Ad Valvas 1980-1981 - pagina 175
AS )VEMBER 1980
Si <nt-projekt van Wageningen, Utrecht en de VU
inesië-projekt lijkt niet groot De realisatie kansen van de uitkomsten van de workshop lijken miniem te worden als men in de eerste voortgangsrapportage leest dat aanvankelijk werd besloten dat de Indonesische counterparts vijftig procent van hun tijd aan de projectactiviteiten konden besteden, terwijl men even verder leest dat ze in werkelijkheid maar vijfentwintig procent van hun tijd aan het project kunnen besteden.
Argument Een argument dat vaak wordt gehanteerd ter legitimatie van dit soort projecten, is 'de positieve bijdrage van de resultaten en ervaringen op het onderwijs en onderzoek aan de LH'. In de laatste twee jaar dat het project nu draait hebben met name de studenten Bosbouw in hun onderwijs Boshuishoudkunde volgens hun eigen zeggen daar tot nu toe nog maar erg weinig van gemerkt, in positieve zin dan.
bijdragen tot de kwaliteit van het project. Daaraan geef ik de voorkeur boven een ooit ontwikkelingsrelevant "academisch onderonsje".' De sociaal medici en antropologen kozen uiteindelijk hun onderzoekslocatie niet in de zuidelijke Serayuheuvels maar in de centrale Serayu-vallei. Zij wilden zich niet direct compromitteren met de overheidsplannen van de grootscheepse transmigratie. De Bosbouwers uit Wageningen willen onder andere wèl naar het South-Kedu gebied. Kennelijk waren zij niet bang zich te compromitteren. Wat betreft Natuurbeheer zei Van Wijngaarden het volgende: 'Foor Natuurbeheer is samenwerking met de fysisch geografen een noodzaak. Zonder hun voorwerk beginnen wij weinig' (10). Alleen in maart 1980 had Natuurbeheer nog niets besloten over hun onderzoekslocatie (12). Voorgesteld werd toen het nationale park Baluran, zeshonderd kilometer van de Seraval-
Welke en wiens belangen zijn in het geding? Een van de redenen waarom het Integrated Rural Development programma (IBD) van de Nederlandse universiteiten met de universitas Gadja Madah (UGM) in Jogjakarta, volgens kritische volgers van het project, steeds duidelijker vormen van een flop begint aan te nemen, is het locatieconflict tussen de verschillende deelnemers. De Fysisch Geografen wilden naar de zuidelijke Serayu-heuvels, om daar samen te werken met een door de Indonesische overheid geïntameerd ontwikkelingsproject het 'South Kedu Multi purpose project' (3). Dit project kent meerdere doelen: erosiebestrijding, watervoorziening voor de landbouw, recreatie en industrie en tenslotte electriciteitsopwekking. Het plan is ontworpen door een particuliere firma, de Engineering Consultance Inc., Denver U.S.A. De bedoeling is dat er stuwdammen worden aangelegd, waardoor ongeveer tienduizend mensen zullen moeten verhuizen. De Fysisch Geografen staan erop om in dat gebied te werken, getuige de uitspraak van Van Engelen (projectverantwoordelijke voor de inbreng van de Fysisch Geografen). 'De gebiedskeuze is essentieel voor de voortgangvan het fysisch geografisch werk. Ik heb de voorkeur voor Sempor en/of Madas Lintang. Als de anderen niet dezelfde of vergelijkebare gebieden kiezen, zie ik niet wat ik nog langer in het subprogramma moet doen.' (10). Prof. Schoort, projectverantwoordelijke voor de inbreng van de sociaal medici en antropologen, stelt 'Het gevaar bij IRD bestaat dat een integratie van planningsactivtteüen plaatsvindt op niveaus boven de bevolking en geïntegreerde plannen aan de bevolking worden opgelegd. Bij de keuze van IRD-onderzoeksactiviteüen moet het betrokken raken bij een dergelijk IRD voorkomen worden'.. ..'Het plan vantransmigratie (gedwongen verplaatsing) van een groot deel van de bevolking roept de vraag op welke belangen van wie in het geding zijn' 'Is het "geïntegreerde" niet reeds klaar om uitgevoerd te worden, al dan niet met participatie van de bevolking bij de uitvoering'? (11).
