaties los: elk 9%. Een lage notering krijgt bijvoorbeeld geologie met 1 %. Om een indruk te geven van de mate waarin door op universiteiten en hogescholen werkzame onderzoekers in de internationale wetenschappelijke tijdschriften wordt gepubliceerd op de verschillende bèta-gebieden maakten de RAWBonderzoekers een tabel. Over de hele linie nam het aantal publikaties toe, zowel absoluut als gelet op het aantal publikaties per wetenschapper. Het produktiefst zijn de

scheikundigen met 0,63 publlkatie per man per jaar, daarna de natuurkundigen met 0,59 en de biologen met 0,46. De geneeskundigen volgen met 0,40. Onderaan liggen o.a. de tandheelkundigen en de wiskundigen met resp. 0,16 en 0,22 (deze cijfers hebben betrekking op 1977).

Signaalfunktie Met hun analyse bedoelen de RAWB-medewerkers beslist geen laatste woord te spreken, maar wel vinden zy dat die 'een belangrijke signaalfunktie' kan vervullen en aanleiding kan zijn voor nader onderzoek. Gezien de soms grote verschillen tussen de onderzoeksprestaties (publikaties) tussen de universiteiten pleiten zij voor een periodieke herhaling van een dergelijke (input/output)analyse. Nagegaan kan zo worden in hoeverre die verschillen een struktureel karakter hebben, terwijl zo ook de ontwikkeling in de tijd kan worden gevolgd. Ook menen zij dat nadere aandacht aan de eigenlijke oorzaken van de soms in het oog lopende verschillen in de aantallen publikaties per onderzoeker tussen de universiteiten zou moeten worden geschonken. Dat zou bijvoorbeeld een taak van verkenningscommissies kunnen worden in de toekomst. (J.v.d.V.)

Konklusie proefonderzoek drie nijvere VU-wetenschappers:

Bij benoeming medische hoogleraren telt wetenschappelijke kwaliteit niet erg Dick Boorsma, Piet Eikelenboom en Nico van Rooijen, de drie leden van de wetenschappelijk staf van de geneeskundefakulteit aan de VU die het afgelopen j a a r de onderzoeksresultaten aan hun fakulteit via de Science Citation Index maten, vinden de verschijning van het RAWB-rapport een goede zaaK.. Van Rooijen: 'De mentaliteit van algehele vrijblijvendheid voor de onderzoeker, die met het onderzoeksgeld kan doen en laten wat hy wil, zal moeten verdwijnen.' Daaraan wordt door zo'n rapport meegewerkt. 'Het is wat tegen de geest van deze tijd, maar ik vind dat er meer ruimte voor het competitie-element moet komen aan de universiteiten.' En wat de VU betreft zegt Van Rooijen: 'Gezien de uitslag van het RAWB-rapport is het nodig dat er over de hele linie op de VU meer spoed gezet wordt achter het meten van de onderzoekskwaliteit en het opvoeren ervan op plaatsen waar dat nodig is.'

I'u't Eikolenboom on .\u <> i aii liooijen. 'Meer op wetenschappelijke kwaliteit letten bij benoemingen.' ' Het drietal wetenschappers had met het eigen, door hen zo genoemde 'proefonderzoek' een duidelijke bedoeling. Boorsma: 'We vroegen ons af wat eigenlijk de waarde is van het onderzoek dat we hier op de fakulteit met z'n allen doen. Het leek een moeilijk karwei, maar ik ben er in de zomer vong jaar gewoon mee begonnen. Het werken met de SCI bleek erg mee te vallen. Je zou kunnen zeggen dat we de knuppel in het hoenderhok wilden gooien.' Van Rooijen corrigeert hem wat: 'Nou ja, de bedoeling was om er achter te komen in welke vakgroepen nuttig onderzoek wordt verricht en wie daarbij betrokken zyn, omdat we dat in feite niet weten. Sommigen hoor je gewichtig doen over hun onderzoek, terwijl later blijkt dat er weinig is uitgekomen. Anderen hoor je weinig, maar ze komen wel met resultaten. Met die objektieve SCI-methode haal je dat er betrekkelijk goed uit.'

Weinig eclit goed onderzoelc

EEM 0EN5UK,H'N 6gST£:,'KGEL00f, Dfir DEZ£ muiCr VER^ropT zir..

Konklusie uit het proefonderzoek, dat ging over de jaren 1977 en 1978, was dat er slechts een beperkt aantal vakgroepen aan de medische fakulteit zijn, waar het onderzoek echt goed loopt. Koploper daarvan is de vakgroep farmacologie (middelgroot met dertien stafleden), die bovendien zichtbaar in opmars is. Lag het gemiddelde aantal citaties per wetenschapper daar in 1977 op 9,9 bij een totaal van 128, in 1978 was dat gemiddelde gestegen tot 12,9 bij een totaal van 168. Ter vergelijking: in de onderste citatie-regionen bevindt zich die jaren o.a. kindergeneeskunde (iets meer dan 20 stafleden), welke vakgroep in 1977 een score van slechts 11 citaties haalde, d.w.z. 0,5 citaties

per wetenschapper, wat een jaar later ongeveer hetzelfde bleef. En verder: van de 23 medische vakgroepen zyn er over beide jaren slechts vier ('77 of vijf '78) die een citatiescore van gemiddeld 4 of hoger bereiken naast farmacologie. Er zijn er nogal wat die daar beduidend onder bly ven. Kykt men naar de verschillende groepen wetenschappers, dan halen de hoogleraren in '77 de hoogste score met een gemiddelde van 6,6, gevolgd door de gepromoveerde wetenschappelyke medewerkers met 4,4, de lectoren met 4,3 en tenslotte de met-gepromoveerde w.p.'ers met 0,5. Op de 350 dat jaar op de medische fakulteit werkzame wetenschappers een gemiddelde score van 2,4. In 1978 was die score een tiende hoger; een aantal wetenschappers wa^ gestegen tot 364. Beide jaren laten weinig verschil zien, stelden de drie vast. Belangwekkender is de konklusie die zij ook trokken, namelijk dat wetenschappelijke kwaliteiten bij de benoeming van hoogleraren en lectoren kennelijk maar een beperkte rol spelen of hebben gespeeld. Want de oorzaak van het teleurstellende citatie-resultaat kan niet worden gezocht in het veelgehoorde (ook door de RAWB-onderzoekers tegengesproken) argument 'onvoldoende tijd voor onderzoek wegens drukke andere bezigheden', aldus het drietal. Het stelt daar tegenover dat de gemiddelde hoogleraar of lector al veel langer onderzoek doet dan de gemiddelde wetenschappelyk medewerker en daarom by gelijkblyvende onderzoekskwaliteit tot een aanmerkelyk hogere citatie-score zou moeten komen. Bo-

Vervolg op pag. 5

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's

Ad Valvas 1979-1980 - pagina 251

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1979

Ad Valvas | 494 Pagina's