Vuile handen Van Engelen van de Fysisch geografen houdt echter voet bij stuk 'Als het element van de bevolkingsparticipatie eraan ontbreekt, moet de uitvoerders daarop^gewezen worden. De dam komt er. Risico van "vuile handen" ben ik bereid te lopen indien mijn adviezen kunnen
lei vandaan. Een klein boekje open over de Universiteiten Gadja Madah, waar de vakgroep Natuurbeheer mee zal samenwerken. Op Kalimantan (Indonesisch Borneo) vindt grootscheepse exploitatie van het regenwoud plaats. De UGM heeft daar ook houtkap-concessies. Om puur commerciële redenen opereert zij hier middel de 'Gadja Madah Mula Raya-maatschappij', zelfs in een natuurreservaat. Het zegt iets over de houding van de UGM ten aanzien van natuurbehoud en beheer.
Elite-universiteit In Indonesië bestaan ruim 300 erkende instellingen voor hoger onderwijs. Hiervan zijn ongeveer 40 staatsinstellingen, waarvan 29 universiteiten. De rest is particulier. Alle resorteren onder het Ministerie van Onderwijs en Cultuur. De universiteiten zijn op grond van hun kwaliteiten ingedeeld in A-TB- en C-instellingen. Er zijn vijf A-universiteiten ('Centres of Excellence'), waardoor de Gadja Madah universiteit (UGM) in Yogjafcarta. De 'Centres of Excellence' hebben tot taak de zusterinstellingen te steunen in hun ontwikkeling, de regering te adviseren bü de ontwikkeling van nationale programma's
en het steunen van regionale overheden. De regering beslist over het al dan niet toewijzen van een 'Centre of Excellence'-functie. Via dit toewijzingsrecht heeft de centrale overheid invloed op de inhoud van onderwijs en onderzoek (met name door de financiering). Daarnaast ontvangen de A-universiteiten via projecten veel geld uit het buitenland zodat ook het buitenland een flinke vinger in de pap heeft. Door deze financiële afhankelijkheid zijn de marges van de UGM om werkelijk bevolldngsgericht onderzoek te doen zeer gering.
Studenten De meest belangrijke hindernissen om aan de UGM te kunnen studeren zijn van financiële en poUtieke aard. Financiële drempels zijn er vele; relatief hoge college- en toelatingsgelden, hoge kosten van levensonderhoud op de campus en weinig studiebeurzen (in 1976 sian de UGM kregen slechts vier studenten een beurs) en dan nog pas nä het eerste studiejaar. Verder zijn er vaak hoge kosten voor bijlessen (vanwege het lage niveau van de middelbare scholen), hoge kosten van oefentesten om zich op het toelatingsexamen te kunnen voorbereiden en smeergelden. De poUtieke hindernis voor toelating vormt de verklaring van 'niet betrokken zijn geweest bij de coupe van 1965'. Zelfs voor studenten die ten tijde van de coupe vijf jaar oud waren. Door het al dan niet uitgeven van zulke verklaringen kan de overheid een (poUtieke) selectie toepassen. Eenmaal aangeland op de universiteit vindt er poUtieke controle plaats op het doen en laten van studenten en de staf (verklikkers en veiUgheidsbureaus). Sinds 1976 wordt er aan alle universiteiten een nieuw, voor alle studenten verplicht, vak gedoceerd. Dit handelt over nationale politiek en veiligheid (keliriaan colleges). Officieel bedoeld als een geestelijke herbewapening, pakt het in de praktijk vaak uit als een wervingsmechanisme voor een reserve-officiersopleiding. Daarnaast zijn studenten sinds 1965 verplicht om in hvm tweede jaar te dienen in zogenaamde 'studentenregimenten'. Deze regimenten vallen rechtstreeks onder het MiUtair Districtscommando, maar zijn ook verantwoording schuldig aan de rector. Zo heeft de UGM een studentenregiment ter sterkte van 180 leden. Ook buiten de universiteit blijft de overheid invloed uitoefenen op het doen en laten van de studenten. Voor iedere veldtrip is de toestemming vereist van de meestal miUtaire autoriteiten. In februari waren er op diverse universiteiten massale protesten van
Expositie over sieraden Op dinsdag 2 december a.s. om .30 uur wordt een nieuwe Ezposorium-tentoonstelling geopend in de expositieruimte in het restaurant van het hoofdgebouw. Thema is deze keer het moderne sieraad. De tentoonstelling zal worden geopend door sieraadontwerper en galeriehouder Paul Derrez. Harpiste Jet Sprenkels zal zorgen voor een muzikale opluistering. Iedereen is van harte welkom. Iets over deze tentoonstelUng: In Nederland, aan het einde van de jaren zestig, verbrak een aantal sieraadontwerpers een aloude traditie: men weigerde het sieraad nog langer te beschouwen als een excluisieve kostbaarheid, er kwam verzet tegen allerlei 'oneigenlijke, aan het sieraad toegevoegde waarden', zoals b.v. het sieraad van goud, zilver of diamant waarin het zo veilig geld beleggen was, of het sieraad als opschepperig bewijsmateriaal van iemands chique afkomst. De sieraadontwerpers gingen op zoek naar nieuwe, betere, eigen uitgangspunten, naar andere materialen, naar een andere vormentaal, een verschijnsel dat tegelijker-
tijd ook binnen andere gebieden van de beeldende kunst te signaleren viel. Wij zijn limiiddels enkele jaren verder. Nederland neemt op het gebied van de sieraadkunst een vooraanstaande plaats in. Ontwerpers kiezen nu de meest uiteenlopende materialen, afhankelijk van het karakter van de nagestreefde vorm en de eigenschappen van het materiaal zelf. Goud of zilver kunnen geschikt zijn, maar net zo goed aluminium, hout, pvc, rubber, textiel, glas. Uitgaand van b.v. de vorm van een bepaald Uchaamsdeel of juist een onafhankelijke, geometrische vorm werken zij hun ideeën uit in sier-
studenten tegen de herverkiezing van president Suharto. Hy zou voor de derde maal herkozen worden, wat echter in strijd is met de grondwet van 1945. Bovendien hekelden zlj de corruptie en de royale levenswijze van de machthebbers. Tijdens demonstraties op de campus van de UGM vielen twee doden, 25 gewonden en werden ruim 100 studenten opgepakt. In januari 1978 kregen zeven grote dagbladen en een tiental studentenbladen een verschijningsverbod opgelegd, tegelijkertijd werden de studentenraden aan aUe iiniversiteiten opgeheven. Dat ondanks intimidatie en veroordelingen van studentenleiders het verzet onder de studenten nog steeds ongebroken is blijkt uit de recente stakingen van duizenden studeriten. Door de studenten van UGM worden nog steeds initiatieven ondernomen voor de minder bevoordeelde lagen van de bevolking zoals de oprichting van een rechtswinkel waarbij de studepten op een eenvoudige manier rechtshulp proberen te verlenen en aan bewustwording werken. Hierbij ondervinden zü echter veel tegenwerking van de locale overheden.
hun mogelijkheden zlJn. Abstract denken en herleiden van vraagstukken tot hun essentie bleek niet de gemakkelijkste opgave te zijn'. Uit hetzelfde verslag: 'Men is zeer gevoelig voor aUerlel invloeden. Het voeren van een (zak-)agenda heb ik niet waargenomen; het gebeurt natuurlijk wel, maar het neemt niet zo'n dominerende plaats in. Een soortgelijke waarneming is, dat men moeite Ujkt te hebben met het (abstract) derücen in structuren en schema's; men vraagt al gauw wat het betekent en "wat er dus gedaan moet worden". Zo is meerdere malen uitgelegd, wat met het IRD subprogramma wordt bedoeld, wat IRD is (of zou moeten zijn, voor zover het onszelf duideUjk is) en wat samenwerking met stafleden van andere faculteiten betekent (bijvoorbeeld de vraag: "Wie betaalt de gezamenlijke activiteiten"). Ook lijkt het erop, alsof men de oplossingen van vandaag belangrijker vindt dan die voor problemen op lange termijn. Het zal moeite kosten om de Javaanse en Indonesische denkwereld te begrijpen en deze als ingang voor "upgrading" te hanteren.' (16). Deze min of meer officiële verkla-
Javanen hebben moeite met denken in strukturen en schema 's Begin november 1979 ondernemen Nederlandse en Indonesische deelnemers aan het IRD-project een meerdaagse veldtrip naar OostJava en Bali. In de eerste halfjaarlijkse voortgangsrapportage wordt over deze reis onder meer gezegd: 'This trip was also very useful for aU project participants in getting better acquainted with one another, not only professional but also personaUy'. (12). In een verslag van Bongers (Natuurbeheer, LH) over een bezoek aan het project lezen we echter het volgende: 'De counterparts spreken onder elkaar Javaans en geen Indonesisch, ondanks herhaald verzoek de laatste taal te gebruiken, omdat ik dan begrijpen kan waar ze het over hebben; bovendien leer ik er dan ook nog wat van' (15). Zou het het overschakelen van Indonesisch op Javaans mogelijk voortvloeien uit een onzekerheid en/of een wantrouwen jegens de Nederlandse counterparts? Naast de taalbarrière zijn er ook nog andere communicatieproblemen. Prof. Van Maaren (Boshuishoudkunde, LH) was er ook bij: 'De gezamenlijke veldtrip naar Oost-Java en BaU heeft een schat van informatie opgeleverd, zowel wat werkwijze en denktrant van de Indonesische counterparts betreft als ook wat de stand van de werkzaamheden in de verschiUende probleemgebieden betreft en de uitkomst daarvan' ( . . . ) . 'Tijdens de trip zijn diverse gesprekken met de verschiUende counterparts gevoerd. Hierdoor kon langzaam maar zeker een beeld worden opgebouwd van wat hun eigen ervaringen, huidige kennis en
ringen ziJn afkomstig van iemand die slechts enkele reizen naar Indonesië, variërend van een paar weken tot een paar maanden, heeft gemaakt. Uit het eerder aangehaalde reisverslag van Dr. Bongers lezen we over deze problemen: 'Abstract en causaal-analytisch denken is echter niet ontwikkeld.' De Nederlanders doen dus weliswaar pogingen om de Javaanse en Indonesische denkwereld te begrijpen, maar middels 'upgrading' moeten de Indonesiërs het 'het abstract en causïial-analytisch denken' in structuren en schema's toch maar overnemen. Deze communicatieproblemen lijken dus alles behalve veel goeds te beloven voor de contacten met de mensen voor wie het project eigenlijk bedoeld is: de 'rural poor'. (H.F.) Volgens veel mensen zijn de vragen, criteria en eisen die aan de Indonesische samenwerkingsverbanden gesteld worden, veel te vergaand. 'Als dit soort criteria zouden worden losgelaten op de andere onderzoeksprojecten van de LH, dan zou er maar weinig overblijven van het onderzoek hier-.' zo wist een genodigde tijdens een receptie van de LH met een delegatie van de Brawiyaja-universiteit te Malang onlangs te vertellen. Dit lijkt een argument te meer om niet alleen de Indonesië-projecten te toetsen aan de hand van soortgelijke criteria, maar ook de LH. voor haar hele onderzoekspakket, onder de loep te nemen. Als het onderzoek inder-
aden, soms helder en eenvoudig naar vorm, soms wat ingewikkelder geconstrueerd. Door de eigenschappen van de gebruikte materialen zowel als door de vormgeving, maken - zoals op de tentoonstelling is te zien - vele ontwerpers tegenwoordig zeer draagbare sieraden, die relatief goedkoop zijn. De kern van de tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwer-
king met de Nederlandse Kunststichting. Daarnaast wordt men in de gelegenheid gesteld - mede met het oog op de komende feestdagen om sieraden van de deelnemers aan te kopen.
Vervolg op pag. 10
InUchtingen over de tentoonstelling zijn te verkrijgen bij John Vrieze. Hoofdgebouw kamer OD-03, tel. 4327.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980
Ad Valvas | 466 Pagina's